Rechtenrevolutie holt Amerikaans model uit

De aantrekkingskracht van het Amerikaanse model neemt zienderogen af, constateert Francis Fukuyama. In Azië ziet men als voornaamste oorzaak voor de sociale teloorgang van Amerika het daar heilig verklaarde individualisme....

BIJ de val van de Berlijnse Muur in 1989 dachten veel Amerikanen dat het communisme het had afgelegd tegen de aantrekkingskracht van de Amerikaanse maatschappij en de nadruk die daarin wordt gelegd op individuele vrijheid. Ze zagen echter over het hoofd dat in een ander deel van de wereld - in Azië - het Amerikaanse individualisme steeds meer werd gezien als een model dat geen navolging verdiende, als een vorm van egocentrisme en de oorzaak van een heel scala aan sociale problemen, van het uiteenvallen van het gezin tot de verzwakking van de concurrentiepositie.

Ross Perrot's motto ('Adelaars scholen nooit samen, je ziet er altijd maar een tegelijk') zou in dit deel van de wereld, waar sociale harmonie - door de Amerikanen aangeduid als conformisme - als deugd en niet als ondeugd wordt gezien, op onbegrip stuiten.

Historisch gezien, zijn de Verenigde Staten nooit de individualistische maatschappij geweest die zij nu in de ogen van Amerikanen (en Aziaten) zijn. Amerikanen hebben altijd de beschikking gehad over veel 'sociaal kapitaal', een term van de socioloog James Coleman. Hij duidde er het vermogen mee aan om samen te werken in groepen en organisaties. Het was dit sociale kapitaal dat er voor zorgde dat het land in de jaren vijftig de grootste economische macht ter wereld werd.

Het hyper-individualisme waarop Aziaten kritiek hebben, is niet onlosmakelijk verbonden met de Amerikaanse democratie. Het is een veel recentere ontwikkeling die te maken heeft met de verspreiding van de 'rechtencultuur', die zich sinds de jaren zestig heeft voltrokken.

Het probleem van het afnemende gemeenschapsleven kan niet worden aangepakt als de Amerikanen geen duidelijk inzicht hebben in de rol in hun maatschappij van het individualisme en de gemeenschap.

Tijdens de reis die Alexis de Tocqueville in de jaren dertig van de vorige eeuw door de VS maakte, werd hij zeer getroffen door de rijkdom aan vrijwilligersorganisaties in het land. Hij zag deze als uitermate belangrijk voor het succes van de Amerikaanse democratie, omdat zij ervoor zorgden dat de mensen niet langer uitsluitend bezig waren met hun eigen onbeduidende privé-belangen en dergelijke organisaties hen schoolden in gemeenschapszin.

Amerika is altijd een natie geweest van mensen die samen iets ondernamen, die zich organiseerden in verenigingen en groepen, zoals bijvoorbeeld kerkgenootschappen, scholen, ziekenhuizen, ouderverenigingen, sportclubs en literaire genootschappen. Wat betreft het vermogen om nieuwe vrijwilligersorganisaties buiten het gezinsverband te vormen, lijken de VS historisch gezien meer op Japan dan dat beide landen op China lijken, of op Europese landen zoals Frankrijk en Italië.

In China berust het sociale kapitaal uitsluitend bij het gezin. Gezinnen zijn er groot en stabiel, maar er is een evenredig groot gebrek aan vertrouwen tussen mensen die geen familie van elkaar zijn. In China hebben verenigingen een sterke familiebasis. Er zijn betrekkelijk weinig vrijwilligersorganisaties van 'vreemden' zoals in de VS.

Dat heeft belangrijke gevolgen voor het Chinese zakenleven: bijna alle dynamische ondernemingen in plaatsen als Taiwan en Hong Kong zijn familie-eigendom en worden door families geleid. Chinese bedrijven hebben altijd grote moeite gehad met het aantrekken van professionele managers, met als gevolg dat de meeste bedrijven twee of drie generaties na de dood van de oprichter over de kop gaan.

Frankrijk en Italië (met name zuid-Italië) stonden ook lange tijd te boek als sterk individualistisch. De maatschappij werd er gekenmerkt door machtige families en sterke centrale instituties zoals de staat en de kerk, maar ook door een gebrek aan particuliere vrijwilligersorganisaties - het zogeheten 'ontbrekende midden'.

De economische gevolgen zijn vergelijkbaar met die in China: in Italië zijn betrekkelijk weinig grote bedrijven, terwijl de Franse particuliere sector lang werd gedomineerd door familiebedrijven.

Japan en Amerika hebben daarentegen niet alleen een dichter netwerk van vrijwilligersorganisaties buiten het gezin, maar zij behoorden ook tot de eerste maatschappijen die grote, particuliere, professioneel-gerunde bedrijven opzetten. Families werden nooit de allesomvattende sociale horizon, zoals in China, Frankrijk en Italië. Het was altijd betrekkelijk makkelijk voor mensen die elkaar niet kenden om de familie-haard te verlaten en samen een zaak op te zetten.

Beide maatschappijen brachten dientengevolge economische organisaties voort die zowel groot als duurzaam waren. Bekende Amerikaanse merknamen als Kodak,

Sears en General Electric dateren allemaal uit de laatste twee decennia van de negentiende eeuw, terwijl Japanse merknamen als Mitsui en Mitsubishi zelfs nog ouder zijn.

Het Amerikaanse individualisme, zoals dat is vastgelegd in de Bill of Rights, is diep verankerd in het Amerikaanse constitutionele en juridische systeem. De neiging van de Amerikanen om hun individuele rechten tegenover grotere groepen te verdedigen, werd echter in de praktijk getemperd door culturele factoren, vooral door het sectarische karakter van het protestantisme van de eerste kolonisten; van hen leerden de mensen zich te verenigen in kleine gemeenschappen.

Later werd de neiging tot het vormen van gemeenschappen losgekoppeld van de religieuze wortels die eraan ten grondslag lagen, en werd het meer een wezenlijk kenmerk van de Amerikanen in het algemeen. Het economische succes van de VS was in belangrijke mate toe te schrijven aan het feit dat de maatschappij individualistische ondernemers en groepsgeoriënteerde 'organisatiemensen' samenbracht. De Mormoonse kerk en Apple Computers werden machtige instituten, omdat er voor iedere Joseph Smith een Brigham Young en voor iedere Steve Jobs een John Scully was te vinden.

De terugloop van het onderlinge vertrouwen en het sociale kapitaal, zoals deze zich in Amerika sinds de jaren vijftig voltrekt, kan op een aantal manieren worden gemeten. Zowel het aantal civiele processen als het aantal geweldsdelicten is de laatste decennia gestaag toegenomen, op een manier die zowel een weerspiegeling is van, als een bijdrage aan het slinkende vertrouwen dat Amerikanen in elkaar stellen.

In 1960 beantwoordde 58 procent van de Amerikanen de vraag of de meeste mensen te vertrouwen waren met 'ja'. In 1993 was dat cijfer gezakt tot 37 procent. De hoeksteen van de samenleving, het gezin, is uiteengevallen door de opkomst van het eenouder- of geen-oudergezin, een gezinsvorm die men op dit moment aantreft in bijna 30 procent van de blanke en de meerderheid van de zwarte huishoudens.

De politicoloog Robert Putnam van Harvard University heeft aangetoond dat het lidmaatschap van allerlei soorten organisaties een scherpe daling laat zien.

Er zijn meerdere redenen aan te wijzen voor de teloorgang van de Amerikaanse kunst-van-het-verenigen en het vertrouwen waarop deze kunst was gebaseerd. De kapitalistische markt sluit fabrieken en schrapt banen, waardoor gezinnen, middelen van bestaan en gemeenschappen worden ontregeld. De tv heeft de Amerikanen als het ware van het dorpsplein geplukt en ze het privé-domein van de huiskamer in gedreven.

Maar de belangrijkste factor achter het verval van de gemeenschap is de rechtenrevolutie: de verdediging van een steeds groter wordend geheel van individuele rechten, van abortus ter linkerzijde tot het gereguleerd gebruik van wapens ter rechterzijde, en de consequente weigering van Amerikanen om deze rechten te beperken ten gunste van verantwoordelijkheden tegenover de grotere gemeenschap.

De vermindering van het sociale kapitaal heeft al invloed gehad op de positie van Amerika in de wereld. In het Verre Oosten waren veel niet-communistische Aziaten een generatie of twee geleden nog vol bewondering voor het 'Amerikaanse model'. Zij hoopten dat door modernisering hun eigen maatschappij eens op de Amerikaanse zou gaan lijken.

Vandaag de dag hoor je veel vaker Aziaten zeggen wat de voormalige premier van Singapore Lee Kuan Yew eens zei, namelijk dat de Amerikaanse democratie met zijn nadruk op het individualisme heeft geleid tot sociaal zieke toestanden, die Aziaten maar beter niet kunnen navolgen. Lee vergist zich als hij de sociale problemen van Amerika toeschrijft aan de Amerikaanse democratie. In het overgrote deel van hun geschiedenis hebben de VS een veel beter evenwicht weten te vinden tussen individualisme en gemeenschapszin dan ooit het geval is geweest in Singapore.

Er is echter inderdaad de laatste jaren iets verkeerd gegaan met dit evenwicht. Onze eenzijdige interesse in het eenzame individu en de absolute sfeer van autonomie om het individu heen heeft afbreuk gedaan aan alle vormen van groepsleven. Voor het herstel van de Amerikaanse kunst-van-het-verenigen hebben we geen buitenlandse waarden nodig.

Francis Fukuyama is Amerikaans filosoof-politicoloog en auteur van het zojuist verschenen boek Trust: Social Virtues and the Creation of Prosperity. Hij verwierf bekendheid met zijn boek The End of History.

Op uitnodiging van het John Adams Institute treedt hij maandagavond in de aula van de Universiteit van Amsterdam in debat met Frits Bolkestein.

Vertaling: José van Zuijlen

Zie ook Folio

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden