Reiken naar top-10 geeft Nederland kracht

De Nederlandse ambitie om te eindigen in de top-10 van het olympische medailleklassement, leidt tot het streven naar succes. Dat werkt: ook zonder de bijzondere generatie sporters van Sydney, viel in Londen veel op zijn plek voor Nederland.

Het land van Ranomi, Epke en Dorian, zo staat Nederland in de olympische boeken van Londen 2012. De wereld kende Nederland traditioneel als de natie van gouden hockeyers en zilveren ruiters, van kwikzilveren wielrensters en pientere zeilers. Sportland Nederland vond het niet genoeg, het was ambitieus, met een top-10-doelstelling. Bovendien wilde het kleine Nederland, gegangmaakt door de prestatiemanagers van sportkoepel NOC*NSF, ook meetellen in de grote olympische sporten. Dat zijn atletiek, zwemmen en turnen.


In het zwemmen was Nederland altijd al goed voor een gedegen niveau met een enkele uitschieter. Tweevoudig olympisch kampioen Ranomi Kromowidjojo past in de traditie die door Pieter van den Hoogenband en Inge de Bruijn werd gevestigd in 2000 en 2004.


Het is aan Joop Alberda, de gouden volleybalcoach van 1996, te danken dat er ook in atletiek en turnen is geïnvesteerd. Alberda werd in 1997 technisch directeur van NOC*NSF en beheerde de, toen nog magere, fondsen. Hij begon met het financieren van kansrijke ploegen en eenlingen.


Voor het eerst kwam het besef dat het mogelijk is een structuur te bouwen waaruit volgens de formule 'talent maal coach maal ouders maal geld' medailles te destilleren zijn. Alberda had in 1997 18 miljoen gulden (8 miljoen euro) voor 105 projecten. Nadat de Spelen van Sydney (2000) achter de rug waren en de olympische ploeg met 25 medailles (12 goud) was thuisgekomen, kwam er ook aandacht voor een goed topsportklimaat.


Daarin hoorden atletiek en turnen, was de opvatting van Alberda. De tegenwoordige voorzitter van coachplatform NLcoach moet dinsdag een schitterende dag hebben gehad. Hij zag een belofte uit 2004, de toenmalige juniorenkampioen Epke Zonderland, goud uit de rekstok plukken.


Gevoegd bij de dubbele oogst van Kromowidjojo maakte dat de Spelen voor Nederland in één klap goed. Nederland was een sportland dat serieus genomen kon worden. Een atletiekmedaille zou het vervolmaken.


André Bolhuis en Gerard Dielessen, respectievelijk voorzitter en directeur van NOC*NSF, stonden dinsdag in de North Greenwich Arena op hun telefoons een app te bekijken. Ze zagen dat Nederland door het goud van Zonderland naar de tiende plaats van het medailleklassement was gestegen.


Een plaats in de top-10 van dat klassement is heilig verklaard in de Nederlandse sport. Toch is de essentie van die top-10-ambitie iets anders. Het is zoals de voorganger van chef de mission Maurits Hendriks, de nu in Britse dienst zijnde Charles van Commenée, al zo vaak verklaarde: een lat die misschien net gehaald kan worden. Het is een streefhoogte, geen aanvangshoogte.


Van Commenée was aanvankelijk weinig verguld met het geklets over de top-10, wilde hij buiten het bereik van de camera's nog weleens zeggen. Later zag hij het nut ervan in: de ambitie leidt tot structuur, tot het bouwen van een sportploeg die vier jaar de tijd en het geld krijgt om tot een top te reiken bij de Spelen.


Op die manier is olympische topsport het toevalsmodel ontgroeid, constateerde ook Maarten van Bottenburg, hoogleraar sportontwikkeling aan de Universiteit Utrecht. In een sterk verbeterd topsportklimaat is sprake van 'beleidsgericht sportsucces'. De uitschieter Van den Hoogenband - die het grotendeels zelf moest doen en niet de beschikking had over moderne faciliteiten - heeft plaatsgemaakt voor de geleidelijk naar de top gevoerde 'Kromo', die in Eindhoven gebruik kon maken van onderwatercamera's om aan haar start te werken.


Nederland, analyseerde Van Bottenburg, heeft sinds eind jaren tachtig een enorme ontwikkeling doorgemaakt op het gebied van topsport. Toen roeiden de volleyballers uit de Bankrashal en een eenling als tafeltennister Bettine Vriesekoop tegen de stroom in.


Veel en hard trainen, op zijn Chinees haast, gold in die tijd niet als maatschappelijk verantwoord. Dat veranderde onder invloed van die doortastende, fanatieke eenlingen. In de jaren negentig kreeg de topsport in Nederland echt een gezicht. Het goud van de volleyballers en dat van de Holland Acht-roeiers in Atlanta (1996) zijn daarbij richtinggevend geweest.


In dat veranderde klimaat is de Nederlandse ploeg voor Londen 2012 gebouwd. Het team is in de aanloop omstandig geplaagd door grote verwachtingen. Tal van deskundige rekenmeesters lieten de computers draaien en kwamen op prachtige prognosen uit. In die sfeer bleek de door iedereen voorspelde eerste gouden medaille, die van de zwemsters op de 4 x 100 meter vrije slag, slechts virtueel.


Het estafetteteam eindigde als tweede, achter Australië, een grootmacht in het zwemmen. Op zulke dagen doen ambities pijn en lijken verwachtingen op drijfzand gebouwd. Het is dan aan de coaches het hoofd erbij te houden en niet mee te sudderen in de derrie van naargeestigheid die bij een gemiste gouden medaille snel bovenkomt.


Die professionaliteit heeft de Nederlandse olympische ploeg intussen. Kromowidjojo bleef bij de les en voerde uit wat zij op basis van haar talent en voorbereiding in haar mars had. Dat de druk groot was geweest, bleek uit haar reactie. Ze zou niet zomaar voor een volgende cyclus tekenen. Er wordt veel gevraagd van de sportkinderen van het land.


In een olympisch team met een winnares op herhaling (Marianne Vos) was plaats voor bijzondere jongemannen. Turner Zonderland heeft met zijn oefening, de drievoudige vlucht boven de rekstok, geschiedenis geschreven. Dorian van Rijsselberge bleek een klasse apart op de zeilplank. In 1984 won Stephan van den Berg goud in Los Angeles. Nu het plankzeilen voor het laatst op het olympische programma stond, sloot Van Rijsselberge met een gouden pennenstreek af.


In de tweede week van de Spelen viel veel op zijn plaats voor Nederland. Waar de judoka's en roeiers in de eerste week tegenvielen, zorgden de ruiters en hockeyers voor stevige compensatie. De Spelen pakten voor Nederland uit zoals Alberda elf maanden geleden schetste in een analyse van de Nederlandse olympisch kansen.


De huidige kracht van Nederland, 'zonder de bijzondere generatie waarvan we in 2000 zoveel plezier hadden', was volgens Alberda dat Nederland 'tussen de vijftien en twintig medailles wandelt'. In Londen onderschreef de nationale ploeg die potentie, uit alle macht telkens reikend naar de zo vurig gewenste positie in de top-10.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden