Rekbaar Holland

De interpretatie van Hollandse meesters fluctueert. Zo vreemd is dat niet: de schilderijen zijn bij uitstek geschikt om telkens weer nieuwe ideeën op te projecteren, zoals nu ook weer blijkt in een overzicht uit de verzameling van de Britse koninklijke familie....

Wieteke van Zeil

Hij was een van de populairste schilders in de zeventiende eeuw. Schilderde boeren, koeien en herders in landschappen die baden in boterachtig licht. Werd aanbeden tot over de grens, verzameld door velen en leidde leerlingen als Pieter de Hooch en Karel Dujardin op tot grote meesters. Wegzinken kan je in zijn landschappen, mee de diepte in.

Wie hij is? Nicolaes Berchem. Wie? Nicolaes Berchem. Voor wie niet toevallig ergens in een schilderswijk woont en de naam kan plaatsen naast de Vermeerstraat en de Ferdinand Bolstraat kan Berchem waarschijnlijk net zo goed een voetballer zijn. Dat is niet verwonderlijk – er is nog maar weinig aandacht voor de schilder. Grote overzichtsschrijvers als Ernst Gombrich en Horst Janson namen zelfs niet de moeite hen in de kunstgeschiedenis op te nemen.

In de zeventiende eeuw werden de schilderijen van Berchem echter beschouwd als topstukken. Net als het werk van Maria van Oosterwyck (bloemstillevens) en Jan van der Heyden, die misschien bij sommigen nog een bel doet rinkelen omdat hij ook de brandslang uitvond.

De waardering voor Hollandse meesters is, met andere woorden, behoorlijk rekbaar. Dat wordt vooral duidelijk in collecties die een lange ontstaansgeschiedenis hebben, zoals nu in een overzicht uit de Engelse koninklijke verzameling, in de Queen’s Gallery, de pronkgalerij van Buckingham Palace.

De populaire schilders van toen hangen naast schilderijen die per toeval in de collectie belandden en die pas lang na verwerving als topwerken werden beschouwd. Zoals Rembrandts Portret van een oude vrouw (mogelijk zijn moeder), een cadeau aan koning Charles I van Sir Robert Kerr, die het in 1629 recht uit het atelier van de jonge schilder had gekocht. Rembrandts werk was toen nieuw en zijn roem moest nog rijpen – bij verkoop van het werk na de onthoofding van Charles I in 1649 werd het op een waarde van vier pond geschat (Leonardo’s Johannes de Doper ging voor honderdveertig pond de kasteeldeuren uit). Nu is het een van de juweeltjes van de tentoonstelling.

Als bezoeker ben je geneigd om meteen naar de drie Rembrandts en de Vermeer te rennen en liever nog wil je er door de samenstelling naartoe worden geleid. Maar nee, in Enchanting the Eye hangen ze allemaal zonder hiërarchie naast elkaar – Rembrandt en Berchem, Vermeer en Oosterwyck, samen met topwerken van zo'n beetje iedere denkbare goede schilder uit de bloeiende steden van de Gouden Eeuw.

De Britse koninklijke verzameling is de grootste en beste particuliere schilderijencollectie ter wereld. Ze werd voornamelijk opgebouwd door Charles I (1600-1649), een groot verzamelaar die door zijn vele opdrachten aan de schilder als een typisch Anthony van Dyck-figuur herinnerd wordt, en George IV (1762-1830). Terwijl de smaak van Charles duidelijk aan Italië hing, had George een voorkeur voor de alledaagse genreschilderijen. Hij kocht veel schilderijen terug die na de dood van Charles waren verkocht en vatte de meeste liefde op voor de Hollandse meesters. In 1814 kocht hij zesentachtig topschilderijen van de bankier Sir Francis Baring. Het leeuwendeel van de tentoonstelling komt oorspronkelijk hiervandaan: werk van Steen, Cuyp, Frans van Mieris, Adriaen van Ostade, en Rembrandt.

De samensteller van de tentoonstelling, Christopher Lloyd, is zich uiteraard bewust van de waarderingsgeschiedenis van de schilderijen. Hij somt zo maar een aantal van de lofzangen op de meesterkunst op in de catalogus. De overvloed en het onbehagen dat Simon Schama de schilderijen zo'n twintig jaar geleden opdrong (‘Nederlands zijn betekent nu nog steeds in het reine komen met de morele ambiguïteiten van materialisme’). De narratieve, op cinema gebaseerde interpretatie van de Amerikaanse Svetlana Alpers, ook in de jaren tachtig: ‘Het doel van de Hollanders was om een grote hoeveelheid informatie en kennis over de wereld in beelden te beschrijven.’ Of de ‘goedheid van het hart’ en ‘affectie met de waarheid’, volgens de negentiende-eeuwse kenner Eugène Fromentin. De liefde voor kleur en de expressie, zoals Vincent van Gogh aan zijn broer schreef. Het boerenentertainment, goed geschilderd maar nogal platvloers, volgens Sir Joshua Reynolds in de achttiende eeuw. Het typische Hollandse gevoel voor geometrie, prees Aldus Huxley in 1925.

Lloyd beschrijft deze visies echter als een introductie op de populariteit van de schilderijen. Terwijl ze veel breder opgevat zouden kunnen worden. Ze laten immers zeer duidelijk die typische rekbaarheid van de Hollandse kunst zien, en zelfs hoe het beeld van de Republiek per periode verschilt. De schilderijen zijn volgens Lloyd een reflectie van de samenleving in de Gouden Eeuw, maar ze zijn zelfs meerduidig genoeg om als spiegel te fungeren van elke samenleving, op elk moment.

Zo vreemd is dat niet. Want in tegenstelling tot schilderculturen waarin historieschilderkunst – bijbelse, mythologische en heroïsche verhalen – een grote plek innam, staat de Hollandse kunst vrijwel in zijn geheel dicht bij het leven. Er worden gewone dingen afgebeeld die gewone mensen meemaken. Zelfs in de negentiende eeuw herkenden toeristen het echte leven in Holland van de schilderijen, alsof de koningscollectie een reisvoorbereiding is. Henry James, die in 1875 uit bewondering voor de accuraatheid van de zeventiende-eeuwse schilders schreef: ‘Je hebt het allemaal al gezien... Het was nauwelijks nodig hierheen te komen’.

Het is niet zo ingewikkeld te begrijpen waarom Nicolaes Berchem niet meer de topschilder in de koninklijke collectie is. De hang naar het klassieke en het italianiserende landschap is uit de mode geraakt in de negentiende en twintigste eeuw. Je afvragen waarom Rembrandt en Vermeer de toppers zijn, wordt al moeilijker. De roem van die twee schilders is zo vanzelfsprekend en onaantastbaar.

Toch is ook hun werk open voor flexibele interpretaties. Een typisch Hollandse volksaard, zoals eind negentiende eeuw wel werd geroepen, wordt nu niet meer herkend in Rembrandts regenten. Christopher Lloyd ziet zo zijn eigen hedendaagse spiegeling in de kunst van de Gouden Eeuw. Hij rekt het tot een politiek niveau: de zeven provinciën, zegt hij voorzichtigjes, die vertonen wel een beetje overeenkomst met het moderne Europa. Autonoom, loyaal aan elkaar, economisch beloftevol, ‘a freshly created new world’. Een heerlijk klimaat voor de kunsten, waarin het zelfvertrouwen en succes werd weerspiegeld.

En dus zet hij precies die aspecten van de kunst in de spotlichten die nu in verband kunnen worden gebracht met het groeiende machtsblok Europa: zelfvertrouwen, huiselijkheid in de privésfeer en succes daarbuiten. De Muziekles van Vermeer (1662-64) is zorgvuldig gecomponeerd tot een breekbaar liefdesliedje binnenshuis, terwijl de zeeslagen van de Van de Veldes de macht van vloot en handel vertonen. De stillevens pronken met de overvloed van het (geïmporteerde) voedsel en servies, en de portretten en genrevoorstellingen bieden een blik op het dagelijkse leven. Ieder schilderij is een verhaal dat per verfstreek gelezen kan worden als de zelfgenoegzaamheid van een welvarende Republiek. Zoals Lloyd het bij een schilderij van Gerard Dou stelt: ‘Je ziet de Hollandse economie aan het werk.’

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden