Rekenen tegen het gen-gewas

Het leek een meesterzet van de Britse overheid: gen-gewassen toelaten om hun ecologische risico's in kaart te kunnen brengen. Nu de resultaten naar de wetenschappelijke bladen worden verstuurd, kraken actievoerders alvast de statistiek....

Afgelopen week heeft ecoloog dr. Lesley 'Les' Firbank van het Centre for Ecology and Hydrology in het Noord-Engelse Merlewood eindelijk weer eens een paar dagen vrij gehad.

Eindelijk, zegt hij opgetogen, terwijl hij - het is dinsdag - op het punt staat de deur achter zich dicht te trekken. Vier jaar was hij nonstop de spin in het web van een van de grootste experimenten met gen-gewassen in Europa. Vorige week gingen de eerste echte meetresultaten op de bus van de zogeheten Farm-Scale Evaluations (FSE) van drie genetisch gemanipuleerde gewassen die resistent zijn gemaakt tegen onkruidverdelgers. Meer dan honderd onderzoekers werkten er in de loop der jaren aan mee.

Negen papers verzond coördinator Firbank, van elk tussen de tien en twintig pagina's tekst, telkens geschreven door een handvol auteurs, en bestemd voor het gerenommeerde tijdschrift Philosophical Transactions of the Royal Society. Elk artikel behandelt een ander aspect van veldproeven waaruit voor eens en voor altijd moest blijken of het gebruik van gifresistente gen-gewassen de ecologie van het boerenland in de war stuurt of niet.

'Een enorme berg werk', zegt Firbank. 'Nu is het helemaal in handen van de referees van de redactie. Zij zullen op wetenschappelijke gronden beoordelen of het deugt wat we hebben gedaan en wat we daaruit concluderen. Zo hoort dat te gaan met wetenschappelijk onderzoek.'

De conclusies zelf zijn, het spijt de op en top Britse Firbank hoorbaar, nog geheim tot het tijdschrift de artikelen in één klap publiceert, naar verwachting in september. Pas dan zal blijken of, en in welke mate, het boeren met gifresistente gengewassen de omgeving anders beïnvloedt dan boeren met vergelijkbare klassieke gewassen.

Dat is de vraag waarmee de Britse regering zich in 1998 een uitweg probeerde te forceren uit het mijnenveld dat gentechnologie was geworden. In dat jaar gaf Londen na lang soebatten een vergunning om drie gen-gewassen commercieel te verbouwen: maïs, voederbiet, en twee variëteiten koolzaad.

Alledrie zijn die via een genetische ingreep resistent gemaakt tegen zogeheten breed-spectrum herbicides, onkruidverdelgers op basis van glyfosaat of glyfosinaat-ammonium die ongeveer elke plant kapot maken die ze tegenkomen. In elk geval in theorie is zo'n gewas met minder spuiten toch onkruidvrij te houden.

De vraag is echter wat die radicale aanpak voor neveneffecten heeft. Ecologen vermoeden bijvoorbeeld dat de biologische rijkdom van planten en insecten in een perceel met zo'n gewas minder is, waardoor de hele voedselketen via vogels en roofdieren wordt beïnvloed.

Meteen na de goedkeuringen in 1998 trok daarom de invloedrijke organisatie tot bescherming van het Britse platteland, English Nature, van leer tegen de dreigende golf van gen-gewassen. De publieke bijval van uitgerekend kroonprins Charles haalde destijds alle kranten.

De regering van Tony Blair dacht daarop een meesterzet te doen: de gewassen werden wel op commerciële schaal toegelaten, zij het in het kader van onderzoek naar de ecologische effecten. Het project mocht vijf jaar duren, waarna in een maatschappelijk debat zou worden besloten hoe het nu verder moest met de gentech in Engeland.

In september is de grondstof voor dat debat dus klaar. Althans, dat is de agenda. Vorige week publiceerde de Britse evenknie van Milieudefensie, de Friends of the Earth (FOE), een rapport van ruim veertig pagina's waarin bij voorbaat werd tegengesproken dat zulke conclusies verantwoord zijn.

'Ongeacht wat die uitkomsten zijn, want die hebben ook wij nog niet in handen kunnen krijgen', zegt Emily Diamand van het FOE-bureau in Leeds, hoofd-auteur van het rapport. 'Zelfs als de proeven desastreus voor de gen-gewassen uitpakken, zullen we er niet bij staan te juichen, omdat het onderzoek gewoon te zwak is.'

Volgens de gentech-activisten is de opzet van de Farm-Scale Evaluations ontoereikend om statistisch verantwoorde uitspraken te doen. In de proeven werden boeren geacht tegelijk het gemanipuleerde en niet-gemanipuleerde gewas te verbouwen. Onderzoekers kwamen dan geregeld langs om een hele reeks graadmeters voor de biodiversiteit van de beide typen percelen vast te stellen.

Volgens de officiële opzet van het project zijn voor elk gewas per seizoen 25 proef-sites nodig om fatsoenlijke statistiek te verkrijgen. Onder die voorwaarde zou het experiment gevoelig genoeg zijn om een verschil van 50 procent biodiversiteit tussen de twee percelen vast te stellen met een zekerheid van 80 procent. Met andere woorden: in hooguit 20 procent van de gevallen zou anderhalf keer zo veel of zo weinig exemplaren van een bepaald kevertje of vlindertje nog simpel toeval kunnen zijn.

Volgens Friends of the Earth is dat onhaalbare statistiek voor een ecologische veldproef, omdat variaties van meer dan 50 procent in insectentellingen van nature al heel gewoon zijn. Diamand: 'Terwijl bovendien omgekeerd uit studies bekend is dat veel kleinere variaties voor sleutelorganismen al grote ecologische gevolgen kunnen hebben.' Niet alleen speurt het FSE-project volgens haar naar een onhaalbaar sterk effect, bovendien zegt dat niks over de ecologie op het platteland.

Dat is allemaal niet zonder ironie. Een van de grootste problemen van het FSE-programma was het vinden van voldoende boeren voor de experimenten. Er was angst voor actievoerders die er niet voor terugdeinzen oogsten te vernielen.

Bovendien blijkt ook in de agrarische sector zelf de huiver groot om zich uit te leveren aan grote biotech-firma's, terwijl er tegelijk geen weg meer terug lijkt, als er eenmaal gen-gewassen op het veld staan.

Toch, bezweert coördinator Firbank van FSE, is het onderzoek door die tegenslagen niet waardeloos geworden. 'We hebben vorige maand twee artikelen gepubliceerd waarin heel precies de vraag is beantwoord welke uitspraken nog wel statistisch verantwoord zijn. De nul-hypothese, dat er geen ecologisch verschil is tussen percelen GM-gewas en klassiek gewas, is met wat we verzameld hebben nog steeds goed te beoordelen.'

Firbank zegt niet onder de indruk te zijn van de kritiek van FOE, al verbaast hem die niet echt omdat de Friends vanaf dag één tegen het hele project zijn geweest. 'De kritiek is niet erg solide. Ze baseren zich op allerlei voorlopige rapportages en deelstudies, maar die twee laatste artikelen noemen ze bijvoorbeeld nergens.'

De bottom line, zegt Firbank, is dat een studie alleen aan de resultaten te beoordelen is, en niet alleen op grond van de methodologie. 'En als daar iets niet klopt, krijgen we dat keihard van de referees om onze oren.'

Uitvluchten, vindt actievoerster Diamand, die zegt die papers wel degelijk te kennen en bij haar rapport te blijven. Het hele FSE-project is in haar ogen een politiek handigheidje om gen-gewassen in Groot-Brittannië onder de neus van de tegenstanders toch commercieel te introduceren.

Diamand: 'Terwijl de vraagstelling een onstellend beperkte is. Meer dan de helft van de Britten is tegen gentech, blijkt keer op keer. Die mensen maken zich zorgen over de keus van consumenten, over de toekomst van de biologische landbouw, over de rol van kleine boeren hier en in de Derde Wereld. Alleen daarom al kunnen de uitkomsten van dit onderzoek nooit het maatschappelijke debat over gentechnologie beslissen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden