Redelijk Museum?

Sinds de opening van het Stedelijk Museum draait het enkel om de vraag of het nog tot de wereldtop behoort. Het budget van het museum haalt het niet bij dat van Tate, Centre Pompidou en MoMA. Is dat erg?

Top of geen top, dat is de kwestie. Geen museum heeft zo vaak die vraag voorgeschoteld gekregen als het Stedelijk Museum. Zou het Amsterdamse museum zich nog wel kunnen meten met de echte kanonnen in de mondiale kunstscene van musea voor moderne en hedendaagse kunst, zoals het Museum of Modern Art in New York, de Tate Gallery in Londen of Centre Pompidou in Parijs? Steeds wordt weer opgelepeld dat het Stedelijk tussen 1945 en 1990 tot de wereldtop behoorde; in de tijd dat Willem Sandberg, Edy de Wilde en Wim Beeren er directeur waren. Maar dat het daarna afgleed naar een bedenkelijk niveau, een museum met zo'n collectie onwaardig.


Terug naar de top luidde dan ook het advies dat de commissie Sanders, op verzoek van de Gemeente Amsterdam, in 2003 uitbracht. Het museum was volgens commissieleden Martijn Sanders, Victor Halberstadt en John Leighton in het slop geraakt. Trok te weinig bezoekers. Had geen directeur meer. Kende een wereldberoemde collectie die grotendeels in de kelder stond. Was gehuisvest in een deplorabel gebouw. En zat volgens de commissie met een te weinig spectaculaire architect in de maag. Kortom, de merknaam Stedelijk Museum leed een sluipend verlies. Dat moest en kon anders, lieten de drie destijds weten.


Twee weken geleden werd hun droom (gedeeltelijk) ingelost. Want inmiddels heeft het museum een nieuw en aansprekend onderkomen. Is de collectie weer zichtbaar. Stond er bij de publieksopening een rij van 100 meter voor de deur en wordt het gerund door een nieuwe directeur, de Amerikaanse Ann Goldstein, die met regelmaat vertelt dat het Stedelijk weer geënt moet zijn op wat kunstenaars maken: 'alive, active, anticipated and artist-driven'.


Of daarmee alle wensen van Sanders en consorten zijn bewaarheid? Nee, niet bepaald. Althans afgaande op het ontnuchterende nieuws dat NRC Handelsblad, uitgerekend tijdens de heropening van het Stedelijk publiceerde. Vette kop op de voorpagina: 'Stedelijk haalt wereldtop niet'. Reden: vergelijk het budget van het Stedelijk met dat van de andere museale grootverdieners en je ziet in één oogopslag dat het verschil te groot is.


In het NRC-artikel mocht Glenn Lowry, directeur van het MoMA een gepeperde uithaal doen. Volgens hem behoort de Stedelijk-collectie tot de allerbelangrijkste ter wereld, 'maar om een rol te spelen die zo'n collectie verdient, moet het museum over evenveel inkomsten als Tate Modern, Centre Pompidou en wij beschikken.' In het overzicht naast de tekst bleek dat, in vergelijking met het Stedelijk, de Tate Gallery achtmaal, het Centre Pompidou zesmaal en het MoMA ruim viermaal zoveel inkomsten heeft. De boodschap was duidelijk: omdat de kloof, financieel gezien, tussen het Stedelijk en de andere zo groot is, zal het nooit een belangrijke rol kunnen spelen op het wereldtoneel.


Wie er ook gelijk heeft, Sanders of Lowry, hoe zinnig is het in termen 'top' en 'wereldtop' te denken? En in hoeverre past dat nog bij Goldsteins ideeën dat het Stedelijk artist driven moet zijn? Natuurlijk, Amsterdam is geen Londen, Parijs of New York. En Nederland is geen Engeland, Frankrijk of de Verenigde Staten. Het heeft niet de financiële slagkracht van dit soort landen. Er zijn minder verzamelaars, minder bedrijven die willen sponsoren en er komen minder toeristen. Dure kunst is eenvoudigweg niet meer door het Stedelijk aan te schaffen. En tentoonstellingen waaraan een fiks prijskaartje hangt, zullen aan het museum voorbijgaan. Dat klopt.


En toch. Tate mag het achtvoudige en het MoMA het viervoudige budget hebben van het Stedelijk, hoe doorslaggevend zijn die getallen? De wereld van de kunstmusea is anders dan die van voetbalclubs. Manchester United en Real Madrid hebben meer geld om dure spelers te kopen die veelal een gunstig effect hebben op de prestaties van het elftal. Je kunt er de Champions League mee winnen. Joepie. Of dat ook geldt voor de kunstwereld? Nee. Het is maar de vraag of het MoMA viermaal beter is dan het Stedelijk omdat het budget viermaal hoger ligt.


Dat uitgerekend MoMA-directeur Glenn Lowry zo veel kritiek had op de positie van het Stedelijk, is opmerkelijk. Het New Yorkse museum heeft een geweldige verzameling moderne meesters. Maar de manier waarop het die toont, is ronduit doods. Als stilstaand water. Hoogtepunten uit de contemporaine kunstgeschiedenis hangen zouteloos naast elkaar, zonder enige inhoudelijke context. En zonder enige visuele uitleg hoe deze hoogtepunten in een bepaald oeuvre zijn te plaatsen. Laat staan in de tijd. Wat het uitstraalt: wij hebben de topwerken van Picasso, Pollock, Matisse, Warhol, Koons en Holzer - en jullie niet. Mag zijn. Neemt niet weg dat wat er aan de muur hangt, is losgezongen uit de artistieke praktijk waarin ze zijn ontstaan. Een uitstalling van kostbaarheden, alsof je voor een etalage van Tiffany staat. Eerder een wereld van de nouveau riche dan van artistieke fijngevoeligheid.


En het MoMA staat daarin niet alleen. Gedreven door competitiedrang lijken de grote musea voor moderne kunst inmiddels aardig op elkaar. Iedereen wil winnen. Met vergelijkbare kunstenaars en tentoonstellingen. In vergelijkbare gebouwen. Met vergelijkbare budgetten. Wie daarbuiten valt, wordt al gauw als een loser gekwalificeerd. Het is een testosteronwereld waarin de biggest dick de kleinere exemplaren mag diskwalificeren.


Niemand wil dat over zich afroepen. Dat was destijds ook het motief achter het 'Terug naar de top-advies': om weer tot de club van grote jongens te mogen horen, dat het Stedelijk in de Champions League zou terugkeren en het roemruchte verleden van Sandberg en De Wilde zou herleven.


Dat verleden hangt nog steeds boven het museum. Volgens sommigen als een stralend lentezonnetje, volgens anderen als een donkere najaarswolk. Reden waarom het wel of niet halen van de wereldtop opening krant is. Waarbij iedereen vergeet dat in het verleden behaalde resultaten geen garanties zijn voor de toekomst. Ook niet in de kunst. Nog afgezien van het feit dat de tijden van Sandberg en De Wilde nooit zullen herleven. Kan ook niet. Sandberg kon naar hartelust experimenteren omdat de verzameling toen nog geen prominente plaats opeiste. De Wilde kon zorgeloos inkopen omdat de werken nog betaalbaar waren.


Vergelijkingen met vroeger of met andere musea leveren niets op. Kijkend naar elkaar zijn de musea vervreemd geraakt van de basis waaruit ze zijn ontstaan: de kunstenaar die een kunstwerk maakt. Musea zouden de tijdsgeest waarin dat gebeurt inzichtelijk en voelbaar moeten maken. Hoe kunstwerken ontstaan, wat de ideeën erachter zijn, welke shock of the new ze hebben veroorzaakt. In al hun gradaties.


Kunst gaat om onderscheid en het belang ervan is gebaseerd op uitzonderingen. Niet op overeenkomsten. Zo eenvoudig ligt dat. Dat is ook waarom we kunstenaars zo waarderen. Dat ze anders zijn. Niet de zoveelste kloon. Niet degenen die met de duurste auto komen voorrijden en een zogenaamd topwerk aan de muur hangen. Het gaat erom wat ze te melden hebben, de individuele positie die ze innemen, ongeacht wat andere kunstenaars doen.


Waarom zou je zo'n houding ook niet van een museum mogen verwachten?


De hang naar topwerken en een topstatus minimaliseert de kans dat musea ook werk van minder allooi laten zien. Dat ze een beeld geven van waar kunstenaars mee bezig zijn, zoekend en tastend, falend en succesvol. Als Goldstein meent wat ze zegt, dat ze van het Stedelijk een museum wil maken dat levendig en actief is en zich laat leiden door wat de kunstenaars produceren, moet ze daar meer werk van maken. Wat betekent: geen opstelling van de verzameling met louter briljante kunstwerken, als bij een juwelier. Maar een presentatie die een afspiegeling geeft van wat de productie van kunst inhoudt.


De consequentie zou zijn dat er tussen de hoogtepunten van een bepaalde kunstenaar ook een onaf schilderij hangt of een slecht beeldhouwwerk staat. Dat een tentoonstelling of overzicht niet louter is samengesteld uit topwerken. Het oeuvre van een kunstenaar zou er meer reliëf door krijgen. Zoals het enige, waarschijnlijk onvoltooide schilderij van Monet in het Stedelijk veel zegt over zijn revolutionaire werkwijze. Net als de tekeningen van Malevitsj een aanvulling zijn op de ideeënvorming en filosofie achter zijn schilderijen.


Zulke presentaties, die nu nog uitzondering zijn in het Stedelijk, geven het inzicht dat meesterwerken niet uit de lucht komen vallen. Dat ze met vallen en opstaan zijn ontstaan. Het maakt het verleden levendiger en, belangrijk, laat dat verleden meer aansluiten op het geëxperimenteer van nu.


Met als gevolg dat er geen onderscheid meer zal zijn tussen wat ooit is verzameld en wat er nu wordt geproduceerd. Omdat een collectiepresentatie van meer en minder geslaagde werken een historisch perspectief biedt van wat er heden ten dage gaande is. Waardoor het museum zal gonzen van activiteiten. Een gebouw waarin de geschiedenis wordt herschreven en met onzekere vernieuwingen wordt aangevuld. Daarvoor heb je geen geld nodig, wel lef. Wedden dat Glenn Lowry komt kijken.


Extra: Nog grotere budgetten

Budgetten van de grootste musea voor moderne kunst zijn ondoorzichtig. De inkomsten die NRC Handelsblad twee weken geleden meldde van de Tate Gallery (154,6 miljoen euro), Centre Pompidou (111,3 miljoen) en MoMA (84,5 miljoen) zijn een deel van wat ze werkelijk ontvangen. Ze krijgen veel kunstwerken door legaten en schenkingen, met name van leden uit de Board of Trustees en andere ruimhartige donateurs. Die hebben bijvoorbeeld bij het MoMA ook flink betaald om de verbouwing van museum in 2004 (kosten 858 miljoen! dollar) mogelijk te maken. Dit soort giften maken de kloof met het Stedelijk waarschijnlijk alleen maar groter.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden