Recensies

Huppert houdt de aandacht moeiteloos vast Un TramwayVierentwintig maal een andere omschrijving voor God

Stadsschouwburg Amsterdam


Un Tramway naar Tennessee Williams. Regie Krzysztof Warlikowski. Bewerking Warlikowski, Piotr Gruszczynski, Wajdi Mouawad (tevens Franse vertaling), 3/6.


Ze is aanvankelijk alleen maar een silhouet, een frêle, donker poppetje op een kruk tegen een lichtere achtergrond. Maar die achtergrond laat je meteen ook even schrikken: een videoprojectie van een vertrokken gezicht, een getormenteerd gelaat, een waanzinnige blik. Die van haar, Blanche DuBois. Gespeeld door Isabelle Huppert.


Om haar draait deze hele voorstelling, Un Tramway, afgelopen weekeinde te zien op het Holland Festival. Un Tramway is een ingrijpende bewerking van Tennessee Williams' klassieker A Streetcar Named Desire waarbij regisseur Krzysztof Warlikowksi - inmiddels een naam op gebied van het nieuwe Poolse theater - vooral focust op het personage Blanche, en haar vergaand getroebleerde geestesgesteldheid.


De Franse (film-)diva Huppert krijgt dan volop de gelegenheid te schitteren, en dat levert bij vlagen fascinerend theater op. Tweeëneenhalf uur lang zitten we in haar hoofd, in één lange flashback. Ze stapt van haar kruk de wereld in, haar wereld van rijke plantersdochter uit het Amerikaanse zuiden, inmiddels aan lager wal geraakt; haar broeierige wereld van onderdrukt seksueel verlangen en de uitwassen daarvan; haar gevecht tegen het verval, de angst, en uiteindelijk de waanzin.


We herkennen de thema's van Williams, maar Warlikowski klutst ze flink dooreen, in een hallucinerende mix waar je ook als publiek soms wel een beetje gek van wordt. Videobeeld tegen de achtergrond, wisselend licht in het middengedeelte - een deels doorzichtige, glazen badkamerruimte over de gehele breedte van het toneel die naar voren en naar achteren kan bewegen, en dat ook veelvuldig doet. En op de voorgrond nog ruimte voor een zithoek en verderop een bowlingbaan.


Dat laatste als verwijzing naar Stanley, de Poolse partner van Blanches zuster Stella. Bij deze twee mensen zoekt Blanche onderdak, op het moment dat het leven haar eigenlijk al een tijdje te veel is. Stanley is een onbehouwen kerel, en hij maakt het de wufte, zenuwzieke Blanche alleen nog maar moeilijker en uiteindelijk onmogelijk. Stella, vervolgens, kiest de kant van Stanley.


Bij Warlikowski zijn de andere personages nauwelijks meer dan spoken in het hoofd van Blanche; psychologisch weinig ingekleurd, uiterlijk een beetje vreemd. Niettemin is het volkomen overtuigend dat ze Blanche keer op keer pijn doen en hoewel ze vaak volkomen onaanraakbaar is in haar gekte, zijn er ogenblikken dat je echt voor haar voelt.


Huppert houdt de aandacht moeiteloos vast en zo kent de voorstelling magische momenten. Maar daartegenover staan ook scènes die minder urgent zijn, vaak toegevoegde fragmenten die worden uitgevoerd door Eunice (bovenbuurvrouw van Stella en Stanley). Een stukje Torquato Tasso, een liedje, een intermezzo dat raakt aan stand-up comedy over compromissen sluiten. Dan wordt het te druk in deze enscenering en krijg je het gevoel dat Warlikowski nóg iets wilde bewijzen. En dat hoeft niet.


Karin Veraart


-------------------------


Concertgebouw Amsterdam


Rihm, Henderickx, Pärt. Groot Omroepkoor, Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Jaap van Zweden, 4/6.


In Dionysos, de opera van Wolfgang Rihm die woensdag tijdens het Holland Festival voor het eerst in Nederland wordt opgevoerd, draait het om zoeken en denken, zin en roes, goden en stervelingen. Rihms 'cantata hermetica', die in de ZaterdagMatinee in première ging, is al even doordrenkt van het filosofisch denken van de Duitse componist.


Het stuk cirkelt om de vraag der vragen: wat is God, wat steekt er achter dat begrip, achter die naam? De compositie heet simpelweg 'Quid est Deus?' Voor een aanzet tot een antwoord gebruikte Rihm tekstfragmenten uit de Hermetica, een verzameling esoterische geschriften uit de oudheid. Elk fragment begint met dezelfde zinsnede, 'Deus est'. Vierentwintig maal krijgt het begrip God een andere omschrijving die de luisteraar mogelijkheden aanreikt voor nieuwe gedachtelijnen en de componist de weg wijst naar nieuwe kleurconstellaties.


Uit het orkest heeft Rihm (Karlsruhe, 1952) de violen, klarinetten en hoorns geschrapt. Te week, te schemerig. Met cimbalen, bekkens, klokken, een piano, een harp en solo's van de altviool bewezen het Radio Filharmonisch Orkest en de dirigent Jaap van Zweden hun onvervangbare kwaliteit op het gebied van de nieuwe muziek.


Ze tilden de zangers van het Groot Omroepkoor op en reikten samen naar de hemel. Rihm hoorde hun uitvoering in de Grote Zaal van het Concertgebouw met gesloten ogen aan. Pas aan het eind van het stuk, waar individuele stemmen uit het koor zich bij elkaar voegden tot een groot, veellagig akkoord en het orkest de klank vond waarmee licht kan worden beschreven, gingen zijn ogen open.


Ook de Belgische componist Wim Henderickx (Lier, 1962) zoekt in TEJAS (Sanskriet voor licht, vuur, energie) naar het onbereikbare. Hij stelt zich in de zeven delen van zijn stuk vragen over de klank van het universum. Na een daverend georkestreerde oerknal kwamen sterren in verschillende gedaanten voorbij. Sommigen raakten je in het hart, als wrange, aanzwellende jammerklachten, anderen zweefden langs je heen zonder een spoor achter te laten. Een hechte verhouding tussen de lengte van het stuk en de muzikale inhoud liet zich niet traceren in de overvloed aan Henderickx' ideeën.


Met dit laatste concert van het seizoen slaat de ZaterdagMatinee een brug naar de komende concertreeks. Daarin staat het werk van Wolfgang Rihm zes avonden lang garant voor een combinatie van emotie en intellectuele uitdaging.


Stadsschouwburg Amsterdam


DANCE / Birds With Skymirrors


Birds With Skymirrors door MAU. Choreografie: Lemi Ponifasio, 3/6.


De enige kleur in de dansvoorstelling Birds With Skymirrors is huid. De bruine torso's van de dansers uit de Stille Zuidzee steken warm af in de verder zwarte, duister belichte omgeving met vooraan op het toneel een strook glinsterend grijs, als het bijna smeltende asfalt van een verlaten airstrip of een kleverig spoor van het BP-olielekdrama. Een industriële balk doorklieft de ruimte, een schuinhangende achterwand veroorzaakt nietige weerspiegelingen, maar dient ook als projectiescherm.


Birds With Skymirrors van de van oorsprong Samoaanse choreograaf Lemi Ponifasio, zes jaar geleden voor het eerst in het Holland Festival met een indrukwekkende productie over de kolonialisatie in de Stille Zuidzee, is een reactie op de wereldwijde milieuvervuiling. Op afgelegen eilanden kun je tegenwoordig vogels zien vliegen met stukjes glimmend videotape in de bek ('skymirrors'). Het vervult Ponifasio, opgevoed met de natuur, ongetwijfeld met ongeloof, woede, machteloosheid. In zijn dans gaat hij echter niet op de barricades staan, maar probeert hij ons - veel belangrijker - in de schoonheid en kwetsbaarheid van de natuur mee te trekken. Om ons die te laten ervaren, te laten voelen, zodat we straks, hopelijk, vanuit een dieper begrip met de natuur zullen omgaan. Althans: zo kun je het interpreteren.


Ponifasio's dansers zijn vogels. Een abstracte vertaling van die ene reusachtige pelikaan die, goed getimed, pas tegen het eind van de voorstelling in beeld verschijnt met zijn repetitieve, hartverscheurende pogingen om zijn vleugels uit drek los te trekken en op te stijgen. Een bijna naakte vrouw op hoge hakken kondigt de transformatie aan; uit haar fragiele lijf komt een schelle roep, de voorbode van de wanhoop, en langzaam verandert haar rug in een golvende sculptuur, ontdaan van elke associatie met de mens. Omdat de armen zijn weggemoffeld, is het ook een beeld van mismaaktheid. Het zal in veelvoud terugkeren.


Op een steeds hectischer stroom geluiden, die de inheemse zang van het begin volledig wegdrukt, worden ook de beelden steeds hectischer.


Een groep mannen in zwarte kimono's doemt herhaaldelijk op. Ze schuifelen nerveus rond, de vingers fladderend, de handen ritmisch klappend op het eigen been. Een groep vrouwen in zwarte avondjurken heeft ook die fladderende vingers, naast kung fu-achtige kordaatheid. Hun opengesperde ogen zijn als geesten, de dood waart al rond.


Ponifasio's beeldtaal is van een ongekende schoonheid: sober, gestileerd, precies, stil, uitgesponnen, ritualistisch. Maar wel emotioneel tot op het bot. Hier is gewerkt vanuit pure liefde, zonder te relativeren, en dat komt aan. Als de dansers tot slot de zwarte vloer zuiver proberen te maken door te zwaaien met kegeltjes wit zand, vergelijkbaar met het kerkelijke bewieroken, gaan hoop en hopeloosheid hand in hand. Hun voetjes laten sporen na, fragiel als vogelpootjes. Maar hoeveel zand zal er nodig zijn.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden