Regering gaat praten met Facebook en Google over nepnieuws, maar heeft zo'n gesprek wel zin?

De regering wil met media en technologiebedrijven zoals Facebook en Google in gesprek over hoe de beïnvloeding van de publieke opinie vanuit bijvoorbeeld Rusland kan worden tegengegaan. Dit schrijft D66-minister Kasja Ollongren in een brief aan de Tweede Kamer. Maar hoe groot is het probleem eigenlijk en heeft zo'n gesprek zin?

Foto epa

Ollongren geeft in haar brief twee voorbeelden: een Russische nepsite van de Nederlandse overheid met desinformatie over de ramp met de MH17. En de beïnvloeding door Rusland van de Amerikaanse verkiezingen vorig jaar. Dit zijn meteen de twee bekendste voorbeelden. Of er ook sprake is van een routinematige vorm van nepnieuws, gericht op Nederland, is zeer de vraag, volgens 'nieuwschecker' Peter Burger, die is verbonden aan de Universiteit Leiden. 'Ik moet zeggen: als daarvan al sprake is, dan zie ik het niet.'

Russisch nepnieuws

In haar brief richt Ollongren zich specifiek op de Russen. Die zouden digitale aanvallen gebruiken om democratische processen te beïnvloeden, waardoor de nationale veiligheid in het geding komt. Die conclusie is niet nieuw: in april schreef de AIVD in een rapport dat de Russen middels 'desinformatie en propaganda' de besluitvorming en de publieke opinie willen beïnvloeden.

Over de Russische nepsite berichtte de Volkskrant een jaar geleden al. De site was van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken, maar nadat het domein was veranderd gingen de Russen ermee aan de haal, in het Russisch: de rijkslogo's maakten plaats voor plaatjes van Nederlandse vlaggen, molens en de middeleeuwse stadsmuur van Amersfoort. Ollongren geeft geen verdere details over de desinformatie die zou zijn verspreid over de MH17-ramp. De site is nog in de lucht, maar de impact is waarschijnlijk beperkt. Niet veel Russen zijn geïnteresseerd in nieuws uit Nederland.

Kajsa Ollongren Foto anp

MH17

Andere valse berichtgeving over de MH17 heeft meer teweeggebracht. Kort nadat het vliegtuig was neergehaald, claimde de Spaanse luchtverkeersleider 'Carlos' via zijn Twitteraccount dat op het moment van de ramp Oekraïense gevechtsvliegtuigen nabij de MH17 vlogen. Later bleken er helemaal geen buitenlandse verkeersleiders werkzaam te zijn op het vliegveld van Kiev. Carlos heette in werkelijkheid Lyudmila Lopatyshkina en was niet Spaans, maar Russisch. Toch wordt Carlos nog geregeld aangehaald in Russische berichtgeving. President Poetin verwees in zijn interviewsessies met de Amerikaanse filmregisseur Oliver Stone zelfs naar hem.

In januari 2016 verscheen op YouTube een filmpje van het anti-Russische vrijwilligersbataljon Azov, dat in Oekraïne vecht. De gemaskerde en gewapende mannen dreigden met aanslagen in Nederland als kiezers in april van dat jaar 'nee' zouden stemmen tegen het associatieverdrag van de EU met Oekraïne. Azov kwam al snel met een verklaring: het filmpje was nep. De onderzoekssite Bellingcat concludeerde dat het filmpje door Russische trollen was gefabriceerd.

Gaat het hier om georkestreerde manipulatie door de Russische overheid of een paar individuen die de boel willen ontregelen? Die vraag is lastig te beantwoorden, zegt Alexander Pleijter, docent nieuwe media van de Universiteit Leiden. 'We komen vooral clickbait-achtige berichten tegen. Soms kunnen die politiek zijn, zoals berichten over vluchtelingen. Maar we hebben geen aanwijzingen dat Rusland hier achter zit. Ook hier lijkt het gewoon bedoeld te zijn om kliks te genereren.'

Desondanks moet het effect van nepnieuws niet worden gebagatelliseerd, stelt collega Burger. Concrete voorbeelden uit Amerika duiden volgens hem op 'een veel grotere omvang dan we hadden kunnen bedenken'. 'Het fascinerende is dat het nepnieuws daar niet alleen is gericht op Trump, maar ook op het andere kamp, zoals Black Lives Matter. Kennelijk met het doel om de tegenstellingen in het land te vergroten.'

Inspanningen Facebook en Google

Zowel Google als Facebook zegt in reactie op de brief van Ollongren open te staan voor gesprekken. 'Als de minister met ons om tafel wil, zijn we uiteraard daartoe bereid', aldus een Nederlandse woordvoerder van Google. Facebook heeft vergelijkbare bewoordingen. Overigens spant zowel Google als Facebook zich al langer in om de verspreiding van nepberichten tegen te gaan. Zo werkt Facebook samen met Nu.nl en de Universiteit Leiden in het project Nieuwscheckers.nl. En Google probeert dubieuze berichten in zijn nieuwsoverzicht te verbergen.

De door de minister gesignaleerde heimelijke beïnvloeding hoeft echter niet hetzelfde te zijn als nepnieuws, benadrukt Pleijter. 'Subtielere vormen van beïnvloeding lijken me een stuk effectiever dan aantoonbaar nepnieuws.' Pleijter is in ieder geval blij met de inspanningen die Facebook en Google doen om de verspreiding van nepnieuws tegen te gaan. Tegelijkertijd ziet Pleijter dat Facebook niet altijd ver genoeg gaat met ingrijpen. 'Verspreiders van evident verzonnen berichten, bijvoorbeeld over asielzoekers, krijgen een tijdelijke straf, maar kunnen daarna gewoon weer doorgaan. Je merkt dat Facebook erg beducht is om hard in te grijpen.'

Neutraal platform

Ook Jan van Dijk, hoogleraar sociologie van de informatiesamenleving aan de Universiteit Twente, ziet dit. 'Het liefst zijn Google, Facebook en Twitter nog altijd een neutraal platform, iets wat ze ook jarenlang hebben volgehouden. Onder druk van de publieke opinie zijn ze wat gaan schuiven, maar het gaat niet van harte. En dat is logisch, want het alternatief voor de kritiek dat ze te weinig doen, is minstens zo onaantrekkelijk voor ze: het verwijt dat ze censuur plegen.' Die spagaat is enorm lastig, stelt Van Dijk. 'Maar er moet iets gebeuren. Als de grote platformen zelf niet met oplossingen komen, zal er regulering komen vanuit Europa.'

Overigens neemt ook in de Verenigde Staten de druk op de platformen toe. In de hoorzittingen naar aanleiding van de vermeende Russische invloed in aanloop van de presidentsverkiezingen hebben zowel Democratische als Republikeinse senatoren zich zeer kritisch over de rol van de techbedrijven uitgelaten. 'Jullie hebben deze platformen gemaakt en nu worden ze misbruikt. En nu moeten jullie er ook wat aan doen, anders doen wij het', zo zei Dianne Feinstein van de Democraten. De bedrijven hebben recentelijk beterschap beloofd in de hoop regulering van bovenaf te voorkomen.

Voor Van Dijk is de eerste stap het openbaar maken van regels. 'Facebook en consorten moeten accepteren dat ze een massamedium zijn. En daar horen openbare normen bij. Ze verschuilen zich nu te vaak achter hun algoritmes. Het zijn honderd procent commerciële bedrijven met enorme macht. Dit besef begint nu pas te dagen in de politiek.' Dat het kabinet met ze in gesprek gaat, juicht Van Dijk dus toe. 'Beter laat dan nooit. Maar ik denk niet dat ze met oplossingen naar buiten zullen komen. De politiek ziet nu in dat het zo niet langer kan, maar heeft geen idee wat de oplossing zou kunnen zijn. De informatieachterstand op Facebook en Google is enorm. Als die gesprekken helpen om wat van die achterstand in te lopen, dan is dat al winst.'