Red de Prix

Vanmiddag wordt de winnaar van de prestigieuze Prix de Rome bekend. Organisator is de Rijksakademie, een symbiose die onder druk staat....

Nee, géén Turner Prize had Janwillem Schrofer onlangs nog gezegd. De directeur van de Rijksakademie in Amsterdam vindt de Britse kunstprijs ‘fantastisch’, daar niet van, met veel jaloersmakende media-aandacht van de tv-zender Channel Four, en mensen die weddenschappen afsluiten wie er gaat winnen. Maar of de Prix de Rome zo zou moeten worden? Nee, toch maar niet. Schrofer: ‘De Turner Prize zet media-aandacht op de eerste plaats, bij ons is dat de kunstenaar.’

De Rijksakademie en de Prix de Rome – de twee zijn al 135 jaar als een Siamese tweeling aan elkaar verbonden. Sinds de oprichting, in 1870, organiseert de academie deze officieuze staatsprijs – bij wet bepaald. Een gedenkwaardig verleden dus, dat het instituut desondanks niet blind maakte voor veranderingen. Getuige de omwenteling in 1985, toen de ‘Prix’ werd uitgebreid met nieuwe categorieën. Naast de traditionele keuze voor schilderkunst, beeldhouwkunst en architectuur, kwamen er afzonderlijke prijzen voor tekenen, fotografie, kunst in de openbare ruimte, stedenbouw en landschapsarchitectuur. Binnen het Nederlandse prijzencircus is de prijs inmiddels uitgegroeid tot de meest prestigieuze, met winnaars als Jan Sluyters, Cornelis van Eesteren, Charlotte Schleiffert en Alicia Framis. Namen die het belang van de prijs onderstrepen, en daarmee het belang van de gastheer: de Rijksakademie.

Het was dus even slikken, toen vorig jaar de Raad voor Cultuur bekend maakte de Prix van de Rijksakademie los te willen weken. ‘Pas wanneer ook de schijn van belangenverstrengeling is weggenomen’, liet de Raad weten, ‘zal de prijs weer in nationaal belang toenemen en zullen de geloofwaardigheid en aantrekkingskracht ervan groeien.’ Het advies was een onverwachte deuk in de reputatie van de academie.

Hoe gevoelig het raadsadvies binnen de gelederen van de academie werd ontvangen, werd wel duidelijk tijdens het juryberaad van de Prix de Rome 2005, bijgewoond door de Volkskrant. Toen in december vorig jaar de juryleden tot het oordeel kwamen dat Esther Tielemans, Kan Xuan, Lonnie van Brummelen en Yael Bartana de vier finalisten waren voor de prijs, sloeg Schrofer alarm.

‘Godverdomme.’

‘Pardon?’

‘Nu hebben we een politiek probleem.’

Waar de directeur precies op doelde werd voor de aanwezigen pas later duidelijk: alle vier genomineerde kunstenaars bleken van de Rijksakademie te komen. Voor wie de ‘schijn van belangenverstrengeling’ wilde wegnemen, was de jurybeslissing een doodsteek.

Kreeg de Raad dan toch gelijk, hoewel de jury onafhankelijk was, en van niets wist? Honderdvijfendertig jaar tweelingschap tussen dé prijs en dé academie stond plots op het spel. Het was een wrange samenloop van omstandigheden. Temeer omdat de Rijksakademie, in reactie op het raadsadvies, juist enkele maanden eerder had besloten in de tegenaanval te gaan.

Om het bestaanrecht van de prijs, als onvervreemdbaar onderdeel van de academie, te rechtvaardigen moest deze verder gemoderniseerd worden, had de directie besloten. Niet alleen zouden de verschillende disciplines binnen de beeldende kunst (schilderkunst, beeldhouwkunst, video, etc) voortaan in één keer aan de beurt zijn. Belangrijker was het voornemen de prijs meer media-aandacht te geven.

Dat is gelukt. Zo zond de AVRO de afgelopen weken tv-portretten van de vier genomineerden uit, en een korte impressie van het juryberaad. Het kunstblad Kunstbeeld drukte interviews met de kunstenaars af. Enthousiaste BN-ers, als Hedy d’Ancona en Jessica Durlacher, spraken in het radioprogramma Opium over hun favoriete finalist. Op de website van de Rijksakademie konden geïnteresseerden hun stem uitbrengen. En om de spanning van de prijs te verhogen (die vanmiddag wordt bekend gemaakt en uitgereikt) is de hoofdprijs, dankzij de nieuwe sponsor SNS Reaal, tot 45 duizend euro opgeschroefd. Schrofer is bepaald niet bij de pakken gaan neerzitten.

Om het beeld van belangenverstrengeling tussen Prix en Rijks weg te nemen, deed Schrofer één concessie: hij degradeerde zichzelf van juryvoorzitter tot secretaris. Wat overigens niet veel veranderde, zoals tijdens de jurering bleek. Op de achtergrond hield de directeur de touwtjes nog stevig in handen. Schrofer bleef de bijeenkomsten met ferme hand leiden.

Hij was degene die bepaalde hoe lang er gediscussieerd werd, wanneer er gestemd moest worden en hoe (met veel onnavolgbaar rekenwerk. Een jurylid: ‘It’s a mystery tour. Janwillem is a magician’. Op het moment dat op de longlist te veel videomakers, fotografen en filmers dreigden te figureren, verzuchtte de secretaris om er ‘op zijn minst enkele schilders bij te houden’. Geen enkel moment maakte hij de indruk de regie uit handen te willen geven. Ongevraagd gaf hij aan het begin van de eindjurering een introductie over hoe er beoordeeld zou moeten worden. Vanuit een individuele opvatting, lettend op het persoonlijke talent van de kunstenaar. Of op de betekenis van het werk binnen de kunstwereld. De jury staarde hem stil aan.

De slagvaardige reactie op het raadsadvies past in de manier waarop de Rijksakademie zich manifesteert. Sinds de aanstelling van Schrofer presenteert de Rijksakademie zich graag als ‘more than a residency’. Een kunstbedrijf waarin een twee jaar durende praktijkstudie wordt gecombineerd met de nieuwste technieken, een onderzoekcentrum en een uitgebreid netwerk aan contacten.

Nu speelt de Rijksakademie binnen het Nederlandse kunstonderwijs een aparte rol: ze wil namelijk nadrukkelijk geen onderwijsinstituut zijn. De academie behoort, net als De Ateliers in Amsterdam en de Jan van Eyck Academie in Maastricht, tot de zogenoemde ‘ondersteunende instellingen’, zoals de werkplaatsen in het Haagse jargon worden genoemd. De drie instituten staan los van de eerste en tweede fase kunstscholen, en vallen daardoor niet onder het departement van Onderwijs, maar onder dat van Cultuur. De deelnemers aan de Rijksakademie heten dan ook geen studenten, maar gewoon kunstenaars en de docenten advisors.

Het onderscheid lijkt een kwestie van terminologie, maar dat is het niet. Het is een principiële aangelegenheid. De ‘Rijks’ geeft geen les en leidt niet op, maar acht zichzelf ‘de belangrijkste toegangspoort tot de internationale kunstwereld’. Wat getalsmatig klopt, zoals de academie niet nalaat te etaleren.

Er gaat geen maand voorbij of de academie verspreidt een brochure om te onderstrepen hoe succesvol de academie eigenlijk niet is. Overal waar Rijksakademie-kunstenaars opduiken worden ze genoteerd en geteld, of het nu de biënnale in Tirana of de Manifesta in Frankfurt is, de Documenta in Kassel of de Amsterdamse KunstRAI. Niets blijft onvermeld. Wie welke prijs in ontvangst heeft genomen, een opdracht heeft gekregen of waar heeft tentoongesteld.

Inmiddels kent de academie een Genootschap van Kunstenaars, dat wereldwijd contacten onderhoudt met galeries, musea, curatoren en critici (en waarvoor de directie in 2004 afreisde naar Korea, Taiwan, Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk, Engeland, Italië en het Midden-Oosten). Er bestaat een Bureau Alumni, met zo’n vijf honderd oud-kunstenaars, en het RAIN Artists’ Initiatives Network, een wereldwijd platform van kunstenaarsinitiatieven.

Kosten noch moeite worden gespaard om de indruk te wekken dat de Rijksakademie inderdaad de enige toegangspoort is voor een glansrijke carrière.

Nee, voor steun aan zijn Rijksakademie heeft Schrofer altijd goed gezorgd. Misschien wel té goed. Het pr-beleid heeft de omvang van een waterhoofd gekregen. Net als de organisatie, zoals ook de Raad voor Cultuur constateerde. Die nam de academie al eerder op de korrel. Begin vorig jaar vroeg de staatssecretaris Medy van der Laan aan de Raad een bezuiniging te vinden in de ‘ondersteunende sfeer’, waarmee ze doelde op de drie Nederlandse werkplaatsen. Het drietal stond weliswaar los van het kunstvakonderwijs, maar werd als een doublure van de tweede fase-academies gezien.

De Raad velde zijn oordeel, met grote gevolgen. Geadviseerd werd de overheidssubsidie voor De Ateliers tot nul te reduceren en de Jan van Eyck Academie ruim twee ton euro te korten. Ook de Rijksakademie kon de dans niet ontspringen: zes ton minder. De academie bezat volgens de Raad een veel te dure infrastructuur (65 man personeel voor zestig kunstenaars). Daarbij had de collectie tekeningen en gipsen beelden, die de academie sinds zijn ontstaan beheert, geen ‘direct belang’.

De woorden van de Raad kwamen net zo hard aan als het oordeel over de Prix. Vergelijkbaar was de reactie van de academie. In plaats van alle bezuinigen op het personeelsbestand te verhalen, werd het aantal kunstenaars teruggebracht tot vijftig. Daarnaast moet Schrofer hebben gedacht dat aanvallen beter was dan verdedigen: twee maanden na het advies vond in het Allard Pierson Museum in Amsterdam de opening plaats van de tentoonstelling Het Lichaam Blootgegeven, met tekeningen uit het Rijksakademie-depot.

Waar De Ateliers en de Jan van Eyck Academie zich zo onzichtbaar mogelijk probeerden op te stellen, heeft de Rijksakademie altijd voor openheid gekozen. En voor de confrontatie.

Hoe succesvol dat ook mag klinken en begrijpelijk uit het oogpunt van de directie, je krijgt wel het idee dat de verhoudingen ondertussen behoorlijk scheef zijn gegroeid. De academie is inderdaad uitgegroeid tot ‘meer dan een residentie’: het artistieke beleid is overgenomen door de aandacht voor cijfermateriaal over de kunstenaars, het belang van gerichte pr-campagnes en netwerken.

Een mentaliteit die zich al meerdere jaren manifesteert. Zo had de verhuizing van de academie, van het imposante classicistische gebouw aan de Stadhouderskade in Amsterdam naar de voormalige cavaleriekazerne aan de Sarphatistraat, voor de kunstenaars tot gevolg dat ze in ateliers werken die te klein en te laag zijn, terwijl de ruime nieuwbouw van Koen van Velsen grotendeels ten goede is gekomen aan de directie, bibliotheek en andere ondersteunende functies. De jaarlijkse Open Ateliers, waar het publiek drie dagen lang een kijkje kan nemen in de studio’s, zijn uitgegroeid tot ambitieuze vlootschouw die voornamelijk van belang is voor tentoonstellingsmakers, museumpersoneel en galeriehouders.

De bezwaren gelden ook voor de Prix de Rome. Niet toevallig maakte Schrofer vorig jaar de oprichting bekend van de Cercle des amis du Prix, zoals het gezelschap van bevriende, ‘kunstminnende’ ondernemers, bestuurders, notabelen en sponsors officieel wordt genoemd. In december werd een keur aan buitenlandse critici en museummensen ingevlogen om het werk van tien long list-genomineerden van de Prix bij een lunch te bezichtigen. Trots maakte de directeur later bekend, dat de keuze van zijn gasten uit de longlist voor driekwart overeen kwam met keuze van de jury.

Schrofer kan tevreden zijn: hij heeft er alles aan gedaan de prijs meer prestige en bekendheid te geven. Maar of de ambities en bemoeienissen van Schrofer goed zijn voor het soortelijk gewicht van de prijs valt te betwijfelen. Alle nieuwe aanpassingen ten spijt, is de opzet van de Prix zelf niet veranderd.

Nog steeds werken de finalisten drie maanden lang aan hun meesterproef, hoewel dat in niets meer overeenkomt met de huidige kunstpraktijk. Konden schilders en beeldhouwers vroeger in die drie maanden nog een volwaardig kunstwerk afleveren, nu zijn veel kunstenaars de globe rondvliegende beeldenmakers en documentalisten. Hun manier van werken is mondialer en tijdrovender. En meer afhankelijk van de weerbarstige omgeving waarin ze te werk gaan. Wat ook bleek bij de finalisten van dit jaar: Van Brummelen filmde op Cyprus, Bartana maakte video’s in Israël, Kan Xuan in China, en geen van hen wist het eindwerk op tijd te voltooien.

Hoe competitief de prijs vroeger ook is geweest, het uitgangspunt was altijd artistiek. Al schilderend en beeldhouwend bestreden de finalisten elkaar. Het lijkt inmiddels een doelstelling uit een ver verleden. Op de achtergrond geraakt door de reorganisatie van de prijs, met meer prijzengeld, en allianties met AVRO-tv, Kunstbeeld en Opium op de radio. Het heeft niet tot een hoger kunstzinnig niveau mogen leiden. Bij herhaling sprak de jury over ‘teleurstellend werk’ en ‘gebrek aan noodzaak’.

Als antwoord op de voorstellen van Van der Laan en de Raad voor Cultuur heeft de Prix de Rome eerder een cosmetische behandeling gekregen dan een inhoudelijke verbetering. Drie maanden wedstrijdje spelen is een achterhaald idee. Anno 2005 is de prijs er dan ook niet zozeer voor de kunstenaars, zoals Schrofer betoogde. De Prix is eerder een media-offensief ter meerdere eer en glorie van de prijs zelf – en de instandhouding van de Rijksakademie. Een soort Turner Prize.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden