Red de wereld, koop hem op

Wie regenwouden of koraalriffen echt wil beschermen, kan ze misschien het beste gewoon opkopen. Maar hoe doe je zaken met corrupte regimes?...

Het atol Palmyra lijkt een hemel op aarde: een maagdelijke ring van veertig tropische eilandjes omringd door koraalriffen op vijftienhonderd kilometer ten zuiden van Hawaï. Ruim zevenduizend hectare onbedorven koraalrif; een miljoen vogels en talloze zeldzame vissoorten. Het is onvoorstelbaar dat zo'n paradijs ooit dumpplaats voor. nucleair afval zou worden. Maar tot voor kort was dat wel degelijk de bedoeling.

Sinds 1922 is het atol privébezit in eigendom van de Hawaïaanse familie Fullard-Leo, die al jaren op zoek is naar een lucratieve manier om de eilanden van de hand te doen. In 1996 was het zover. Het atol werd verkocht aan Amerikaanse investeerders voor veertig miljoen dollar, met het doel ze te bestemmen tot opslagplaats van atoomafval. De transactie was vrijwel rond toen het Amerikaanse Congres er een stokje voor stak.

Dat was ook het moment waarop de natuurbeschermers wakker werden, en aan de onderhandelingstafel schoven. Vier jaar later betaalde The Nature Conservancy, de Amerikaanse pendant van Natuurmonumenten, 37 miljoen voor het eilandenrijkje dat in 2001 met de omringende zee werd uitgeroepen tot natuurreservaat. Het verschil tussen botte commerciële exploitatie en natuurbescherming bestond uit geld. Money rules - ook in de wereld van natuurbescherming. Maar wanneer Palmyra niet op Amerikaans grondgebied had gelegen, zou de transactie niet hebben plaatsgehad. The Nature Conservancy koopt alleen Amerikaanse natuur, zoals Natuurmonumenten zich beperkt tot Nederlandse natuurwaarden. Internationaal is het financiële instrument voor natuurbescherming nog nauwelijks ontdekt.

Wereldwijd worden miljarden euro's uitgegeven aan natuurbescherming, maar vrijwel overal wordt dat geld indirect besteed. Aan dorpsontwikkeling bijvoorbeeld, die het kappen van bossen of de afbraak van koraalrif indirect moet tegengaan. Of aan het financieren van boswachters en het steunen van lokale natuurorganisaties.

Gewoon geld betalen voor de bossen of natuurgebieden zélf is taboe. Maar zulke directe betalingen zijn effectiever en niet duurder dan klassieke ontwikkelingssamenwerking, betoogden Agnes Kiss van de Wereldbank en Paul Ferraro van Georgia State University eind vorig jaar in Science.

In Zuidoost-Madagaskar bijvoorbeeld is de afgelopen jaren vier miljoen euro uitgegeven aan allerlei indirecte maatregelen om het bos te beschermen. Daarmee werd 12 procent van het bos daadwerkelijk gespaard. Met hetzelfde geld had ook 80 procent van het bos direct kunnen worden aangekocht en tot in de eeuwigheid beschermd. Dat zou voor de lokale bevolking zelfs profijtelijker zijn geweest. 'Het basisprincipe is dat direct betalen voor wat je wilt, de goedkoopste manier is iets gedaan te krijgen.'

Met dat principe zijn met name de Amerikanen al langer vertrouwd. Het was het Amerikaanse Conservation International dat drie jaar geleden begon met het concept van conservation concessions: het aankopen van economische concessies, bijvoorbeeld in de houtkap, om die te gebruiken voor natuurbescherming.

De man achter dat idee is Dick Rice, chef-econoom bij het Center For Applied Biodiversity Science dat bij de natuurorganisatie is ondergebracht. In een wereld die in een adembenemend tempo ecosystemen verliest, is natuurbescherming een schaars product of een dienst waarvoor betaald moet worden, zegt Rice vanuit Washington. 'Het is geen vervangend recept voor indirecte maatregelen, maar een bijkomende oplossing waarvoor ten onrechte wordt gehuiverd.'

Rice somt op in welke projecten de aanpak al succes heeft. In Guyana en Costa Rica en in Peru, waar via een lokale natuurbeschermingsorganisatie een 40-jarige concessie is verworven op 135 duizend hectare bosgebied. In Ecuador worden lokale gemeenschappen betaald voor natuurbehoud aan de rand van een nationaal park. In Mexico worden dorpen betaald om een corridor tussen natuurgebieden in stand te houden. Zelfs in West-Afrika, een regio vol burgeroorlogen, is zijn organisatie actief.

Rice: 'In een land als Indonesië worden dagelijks zakelijke overeenkomsten gesloten met negatieve gevolgen voor biodiversiteit. Dat zijn evenzoveel mogelijkheden om de druk te keren. Daar moeten we veel vaker gebruik van maken.'

Maar die missie is nog lang niet gewonnen. Het Wereldnatuurfonds bijvoorbeeld wil principieel geen eigenaar zijn van natuurgebieden. En het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking staat niet toe dat met zijn ontwikkelingsgeld natuur wordt aangeschaft. Initiatieven die dit wel stimuleren, zijn klein van omvang en van recente datum. Zo heeft de Postcodeloterij sinds begin 2001 een fonds van ruim twee miljoen euro waarmee kleine, strategische natuurgebieden in tropische landen en Oost-Europa kunnen worden aangekocht.

Dat gaat dus de goede kant op, zegt Wouter Veening van de Nederlandse tak van IUCN, een koepel van wereldwijd opererende natuurorganisaties. Ook volgens hem moeten alle beschikbare middelen worden ingezet om de afbraak van de natuur tegen te gaan. De directe economische transactie is er daar één van.

'In Indonesië is enorm veel geld te verdienen aan oliepalmplantages, waarvoor het tropisch regenwoud wordt omgehakt. Lokale machthebbers krijgen dat geld direct cash in handen. Het zou interessant zijn als natuurbeschermer een tegenbod uit te brengen; een omgekeerde omkoping als het ware. Dat is tot dusver te weinig gedaan.'

De argumenten daartégen kent IUCN ook. 'Bij de eerste natuurbeschermingsprojecten in ontwikkelingslanden moesten de mensen eruit en de natuur erin, terwijl dat niet eens om aankoop ging', zegt Willem Ferwerda van de organisatie. 'De schoen wringt op het vlak van soevereiniteit. Japanners die de Veluwe opkopen - dat leidt tot anti-Japanse gevoelens.'

Dat vindt ook dr. Pita Verweij van het Copernicus Instituut van de Universiteit Utrecht, die veel over financieringsmechanismen voor natuur heeft gepubliceerd. 'Het concept heeft zijn waarde bewezen in gebieden met grote natuurwaarde en extreem lage bevolkingsdruk. Maar daar zijn er niet zoveel van. De aankopen met het fonds van de Postcodeloterij zijn noodgrepen: kleine bedreigde gebiedjes die bijvoorbeeld van belang zijn als verbindingszone tussen bestaande natuurgebieden.'

Ook het Wereldnatuurfonds ziet de zaak nog even aan: 'Natuurbeschermingsconcessies zijn een eventueel extra instrument. We staan er niet afwijzend tegenover', zegt WNF-bosexpert Arnold van Kreveld. 'Maar ik denk niet dat het zal zorgen voor enorm veel betere of méér beschermde gebieden. Dat zou te veel geld kosten en het aantal hiervoor geschikte gebieden is beperkt.'

Pita Verweij in Utrecht vindt het overbieden van oliepalmboeren een aardig, maar vooral weinig praktisch idee. 'Dat zou erg veel geld kosten en bovendien zijn veel landen helemaal niet bereid grond definitief vrij te maken voor natuurbehoud. Juist in landen die dóór en dóór corrupt zijn, is dit niet het uitgelezen moment om aan de slag te gaan. Lokale elites zullen het eenvoudig niet toelaten.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden