Rauwgrauw, maaraltijd Hoopvol

Koen Wessing (26 januari 1942-2 februari 2011) moest niets hebben van galeries, vintage prints en de verkoop van zijn foto's aan verzamelaars. Zijn foto's hoorden niet ingelijst aan de muur, maar in de krant. Ze waren niet bedoeld voor de kunsthandel. Vertoning in een museum, dat kon wel. Want daar ging het om een openbare plek en een groot publiek. Maar hij was weer heel royaal als een instelling met een ideëel doelmerk een beroep op hem deed om mee te werken aan een veiling.


Hij was een Einzelgänger. Hij werkte wel in opdracht, van ngo's bijvoorbeeld, en hij accepteerde documentaire opdrachten van het Rijksmuseum en de stad Amsterdam om een bepaald aspect van de samenleving vast te leggen. Hij werkte voor kranten en tijdschriften, maar hij ging vooral zijn eigen gang.


Het kon hem niet schelen dat zijn middelen beperkt waren. Hij was een sober levend man, tegen het sjofele aan, die genoeg had aan een alkoofwoninkje in de Jordaan. Dat was een keuze, want hij kon tegelijk heel royaal zijn. Hij had het fotograferen geleerd in de jaren vijftig van Ed van der Elsken en diens toenmalige Hongaarse vrouw Ata Kandó, een al even onconventioneel levend stel als hij. Van haar leerde hij nog iets anders: dat je alles kon bereiken ook al had je er de middelen niet voor. Zij liftte half Europa door met haar drie kinderen om een droom te verwezenlijken.


Zo kon het ook, zag hij, met niets, als je maar wilde. Hij werd de fotograaf-bohémien en de geëngageerde barricadier, die werkte vanuit een levenshouding en niet om het gewin. Zelfs het stempel achter op zijn foto's was van een absolute eenvoud, klein met een minimale tekst, alsof hij het stempelkussen wilde sparen.


Hij was een documentair fotograafen ook daarin nam hij een unieke positie in. Wessing was niet zozeer iemand die aandachtig keek en het leven vastlegde van wat hij zo om zich heen zag; hij was betrokken, de fotograaf die zich opstelde als lotgenoot.


Al heel snel werd zijn talent ontdekt, ook internationaal. Henri Cartier-Bresson, de medeoprichter van het fameuze persbureau Magnum, was in hem geïnteresseerd en maakte contact. Het klikte in Parijs niet, het werd niets met Magnum. Wessing moest niets hebben van de strenge leerstelling van het beslissende moment van Cartier-Bresson. Voor hem telde geen enkele regel.


Hij was een zwerver, een romanticus en een wereldverbeteraar, die in het wezen van die levenshouding alleen maar zijn eigen agenda kon volgen. Zijn voorbeeld was de Amerikaanse fotograaf William Klein.


Wessing werd beroemd door zijn reportages in Chili en Nicaragua in de jaren zeventig en tachtig. De historische gebeurtenissen die zich daar afspeelden, in een wrede wereld van burgeroorlogen, vrijheidsstrijd en bombardementen, leerden we vooral door zijn foto's kennen. Ze zijn monumenten geworden van de geschiedenis, verslagen van een ooggetuige waar we alleen maar zwijgend bij stil kunnen staan.


Zijn werk wordt bepaald door die twee aspecten: getuigenissen van aangrijpende gebeurtenissen en zijn visie op het leven van gewone mensen als lotgenoot. Hij werd de chroniqueur van een vaak wanhopige strijd voor een beter bestaan van mensen over de hele wereld. Hij liet dat zien in afzonderlijke reportages uit vele landen, van Latijns-Amerika en China, tot Zuid-Afrika, Kosovo en Moldavië, en in een groots project in opzet dat hij nooit heeft kunnen voltooien: het volgen van vluchtelingen aan de randen van de westerse wereld, die met gevaar voor hun leven de sprong probeerden te maken naar een nieuwe toekomst, al stonden er hekken en wereldzeeën tussenin.


Hij was een zwijgzaam man, die ongemakkelijke stiltes liet vallen in gesprekken, geen antwoord gaf op een vraag of de andere kant op keek. Hij wilde niet over zijn fotografie praten. Zijn foto's vertelden toch alles al? Maar als, op een zomeravond, de sardientjes sisten op het vuur en de wijn rondging, kon hij zich opeens ontpoppen als een begenadigd verteller en met warmte verhalen over zijn jeugd aan de Amsterdamse Amstel en de oude, in de oorlog verwoeste jodenbuurt erachter.


Op de foto's van Wessing gebeurt ontzaglijk veel. Hij was een fotograaf die werkte vanuit het midden van het beeld, maar er gebeurt op zijn foto's ook vaak van alles aan de randen. Overal is wat te zien en vaak heeft alles met elkaar te maken. Omdat hij vanuit het midden van het beeld werkte, dwong hem dat ertoe om zo dicht mogelijk bij zijn onderwerp te komen. Zijn foto's zijn theatraal in wat er zich afspeelt en weemoedig in hun sfeer. Ze vertellen niet alleen wat we direct zien. Het is alsof hij het hele verhaal van een leven wilde uitbeelden. Ze zeggen ook veel over hemzelf. Ze laten zien wie erachter schuilging, ze zijn het portret van een melancholicus.


Zijn onderwerp was het leven van gewone mensen, in hun kleine, alledaagse bezigheden. Hij hield van de rafelranden van het leven, had er een lotsverbondenheid mee. Townships waren zijn terrein, niet het stadshart zelf, dat meed hij. Hij gaf een stem aan mensen die elke dag opnieuw maar weer moeten zien te overleven, en deed dat op zijn typerende manier: rauw, morsig, grof, onopgesmukt. Zijn vriend en collega Johan van der Keuken noemde de beeldtaal van Wessing ooit 'beeldschurft', beter kun je het niet uitdrukken.


Het wil niet zeggen dat alles uitzichtloos is in zijn foto's,- integendeel, uit al dat rauwe en grauwe van de straat spreekt ook hoop en verwachting, soms zelfs geluk. Zijn foto's zijn in al hun grauwe heftigheid merkwaardig genoeg tegelijk ook teder, liefdevol.


Hij maakte een paar reizen naar China. In 1985 en 1986 reisde hij samen met zijn toenmalige vrouw en hun dochtertje Marie, die toen een jaar oud was, negen maanden door China. Na de turbulentie van Latijns-Amerika wilde hij weer eens onbevangen naar de wereld kijken, met de ogen van onschuld van zijn dochtertje, als het ware.Later wilde hij nog eens terug om de veranderingen te beleven die zich in China hadden voltrokken. Zijn engagement weerhield hem heel lang daarvan. Hij vond dat hij niet naar een land kon gaan met een regime dat de zucht naar vrijheid zo bloedig had neergeslagen als toen op het Plein van de Hemelse Vrede in 1989. Hij deed dat uit solidariteit met de studenten, dat was voor hem nog een begrip dat telde.


Pas in 2006 ging hij voor het eerst weer terug. En zijn idealen getrouw richtte hij zich niet op de nieuwe skyline van het exploderende China, maar op de resten van de oude buurten die daarvoor moesten wijken en op de mensen die er woonden.


Wessing was al een aantal jaren ernstig ziek, maar hield het zo lang mogelijk verborgen. Als hij niet op reis was, zag ik hem bijna elke dag, we woonden vlak bij elkaar. Hij had altijd zijn camera bij zich, met dat zeemleren beschermkapje.


Hij koesterde nog het plan om een fotoboek te maken met een keuze uit het niet bekende werk in zijn oeuvre, ik ben altijd nieuwsgierig geweest naar de Amsterdamse foto's die zo slenterend moeten zijn ontstaan. Het zal er niet meer van komen.


Opeens verscheen hij, een tijdje geleden, zonder camera op straat. Het was de manier van de man van weinig woorden om te zeggen dat het over was, gedaan.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden