Refah draait verwestersing Turkije terug

DAT VERKIEZINGEN geen paardemiddel zijn waarmee een democratie haar crisis oplost, wisten we al sinds Adolf Hitler op democratische wijze rijkskanselier werd....

JAN VAN DER PUTTEN

Neem Algerije. Daar pakte het leger vier jaar geleden de verkiezingsoverwinning af van het fundamentalistische Islamitische Heilsfront. Sindsdien is het land een mensenslachthuis.

En nu Turkije. De fundamentalisten hebben de parlementsverkiezingen van 24 december gewonnen. Hun leider eist democratisch respect voor de uitslag. En hun geestverwanten in Iran roepen al dat de Algerijnse geschiedenis zich in Turkije zal herhalen als de winnaar de weg naar de macht zal worden versperd.

In die bewering zit natuurlijk een flinke dosis intimidatie en propaganda. Turkije en Algerije zijn beide moslim-landen, maar dat maakt hen nog niet inwisselbaar. Toch zouden de tegenstanders van de Refah, de islamitische Welvaartspartij die met 21,32 procent de verkiezingen in Turkije heeft gewonnen, zich in hun eigen belang en dat van de democratie een paar vragen moeten stellen.

Waarom zijn de armenwijken van de grote steden Refah-bastions geworden? Hoe is het mogelijk dat deze partij heeft gewonnen ondanks haar machtige vijanden: het leger, de pro-Westerse bourgeoisie, de ondernemers, de vakbonden, de staatsbureaucratie, de meeste intellectuelen, de Verenigde Staten, de NAVO, de Europese Unie? Waarom is de net gesloten douane-unie met de EU, laatste stap vóór de integratie van Turkije in Europa, geen electoraal lokkertje geweest?

Er zijn geruststellende antwoorden verzonnen. De groei van de Refah? Te danken aan de ruime financiering van de fundamentalisten in Saudi-Arabië en de Turkse gemeenschap in Duitsland. De ruim 20 procent van de Refah? Keer het om, en je ziet dat liefst bijna 80 procent voor een niet-confessionele partij heeft gestemd.

Struisvogelantwoorden. De Refah heeft haar zege niet te danken aan oliedollars of harde marken, maar aan de inflatie, de werkloosheid, de economische sanering op kosten van de armen. Die vinden een houvast niet in de politieke ideologieën, maar in de oude sunnietische traditie waarvoor de Refah zich sterk maakt.

Eigenlijk mag de Refah niet eens bestaan. Ze erkent immers het seculiere fundament van de moderne Turkse staat niet. Vader des vaderlands Mustafa Kemal Atatürk had godsdienst en staat streng gescheiden, waardoor partijen op theocratische grondslag taboe werden. Voor de ware moslim, zeggen de fundamentalisten, is dat een godslastering, want de islam doortrekt het hele leven, dus ook de politiek.

Atatürks verwestersing is veel te abrupt geweest. Niemand verandert van identiteit op bevel. Als in Nederland kleine spellingsveranderingen al tot halve opstanden leiden, hoe moeten de Turken zich dan hebben gevoeld toen hun Arabisch schrift moest plaatsmaken voor Latijns schrift en hun religieuze muziek werd verboden? En zelfs dat stelde nog weinig voor vergeleken met de mentale ommezwaai in westerse richting die van hen verwacht werd.

Die ommezwaai is gemaakt door een elite, die bij het rijke Westen alles te winnen had. Maar ze is niet gemaakt door de armen. Die weigerden hun identiteit op te geven, al was het maar omdat ze er niets voor in de plaats kregen. Met het groeien van de welvaartskloof groeide ook het aantal armen en ontwortelden. Ze ontdekten, of herontdekten, hun wortels in de religie. En zo ontdekten ze ook de Refah.

Atatürk zou zich omdraaien in zijn mausoleum als hij zou weten dat regering en leger, de constitutionele hoeder van zijn erfgoed, het religieuze reveil hebben gestimuleerd. Op staatskosten zijn Koran-scholen gebouwd, op de openbare school is het islam-onderwijs verplicht gesteld, elke dag komen er nieuwe moskeeën bij. Waarom? Omdat de islam geldt als nationaal bindmiddel. De Refah telt haar winst uit.

Het argument dat de Refah 'slechts' 21 procent heeft gehaald, is bedrieglijk. In 1987 scoorde de partij in de eerste vrije verkiezingen sinds de staatsgreep van 1980 nog geen 7 procent, ruim 3 procent minder dan de kiesdrempel. Maar ze kwam terug: haast 10 procent in de lokale verkiezingen van 1989, bijna 17 procent in de parlementsverkiezingen in 1991, 20 procent in de laatste gemeenteraadsverkiezingen, ruim 21 procent nu.

De dreiging van een fundamentalistische machtsovername was het voornaamste argument van de demissionaire premier Tansu Ciller om de Europese Unie over te halen tot een douane-unie met Turkije. Veel Turkse kiezers hebben die redenering kennelijk niet gevolgd.

Voor de 69-jarige Refah-leider Necmettin Erbakan is de EU een 'christelijke club' waarmee Turkije niets te maken heeft. Hij ziet Turkije als centrum van een - utopische - gemeenschappelijke moslim-markt van Marokko tot Maleisië. Daarin zouden ook de moslim-staten van Midden-Azië worden geïntegreerd. Dat project zal wel even onhaalbaar zijn als het plan van wijlen president Özal om deze Turkstalige ex-Sovjet-staten in de Turkse invloedssfeer te krijgen.

Maar wat nu? De seculiere partijen, het leger, de beurs, ze moeten niets van de Refah-zege hebben. De gezamenlijke vijand brengt de rechtse verliezers bijeen. Dat zijn twee oude vijanden: Cillers Partij van het Juiste Pad en de Moederlandpartij van ex-premier Mesut Yilmaz. Hun vijandschap gaat terug op de haat tussen de aartsvaders van hun partijen: de oude rechtse leider Süleyman Demirel en de stichter van de Moederlandpartij Turgut Özal.

Demirel, die in 1993 Özal als president opvolgde, moet de knoop doorhakken. In het waarschijnlijkste scenario wordt de winnaar Erbakan oppositieleider. Als de regering dan in de problemen komt, bijvoorbeeld in de oorlog tegen de Koerden, kan Erbakan zich opwerpen tot anti-Atatürk om in Allah's naam de klok terug te draaien.

Jan van der Putten

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden