Regering van Ruanda is terecht bitter

Het is duidelijk dat de Ruandese regering er niet in is geslaagd de roep om wraak van de Tutsi's te bezweren....

JAN RUYSSENAARS

WAT in het Ruandese kamp van Bikeho gebeurde, is crimineel, een schending van rechten van mensen, en een misdaad tegen de menselijkheid na de oorlog. Een oorlog waarvan wij hier kennelijk hebben besloten dat die is afgelopen. Voor de Ruandese bevolking is dat echter nog lang niet het geval. Haat en geweld zijn niet uitgebannen, en geen van de partijen zal zonder meer de wapens neerleggen. Wie op termijn de sterkste zal blijken, weet niemand.

In het hoofdredactioneel commentaar van 24 april steekt de Volkskrant een beschuldigende vinger uit naar de Ruandese regering. Enige medeverantwoordelijkheid van de VN-instellingen wordt nog genoemd, en elders wordt gesuggereerd om dan maar de Nederlandse hulp te heroverwegen. Stopzetting van de hulp zou mijns inziens echter de mensenrechten noch de vrede in Ruanda dienen.

Het is nodig te weten waarom het RPF verbitterd is geraakt en niet meer bij machte lijkt massale wraak en dus nieuwe genocide af te houden. Laten wij aannemen dat de Hutu's in 1959 om goede redenen in opstand kwamen tegen het Tutsi-regime. In de jaren zestig en zeventig hebben genocide en uitdrijving van Tutsi's geleid tot een 35 jaar durende ballingschap van veel overlevenden in de buurlanden Uganda en Tanzania. Mensen die land en familie kwijt waren door toedoen van de Hutu-vijand. Haat en vijandschap zijn al die jaren door beide partijen gecultiveerd.

Het Patriottisch Ruandees Front (RPF) is een politieke beweging die in Uganda ontstond en het Patriottisch Ruandees Leger (RPA) als vechteenheid had. De kinderen van de ballingen van vroeger zijn de leden.

De eerste bron van bitterheid is dat de wereld in 1993 de waarschuwingen van het RPF en gematigde Hutu's voor de dreigende uitroeiing van de Tutsi's in de wind heeft geslagen, met als gevolg een Afrikaanse holocaust. Het RPA ging daarop over tot versnelde verovering van Ruanda, voorkwam een groot aantal moorden, maar moordde inmiddels zelf ook. Massa's Hutu's (moordenaars, waaronder ook vrouwen en kinderen, medeplichtigen, èn machteloze, bange onschuldigen) werden op de vlucht gejaagd naar de buurlanden en naar het zuiden van Ruanda.

Frankrijk intervenieerde in de zuidelijke zone en verschafte zo moordenaars, medeplichtigen en slachtoffers een vrije aftocht, waardoor de Fransen bijdroegen aan straffeloosheid voor massamoordenaars. De internationale gemeenschap liet de Fransen hun spel spelen, en dat is de tweede bron van verbittering onder de Tutsi's.

Een regering werd ingesteld van leden van het RPF en overlevenden van een aantal Hutu-partijen. Allemaal mensen zonder enige regeer-ervaring, met de wil de macht te delen en er met elkaar iets van te maken. Een amateur-regering van bevrijders en overlevenden, die allen familie en vrienden hebben verloren tijdens de volkenmoord van het voorjaar en de zomer van 1994. Zij moesten een geplunderd, uitgemoord, getraumatiseerd en kapotgemaakt land gaan leiden, zonder middelen, zonder mensen.

Een derde bron van verbittering is dat zij niet serieus werd genomen door regeringen, noch door de VN, noch door de humanitaire hulporganisaties. De ruim 180 organisaties die het land binnenstroomden wisten het beter en hadden ook alle middelen. Ze werkten het liefst zonder de regering.

Het is volstrekt duidelijk dat de Tutsi's zich willen wreken op de moordenaars. Het is voor de hand liggend dat, om redenen van veiligheid en van onduidelijkheid rond rechten op grondbezit, repatriëring van de Hutu's geen gemakkelijke zaak zal zijn, zeker niet als we bedenken dat er voor het vermoorden van meer dan een miljoen Tutsi's heel veel Hutu's enige rol gespeeld moeten hebben. Op zijn minst willen de Tutsi's nu gerechtigheid: veroordeling en bestraffing van schuldigen aan volkenmoord. Zij kijken met argusogen naar de regering: is die in staat om die gerechtigheid te verschaffen?

Nee, dat is zij niet. Zij heeft geen kaders, geen magistraten, geen rechtbanken, geen middelen, geen gevangenissen, maar wel een leger van jonge mensen die in Uganda zijn opgegroeid, die veel leed en ellende hebben gezien, die niet geschoold zijn en geen betaling krijgen.

De regering, die weet dat veel Tutsi's wapens hebben en vol wraakgevoelens zitten, heeft de internationale gemeenschap in de afgelopen zes maanden gevraagd om hulp: steun aan de Ruandese rechtsgang van opsporing, dagvaarding, rechtspleging, veroordeling of vrijspraak, en dan repatriëring of hervestiging. Dat gaat dus verder dan steun aan het externe Ruanda-tribunaal, waarin men in Ruanda weinig vertrouwen heeft.

Steun werd gevraagd voor de bouw en uitbreiding van gevangenissen, en voor training en begeleiding van het gevangeniswezen. Ook werd steun gevraagd voor financiering, training en gedeeltelijke demobilisatie van leger en gendarmerie. De internationale gemeenschap was niet geïnteresseerd.

Tijdens de grote donorconferentie over Ruanda in Genève zes maanden geleden werd een bedrag overeengekomen van zo'n 560 miljoen dollar voor externe hulp aan Ruanda. Daarin zaten echter niet de projecten die het hardst nodig waren, zoals die ten behoeve van gerechtigheid. Wel werden er voorwaarden gesteld: de regering moest meer bereid zijn tot verzoening, en er werd druk uitgeoefend tot versnelde repatriëring van vluchtelingen, zonder dat ontwapening en een goede rechtsgang waren geregeld. Nog meer verbittering.

Vandaar dat de internationale gemeenschap medeplichtig is aan de verharding en radicalisering in RPF en RPA. Wie nu, terecht, wijst op misstanden in gevangenissen en kampen, maar tegelijk volstaat met het schuldig verklaren van deze regering en steun terugtrekt, wordt straks medeplichtig aan nog veel meer moord en doodslag.

Weet dat telefoon en fax een luxe is voor de huidige regering, en dat zij werkt in kantoren waar de ramen en deuren vernield zijn, het meubilair geroofd, en dossiers verdwenen. Dat zij nauwelijks transportmiddelen heeft, in tegenstelling tot de hulporganisaties. Ook dat steekt de regering.

DE enige goede aanpak in deze situatie is: gesprekken aangaan met de gematigde èn radicale krachten, ze niet uit elkaar drijven, en de hulp aanbieden die zij echt nodig hebben. En dat is meer dan noodhulp, meer dan rehabilitatiehulp. Dat is hulp bij de rechtsgang, hulp bij het gezamenlijk vaststellen van de waarheid, hulp bij de detraumatisering van de samenleving, en gewoon financiële en personele hulp bij de opbouw van een regering en een bestuur waarin de mensen kunnen leren vertrouwen.

Jan Ruyssenaars is medewerker van International Alert, een internationale particuliere organisatie voor conflictpreventie en vredesopbouw.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden