Rekenen kunnen ze niet meer

De realistische methode voor reken- en wiskundeonderwijs heeft in Nederland veel losgemaakt. Het Freudenthal Instituut, dat de methode heeft ontwikkeld, moet het flink ontgelden....

De eerste spreker op de Panama-conferentie aflevering 2009 in het Noordwijkerhoutse conferentiecentrum De Leeuwenhorst is Dolly van Eerde. Zij is een van de coryfeeën van het Freudenthal Instituut, hét instituut voor onderwijs in rekenen en wiskunde, dat de afgelopen jaren steeds zwaarder onder vuur is komen te liggen. Niet in de laatste plaats omdat het rekenen en de wiskunde onder invloed van het Freudenthal Instituut veel te ‘talig’ zouden zijn geworden.

En wat, Dolly van Eerde, is hierop uw antwoord? ‘Het leren van wiskunde betekent op een bepaalde manier met elkaar communiceren in een bepaalde taal’, zegt ze in een half uur durend betoog. De taal beïnvloedt de wiskunde, en omgekeerd. Dus: ‘De Maori’s hebben een andere wiskunde dan wij omdat ze een andere taal spreken. Ze spreken Maori-taal en hebben Maori-wiskunde.’

Zijn almacht heeft het Freuden-thal Instituut (FI) misschien verloren, maar kennelijk niet zijn strijdbaarheid. En ook niet zijn invloed. Het FI beheert een machtig netwerk.

De driedaagse Panama-conferentie is de jaarmarkt voor iedereen die iets voorstelt in het rekenonderwijs op de basisscholen: uitgevers, methodenschrijvers, onderwijsadviseurs, pabo-docenten en wetenschappers.

Het FI organiseert nog veel meer conferenties. De Nationale Rekendagen voor de leerkrachten in het basisonderwijs, de Nationale Wiskundedagen voor die in het voortgezet onderwijs. Voor de basisschoolkinderen is er de Grote Rekendag, voor leerlingen in het voortgezet onderwijs zijn er de Wiskunde A-lympiade en de Wiskunde B-dag. En dan geeft het instituut nog de tijdschriften Panama-Post en Nieuwe Wiskrant uit.

In 1971 richtte Hans Freudenthal het Instituut voor de Ontwikkeling van het Wiskunde Onderwijs op, dat na zijn dood in 1990 zijn naam kreeg. Het instituut, dat tot de Universiteit Utrecht behoort, fuseerde enkele jaren geleden met een instituut dat het onderwijs in natuurwetenschappen onderzoekt, maar het vestigde zijn faam met de realistische methode voor reken- en wiskundeonderwijs.

Trotse kinderen
De afdeling rekenen en wiskunde van het instituut, die met zo’n tachtig mensen is gehuisvest in de Utrechtse Vogelaarwijk Overvecht, doet meer dan alleen over rekenmethoden discussiëren. Marjolijn Peltenburg doet een promotieonderzoek naar rekenen in het speciaal basisonderwijs. Zij heeft een toetsinstrument ontwikkeld voor moeilijk lerende kinderen. De eerste resultaten vindt ze bemoedigend. ‘Het is zo mooi als je die kinderen trots van de computer ziet opstaan omdat ze een toets goed hebben gemaakt.’

Marjolein Kool werkt nog maar sinds kort voor het instituut. Zij leidt de campagne zOEFi, waarmee het oefenen van rekenvaardigheden wordt gepromoot. Dat is hard nodig, vindt ze. ‘Het Freudenthal Instituut is nooit tegen oefenen geweest, maar er was te weinig aandacht voor. Daar hadden onze critici gelijk in. Ja, misschien heeft de hetze in de kranten tegen ons wel geholpen.’

Hetze. Het grote woord is eruit. Het Freudenthal Instituut voelt zich belaagd. Kool vertelt hoe het haar tegenwoordig vergaat als ze iemand in de trein tegenkomt die ze al een tijdje niet meer heeft gesproken. Reacties van het soort: ‘O, werk je tegenwoordig bij het Freudenthal Instituut? Nou, rekenen kunnen ze tegenwoordig niet meer hè, op school.’ Kool: ‘Iedereen weet tegenwoordig heel goed dat het héél slecht gaat met het rekenen, en dat de kinderen niet meer de tafels leren, en dat het allemaal de schuld is van het Freudenthal Instituut.’ Ze houdt even stil. ‘En dat is gewoon allemaal niet waar.’

Daar denkt Jan van de Craats heel anders over. Van de Craats, hoogleraar wiskunde en maatschappij aan de Universiteit van Amsterdam, is de Grote Belager van het Freudenthal Instituut. Zijn werkkamer is maar enkele vierkante meters groot en ademt een haast studentikoze sfeer.

Twee jaar geleden gebruikte hij de Panama-conferentie om zijn ongezouten kritiek te ventileren. Geen spaan liet hij heel van het realistische rekenen: de verhaaltjes (in vaktermen: context) zitten het rekenen in de weg; dat kinderen zelf oplossingsstrategieën mogen bedenken, werkt zeker voor de zwakkere leerlingen averechts; en het kolomsgewijze rekenen, dat de oude vormen van vermenigvuldigen en delen moet vervangen, is een chaos en werkt fouten in de hand. En: er wordt veel te weinig geoefend.

Zijn speech, en zijn pamflet Waarom Daan en Sanne niet kunnen rekenen, werden met gejuich ontvangen door het groeiende leger van ontevreden leraren, oud-leraren, hoogleraren en anderen die vinden dat het Nederlandse onderwijs aan nieuwlichterij ten onder gaat. De nieuwe wind die er sinds het parlementaire onderzoek van de commissie-Dijsselbloem waait, waait hem vol in de zeilen. Hij boekt successen met zijn mini-stichting Goed Rekenonderwijs.

Rekenboekjes
Volgend jaar brengt uitgeverij Noordhoff in samenwerking met deze stichting een nieuwe serie rekenboekjes voor het basisonderwijs op de markt, dankzij financiële steun van de universiteiten van Eindhoven en Tilburg. De serie was al eind jaren tachtig gemaakt door twee Groningse onderwijzers, Arjen de Vries en Piet Terpstra. Van de Craats: ‘Maar publicatie ervan is feitelijk door het FI tegengehouden. Terwijl het prima materiaal is – al moet het een beetje worden bijgewerkt.’

Van de Craats vindt het een grote overwinning, sterker nog: ‘Tot op zekere hoogte is dit mission accomplished.’ Want als dat boek van De Vries en Terpstra er is, is er eindelijk weer een rekenboek naar zijn hart en is de ‘monocultuur’ van realistisch rekenen gebroken.

Het is niet de enige overwinning die hij claimt. Een andere zege boekte hij op de commissie Toekomst Wiskunde Onderwijs, de cTWO. Die ontwerpt voor het voortgezet onderwijs een nieuw examenprogramma wiskunde en zat volgens Van de Craats op de lijn van het Freudenthal Instituut. Hijzelf was voorzitter van een controlerende commissie, de Resonansgroep geheten, ingesteld op verzoek van de Tweede Kamer. Die Resonansgroep diende bij de staatssecretaris alternatieve voorstellen in en kreeg grotendeels gelijk. Als het programma in 2014 in gebruik wordt genomen, zal er meer aandacht komen voor het aanleren van vaardigheden. Precies zoals de universiteiten en hogescholen graag willen.

Voor Van de Craats is het een emotionele strijd. Dat het FI nu weer geld krijgt om de zOEFI-campagne voor oefenen te organiseren, stemt hem bitter. ‘Ze hebben het onderwijs naar de knoppen geholpen, en nu krijgen ze weer geld om de problemen op te lossen die ze zelf hebben gecreëerd.’

Niet iedereen beziet de rekenstrijd rondom het FI met zoveel emoties. Kees Lagerwaard, secretaris van de Nederlandse Vereniging van Wiskundeleraren, denkt helemaal niet dat alle ellende te wijten is aan de realistische methode. ‘Vroeger had je op de middelbare school gewoon wiskunde. Nu heb je wiskunde a en wiskunde b. Wiskunde a is een heel ander vak. Daar zit veel meer statistiek in dan in de oude wiskunde, maar veel minder het oplossen van vergelijkingen. Dat is omdat dat beter aansluit bij het vervolgonderwijs voor die profielen.’

Maar nog belangrijker, zegt Lagerwaard, is het aantal uren dat aan wiskunde wordt besteed. ‘In het havo is dat gemiddeld misschien wel 40 procent gedaald. In het vwo iets minder. Blijkbaar vinden we wiskunde gewoon minder belangrijk.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden