Redenaars

'Grote redevoeringen zijn vaak als flonkerende meteoren', meent prof. A.D. Leeman, emeritus hoogleraar klassieke talen aan de Universiteit van Amsterdam....

J.L. HELDRING; A.D. LEEMAN

J.L. Heldring

Toen ik een jongen van middelbare-schoolleeftijd was, ging ik wel eens, om een dierbare, ongetrouwde tante te vergezellen, luisteren naar ds A.H. de Hartog (de vader van Jan). Dat was een geweldige redenaar, bovendien een man met een markant uiterlijk: een bos wit haar met daaronder een witte snor. Eens, het was in de Amstelkerk, raakte hij zo in vervoering dat hij uitriep dat iedere vrouw een hoer was. Waarom dat zo was, weet ik niet meer; maar wèl weet ik dat ik het nogal gênant vond voor die maagdelijke tante van me.

Twee andere Nederlanders van wier welsprekendheid ik onder de indruk ben geweest, waren Koos Vorrink en de vrijzinnig-democraat Joekes (de vader van het latere liberale Kamerlid). Die heb ik beiden horen spreken op een studieconferentie in Baarn, voorjaar 1946. Vorrink kondigde aan dat hij kort en zakelijk zou zijn, maar binnen de kortste keren stond hij naast de lessenaar het bezadigde gezelschap toe te spreken alsof het een massameeting was. Hij fulmineerde vooral tegen de Sovjet-Unie.

Joekes (die toen een doorgebroken PvdA'er was) was het tegenovergestelde van de volkstribuun: beheerst, maar met hartstocht - zijn (geïmproviseerde) rede met Latijnse en Franse citaten gelardeerd. Eén herinner ik me: 'Ni cette indignité, ni cet excès d'honneur!' Misschien sloeg dit wel op zijn partijgenoot Vorrink.

Andere grote Nederlandse redenaars? Ik zou ze zo gauw niet kunnen noemen. In elk geval heb ik ze niet meegemaakt - op z'n hoogst op de televisie. En dan denk ik in de eerste plaats aan het anti-revolutionaire Kamerlid Schakel, meer dan aan Den Uyl, die altijd iets belerends hield, fladderend met papieren. Zijn optreden in Utrecht, bovenop een bestelwagen protesterend tegen terechtstellingen in Franco-Spanje (hij was toen minister-president), had zelfs iets grotesks. Marcus Bakker was een groot debater, wat iets anders is dan een groot redenaar. De laatste twee reken ik dan ook niet tot de grootste redenaars.

Dan was er natuurlijk Churchill. Ik heb hem maar één keer in levenden lijve gehoord. Dat was, eveneens voorjaar 1946, op Sociëteit Minerva nadat hij een eredoctoraat van de Leidse universiteit had gekregen. Zijn welsprekendheid was toen enigszins routine geworden. Per slot van rekening worden de gaven van de redenaar geprikkeld door de uitdaging waarvoor hij staat, en zo'n eredoctoraat (op zichzelf al een routine voor Churchill) is natuurlijk een ander soort uitdaging dan de Battle of Britain.

Was de Gaulle ook een groot redenaar? In elk geval was hij een meester van het woord. Dat elk woord ingestudeerd was - hij had les genomen bij een toneelspeler - doet niet af aan zijn redenaarstalent. In Nederland zou zo'n redenaar gezwollen, ja belachelijk gevonden worden, maar de talenten van een redenaar moeten ook beoordeeld worden in de context van zijn cultuur. Toen de Gaulle overleed, zei zijn opvolger: 'La France est veuve.' Vertaal je dat met 'Frankrijk is weduwe geworden', gaat iedereen hier aan Douwe Egberts denken.

We komen er niet onderuit: ook Hitler en Goebbels waren grote redenaars. We zien ze nog vaak in televisiedocumentaires, en dan treft telkens weer hoe zij, door stem en gebaar, soms ook door seconden zwijgen, bij hun gehoor het effect bereiken dat zij beogen. Ook zij hebben hun evenknieën in Nederland niet. Ook dat is een kwestie van verschil van cultuur.

Mussolini hoort bij een weer heel andere cultuur. Hij was de histrio bij uitstek, de operaheld. Maar ja, de Italianen vonden het mooi. Zij vormden zijn gehoor, niet wij.

Sinds vorige week moet ik ook Oskar Lafontaine, de nieuwe voorzitter van de SPD, tot de grootste redenaars rekenen. Dat hij met één rede een grote meerderheid van het partijcongres, waaronder er velen waren die het helemaal niet eens waren met zijn ideeën, in vervoering wist te brengen en daarmee een revolutie in de partij ontketende, getuigt van groot redenaarschap, maar is ook een beetje griezelig.

A.D. Leeman

Goed is niet een redenaar die de mensen 'het goede' aanpraat, maar een die zijn publiek van iets kan overtuigen of tot iets kan overreden. Dit bereikt hij niet alleen door de keuze, volgorde en formulering van zijn argumenten, maar vooral ook door het bespelen van allerlei emoties bij zijn publiek. Al in de Grieks-Romeinse oudheid is dit proces diepgaand bestudeerd ('retorica').

Daarom plaats ik als nr. 1 en 2 ex aequo de Griek Demosthenes en de Romein Cicero. Volgens antieke critici kon er bij de eerste geen woord meer af en bij de tweede geen woord meer bij zonder schade voor het effect. Een student zei me eens dat hij Cicero helemaal niet zo'n goede redenaar vond: veel te wijdlopig. Ik kon volstaan met hem eraan te herinneren, dat hij (vrijwel) al zijn processen en politieke controversen gewonnen had. Tragisch is wel, dat beiden uiteindelijk voor één verloren zaak streden: Demosthenes voor de Griekse onafhankelijkheid, Cicero voor de Romeinse republiek. Iets dergelijks kunnen we trouwens voor veel latere redenaars vaststellen. Ik denk bijvoorbeeld aan de American Dream in zijn witte en zijn zwarte versie bij J.F.K. en bij M.L.K. (mijn nrs. 6 en 7). Grote redevoeringen zijn vaak als flonkerende meteoren, en wij mogen dan even een wens doen.

Als mijn nr. 3 stel ik de Romein Caesar, die met zijn soldaten Cicero's dierbare republiek te gronde richtte en van wie één redevoering, bestaande uit één woord over is. Hij spreekt zijn plotseling onwillige soldaten niet, als gewoonlijk, aan met 'kameraden', maar met 'burgers'. Stilte, verbijstering, gejammer en gesmeek om hen weer als zijn (beroeps)soldaten te accepteren en het geïmpliceerde ontslag ongedaan te maken - wat Caesar genadiglijk inwilligde.

In een baldadige bui heb ik op een internationaal wetenschappelijk congres dat 'burgers' eens uitvoerig als redevoering geanalyseerd. Tot mijn verbazing werd mijn verhaal serieus genomen - reden, waarom ik met dezelfde baldadigheid hier een eigen plaatsje als hekkesluiter (nr. 10) in mijn eigen Top-10 reserveer. . . Maar dan blijven er toch nog vier plaatsen over om in te vullen uit de Grote Grabbelton der historie.

Leuk is anders, maar Hitler en Goebbels kunnen niet ontbreken (nrs. 5 en 8). Nog voel ik de rillingen over mijn rug bij het hese, pieperige fluisteren, het bezeten schreeuwen en de dodelijke stiltes van Hitlers stem uit onze jaren-dertig-radio ('. . . ich spreche von der Tschechoslowakei').

Mussolini wekte bij ons noorderlingen vooral de lachlust op. (Maar wat zou ons parlement een stuk boeiender worden met een scheut mediterrane retoriek! Nu moeten we het wat dat betreft doen met Bolkestein, vooruit, nr 9.) Een ereplaats (nr. 4?) wil ik in elk geval inruimen voor Nelson Mandela, wiens waardige welsprekendheid alles lijkt te hebben wat het gesproken woord ten goede kan uitrichten en aan hoop te bieden heeft. Moge Peithoo, de Griekse godin van de overredingskunst, die stem nog lang laten klinken!

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden