Rauw en schurend

Opschudding in het theater! De chique Madrilenen pruimen niet wat danser Israel Galván met de flamencotraditie doet. Op de Flamenco Biënnale test hij het Nederlandse publiek uit.

DOOR ROBERT VAN GIJSSEL

Schandaal in de opera. Je hoopt het minstens eens in je leven mee te maken, en als je er eindelijk een keer middenin zit, wrijf je toch even in je handen.

Het is goed mis in het koninklijke operahuis van Madrid, op 13 december, bij de voorstelling Lo Real van flamencodanser Israel Galván en zijn gezelschap. Het rumoer komt langzaam op stoom, eigenlijk vanaf het moment dat in de rijk gedecoreerde grote zaal het besef neerdaalt dat 'het echt zo blijft'. Dat de vrijzinnige, bijna bizarre dansvormen van het eerste halfuur waarschijnlijk nog wel anderhalf uur worden aangehouden, en dat we tot het bittere einde zullen moeten luisteren naar het soms afgrijselijk schurende geluid van metaal tegen metaal, gesleep met kapotte piano's, geram tegen roestvrijstalen platen.

Een ouder echtpaar staat op, wandelt bokkig maar nog enigszins waardig de zaal uit. Dan volgen er meer, en het decorum wordt nu vlot afgeschud. 'Dit is een schande', roept een heer, 'oplichterij!' Een ander is specifieker: 'Teringherrie.'

'Viva España', wordt zelfs geroepen. Alsof op het podium zojuist de nationale eer is aangetast, en nog wel in het hart van de monarchie. Dan roeren ook de blijvers zich. 'Dit is de ware flamenco', schreeuwt een dame van achteruit de zaal, gevolgd door de bij deze kunstvorm meer gebruikelijke aanmoediging 'olé'.

Het is niet zo dat de 39-jarige danser en choreograaf Israel Galván daags na de première, in een café pal naast het Teatro Real, zit na te genieten van de controverse die hij al stampvoetend heeft veroorzaakt. Integendeel. Galván, klein van stuk, mager en afgetraind lichaam, ingevallen wangen, maakt een lichtelijk aangeslagen indruk. Alsof hij geschrokken is, en niet had verwacht dat zijn theatrale flamencovoorstelling over de vervolging van de zigeuners door de nazi's enige stampij zou veroorzaken.

Hij aarzelt. 'Geschrokken? Hm, nee, dat niet echt. Ik ben wat gewend. Vanaf mijn eerste voorstellingen staan mensen op, lopen weg. Maar als ik alleen dans, in een solovoorstelling, kan ik er kennelijk beter tegen. In deze productie voel ik me verantwoordelijk voor de hele cast, voor de danseressen, de zangers, de muzikanten. We moeten de rug rechten, hebben we tegen elkaar gezegd in de kleedkamer. Moedig zijn.'

En dat valt in Madrid, in het statige centrum van de Spaanse cultuur, dan even niet mee. 'Ik wil het Madrileense publiek niet generaliseren, maar in dit Teatro Real vind je toch de rijkere en oudere Spanjaarden, die vinden dat, eh, bepaalde onderwerpen beter niet kunnen worden aangeroerd.'

Galván zegt het wat omfloerst, en ook nog met een ontwapenende stotter, maar wat hij bedoelt kunnen we raden. Het historische geheugen van Spanje, de 'memoria histórica', is wazig. De burgeroorlog en het daarop volgende Francoregime, dat het uithield tot de dood van de generaal in 1975, heeft het land verscheurd. De breuklijnen zijn nog altijd zichtbaar. Als een deel van Spanje vindt dat moet worden gezocht naar slachtoffers van de dictatuur die mogelijk zijn verstopt in massagraven, dan vindt een ander deel dat 'de aarde beter niet omgewoeld kan worden'. En als Galván in een dramatisch en bij vlagen ondraaglijk pijnlijk dansstuk dus de vervolging van de zigeuners verbeeldt, die plaatsvond zowel in nazi-Duitsland als in de bevriende natie Spanje, dan zijn er landgenoten die daar subiet de ogen voor willen sluiten.

Nu is weglopen, gedecideerd het theater verlaten, één ding. Maar 'viva España' schreeuwend? Galván: 'Het klinkt misschien gek, maar ik denk dat de onzekere crisistijd de Spanjaarden harder en ruwer heeft gemaakt. Je bent kwaad, oké, maar je laat hóren dat je kwaad bent.' Zijn blik dwaalt naar buiten, naar een grauw maar stemmig Madrid, waar de regen inmiddels zwaar naar beneden ruist. 'Dingen die je niet begrijpt, accepteer je niet. Niet meer.'

Aan de buik krabbelen

Israel Galván de los Reyes (Sevilla, 1973) is volgende week met zijn twee dansvoorstellingen La Curva en Lo Real één van de hoofdgasten van de vierde Nederlandse Flamenco Biënnale, een twee weken durende viering van de Andalusische muziek, van de rijke zang- en danskunst uit zuidelijk Spanje. Israel Galván is de man die je op zo'n feest als gast wilt hebben. Hij geldt in Spanje, samen met zijn vrouwelijke evenknie Belén Maya, als de belangrijkste vernieuwer van de flamencodans. Iemand die je gezien moet hebben, wil je kunnen meepraten over de danscultuur van de 'gitanos', en de richting die de van oorsprong volkse kunst zou moeten opgaan.

Want Galván heeft daar opvattingen over. Wil de kunst van betekenis blijven, dan moet die de vrijheid zoeken en kijken buiten de strakke kaders die de voorvaderen hebben getekend. Dus gebruikt Galván naast de oeroude dansvormen van de flamenco, de 'palos', alledaagse bewegingen in zijn soms buitengewoon dramatische vertolkingen. Hij krabbelt aan zijn buik. Tikt zenuwachtig met de vlakke hand tegen zijn wangen, of roffelt neurotisch met de vingers tegen zijn keel. Een waanzinnige, die wanhopig zoekt naar verlossing.

Hij laat de dood rondwaren op de dansvloer. Hij toont het verval, de ouderdom, het aftakelende lichaam. Hij sleept met een been, laat een arm schijnbaar uit de kom schieten, lijkt zich vrijwillig onder een laag aarde te willen bedekken. Hij keert zijn hoofd af, maar steekt dan een wijsvinger in een wang, en trekt zijn hoofd bruut aan zijn mondhoek weer terug naar het verblindende podiumlicht. 'Tsja, de dood', zegt Galván. 'Eigenlijk het verbindende thema in al mijn werk. Ik ben zeer gelovig opgevoed, met het idee dat de apocalyps elk moment kon beginnen. Het wierp een schaduw over mijn leven. Doodsbang was ik, als jongetje, en eigenlijk ben ik het nog steeds.'

Israel Galván is de zoon van de beroemde flamencodansers José Galván en Eugenia de los Reyes, een echtpaar met een stamboom diep in de zigeunercultuur. Israel wilde voetballer worden, maar het zat er niet in. Dansen zou hij.

In zijn tienerjaren ging hij door voor wonderkind van de flamenco. Hij kreeg les van de innovatieve danser Mario Maya, de vader van Belén. Maar Galváns honger naar cultuur voerde hem buiten de dansdisciplines van zijn familie. Zijn gedachten gingen steeds vaker uit naar de andere grote kunsten, de literatuur, hedendaagse klassieke muziek en jazz, de beeldende kunst. Hij besloot in zijn dans de blik te verruimen, zodat hij Die Verwandlung van Franz Kafka ook best integraal als flamenco kon dansen, bijvoorbeeld.

Die artistieke keuze maakte de danscarrière van Galván bepaald stroperig. Hij schoot niet vanzelf naar de top. Werd geroemd bij Andalusische flamencobiënnales, met onderscheidingen behangen, maar ook verguisd, zoals dat dan gaat met eigenwijze figuren die eens lekker met de traditie aan de haal gaan.

Want de reactie is heftig, als je Galván voor het eerst aan het werk ziet. De mond valt open, dat sowieso. Wat gebeurt hier? Is dit flamenco? Daarna kun je eigenlijk twee kanten op. Als een blok vallen voor deze radicaal vernieuwende dans, die aangrijpende moderne kunst maakt van een eerbiedwaardige traditie. Of de verbijstering laten omslaan in afkeer: zo mag je de flamenco niet toetakelen. Er zijn flamencovolgers die met Galván helemaal geen kant op kunnen en alleen maar in de lach schieten.

Riefenstahl in prikkeldraad

Bij de voorstelling Lo Real vergaat dat eventuele lachen je bijzonder snel. Galván maakte een muzikaal flamencotheater, met zang, gitaar en ritmische palmas naast 'industrial noise' en hedendaagse composities, rond het thema van de naziterreur en de vervolging van de zigeuners. 'Een zwart gat in onze geschiedenis', volgens Galván. 'Zigeuners werden door de nazi's gebrandmerkt als criminelen en barbaren, en vervolgd. Maar tegelijkertijd waren de nazi's hevig gefascineerd door de zigeunercultuur. In het Italië van Mussolini werd zigeunervariété opgevoerd, dat alle clichés van de flamenco bij elkaar veegde: de dansende zigeunermeisjes rond het kampvuur. Leni Riefenstahl maakte na de Tweede Wereldoorlog nog een film over de zigeunercultuur, waarin zij zelf flamenco danste. Ik wilde een dansstuk maken over die wonderlijke geschiedenis, en die paradox van vervolging en bewondering.'

Dus zien we in Lo Real dansstukken tussen stalen balken, die tegen het einde van de voorstelling rails blijken waarover de treinen de zigeuners naar de concentratiekampen vervoeren. En we zien de sierlijke danseres Isabel Bayón in de rol van Leni Riefenstahl, die zich mooi maakt en zich wikkelt in het prikkeldraad waarachter zich daarvoor nog gruwelijke drama's hebben voltrokken. In zijn choreografie toont Galván verminkingen en toetakelingen, die, volgens hemzelf, uiteindelijk 'na de horror weer opbloeien tot iets moois'.

Dat er met gemengde gevoelens naar Lo Real wordt gekeken - Galván kan zich er wel iets bij voorstellen. 'Maar ik ben opgehouden mijn kunst te zien door de ogen van mijn publiek. Ik heb het idee dat ik flamenco maak vanuit een opdracht, om de kunst verder te brengen, zich te laten ontwikkelen. Die taak neem ik heel serieus.'

Verwijten dat Galván de traditie van de flamenco te grabbel zou gooien, laat hij, na jaren ervaring, van zich afglijden. 'Er zijn critici die beweren dat wat ik doe geen flamenco is maar modern ballet. Maar zo zie ik het helemaal niet. Eigenlijk ben ik een heel pure flamencodanser. Ik gebruik vormen en bewegingen, soms heel abstracte, uit de vroegste traditie. Vormen die allang vergeten zijn. Daarmee graaf ik de diepe en tragische flamenco uit, de flamenco van de cante jondo, die vanuit de ziel wordt gemaakt.'

Zo biedt Galván naar eigen zeggen tegenwicht aan de flamenco van de optimistische dansvoorstellingen voor toeristen, van 'olé' en ruisende jurken, de bloem in het haar. En gloort er hoop voor de zigeunercultuur, als zijn voorstellingen als La Curva en Lo Real de wereld over trekken en nieuwe interesse voor de Spaanse traditie wekken.

Want je kunt bij zijn Lo Real toch niet anders dan met bewondering kijken naar een scène waarin Galván een surrealistische dans uitvoert met een van de stalen balken, waaruit een elektronische bromtoon reageert op de aanwezigheid van het dansende lichaam. De balk als reuzentheremin, hoe moeten we deze vervreemdende dans met object eigenlijk duiden?

Galván: 'Ik leg niet graag uit. Uitleg banaliseert de kunst.'

Maar na enig aandringen: 'Flamenco is voor mij een heel individuele kunst. Ik dans niet graag met partners, ook omdat ik daar eigenlijk veel te verlegen voor ben. Maar ik heb ontdekt dat ik dansend met objecten iets wezenlijks kan uitdrukken, over de relatie van het lichaam met de buitenwereld. Mijn dans met de reuzentheremin, die inderdaad zit volgestopt met elektroden en die geluid maken als je lichaam erbij in de buurt komt, symboliseert de vervolging van de zigeuners. Zij werden, en worden nog altijd in de gaten gehouden, als door een paar elektrische ogen. Het lichaam beweegt, de machine registreert en controleert.' De Orwelliaanse dictatuur vervat in flamenco.

Het helpt toch, zo'n nadere verklaring. Maar Galván hoeft niet zo nodig begrepen te worden, zegt hij. 'Dat wilde ik aan het begin van mijn carrière wel. Heel graag. Maar ik dans nu eenmaal niet meer om mensen blij te maken. Als mijn publiek daardoor uitdunt, dan moet dat maar.'

De voorstelling Lo Real van Israel Galván, met oa Belén Maya, Isabel Bayón, Chicuelo (gitaar) en Bobote (palmas), is te zien in de Stadsschouwburg Amsterdam, op dinsdag 22/1. De voorstelling La Curva met oa Inés Bacan (zang) en Sylvie Courvoisier (piano) is te zien op zondag 20/1, in de Rotterdamse Schouwburg.

Plafondklievende stem

Van de Andalusische flamencokunst wordt gezegd dat niet-zigeuners zich er beter niet aan kunnen wagen. Beetje achterhaald. Heel goede flamenco komt tegenwoordig uit Barcelona, zelfs Japan. Kunnen de Nederlanders er eigenlijk wat van? We kunnen het checken op het Gala van de Nederflamenco, op 26 januari in het Utrechtse Rasa, waar zeer begaafde gitaristen als Edsart Udo de Haes en Arturo Ramon (foto) optreden, naast de zangeressen Erminia Fernández Córdoba en zanger-danser Mario García Blanco. De namen hebben ze alvast mee.

Israel Galván is uiteraard niet de eerste vernieuwer van de flamenco. Hij treedt in de voetsporen van de grote Spaanse danser, schilder, volksheld en schrijver Vicente Escudero Urive (1888-1980), die in de jaren dertig de flamencodans overhoop gooide

en van nieuwe levenskracht voorzag. Escudero liet zich als danser sterk beïnvloeden door de beeldende kunst, door kubisten en dadaïsten. Hij improviseerde op het toneel, en

schilderde met zijn lichaam. Hij maakte geometrische figuren en abstraheerde de dans, die in die jaren dreigde te verworden tot volksvermaak en entertainment.

Escudero bracht het leven terug naar de dans, volgens Galván. 'Escudero maakte nog flamenco van de manier waarop hij zijn eten kauwde.'

Beelden uit Canta Gitano worden vertoond tijdens Lo Real, op een gestapeld decor van houten kisten, en zo zien we dus Galván dansen naast zijn in 2008 overleden meester. 'Een eerbetoon', volgens Galván, en meer dan dat. 'Mario Maya heeft zijn danskunst altijd in dienst gesteld van zijn hoger doel: de bevrijding van de zigeuners. Deze film, waarin Maya met zijn dans het leed van het zigeunervolk uitdrukt, lag aan de basis van Lo Real.'

Een serieus tweejaarlijks flamencofestival in Nederland. Het lijkt vreemd in de polder. Maar het vindt wel degelijk zijn publiek.

Lichte verbazing, toen in 2006 een brochure werd rondgestuurd met daarin het programma van de eerste Nederlandse Flamenco Biënnale, te houden in 2007. Een tweejaarlijks festival voor de Spaanse flamencokunst, verdeeld over verschillende steden, op een handvol podia, van kleine zalen voor wereldmuziek tot de schouwburgen van formaat. Naar analogie van de Spaanse biënnales. Zoals die van Sevilla, waar de grote dansers, zangers en musici optreden en zich laten toejuichen door eigen flamencovolk.

En zoiets dan in Nederland. Waar, we moesten het toegeven, een bovengemiddeld groot aantal flamencoliefhebbers huisde, van aficionados van het betere gitaarwerk uit de 'flamenco nuevo' (Paco de Lucía, Gerardo Nuñez), tot workshopdames die zich in ruisende jurk met noppen ook wel eens heel sierlijk vrouw wilden voelen.

Maar deze twee bloedgroepen van de flamenco-aanhang in Nederland werden al ruimschoots bediend in reguliere programmering, in die wereldpodia, in de theaters. Had zo'n biënnale nu wel wat toe te voegen, en, een nog nijpender vraag, zouden de zalen bij zo'n plotselinge overdaad wel een beetje vollopen?

Het antwoord blijkt een tweeledig 'ja'. We leven zes jaar later, en we mogen de Flamenco Biënnale, dit jaar gehouden van 19/1 t/m 3/2 in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Eindhoven en Groningen, inmiddels een waardig instituut voor de Andalusische kunst noemen.

De organisatie, onder leiding van directrice Ernestina van de Noort, slaagt er prima in een uitdagend festival op te bouwen, dat nooit het hoofd buigt voor de bijna onvermijdelijke clichés van de kunst (de makkelijke dansvoorstellingen uit het toeristencircuit, die polkadot jurken, die bloemen in het haar). Steeds zoekt ze de spanning, en verkent de grenzen van de kunst.

In vernieuwende flamencovormen, die voor een deel van het publiek soms best lastig te verhapstukken zijn, en in flamenco die buiten de Andalusische geboortegronden zijn getreden en fuseert met Zuid-Amerikaanse, Indiase en Balkanklanken en dansvormen.

Een festival dat de wereldtop naar Nederland haalt, en waarnaar dus uit te kijken valt, zelfs voor de meest verwende en onderlegde flamencokenners.

Voorbeeld: de radicale dansvernieuwer Israel Galván maakte zijn Nederlandse debuut al in 2007, bij de eerste editie van de Nederlandse biënnale, en liet daar de monden wijd open vallen.

Het programma van de vierde editie is uitgebreider dan ooit. Het beslaat ruim twee weken en is te zien in zes steden. We mogen ons verheugen over de in Spanje al spraakmakende voorstellingen

Lo Real en La Curva van Israel Galván

, maar zeker ook over het openingsconcert in Carré van de

Madrileense zanger Diego El Cigala

, die zijn flamenco tegenwoordig laat samengaan met tango. De verwachtingen zijn hoog gespannen voor het optreden van de nog jonge

sterdanseres Olga Pericet

, die wonderen kan verrichten met haar lange sleepjurk, de 'bata de cola'. En hoe klinkt klassieke flamencozang eigenlijk uit de strot van een Catalaan, bij het concert van de

Barcelonees Mayte Martín

?

Het volledige programma van de Flamenco Biënnale staat op flamencobiennale.nl.

16 dagen lang podia vol bruisende zang en dans

De absolute ster van de vierde Nederlandse Flamenco Biënnale is 'artist in residence' Carmen Linares, de diva van de diepe zangkunst, de klaaglijke en vanuit de tenen opgestuwde oerzang. Haar stem is rauw en bitter, schor en stekelig soms, en vergt een wat geoefender oor dan dat wat je met liefde openstelt voor de zuivere en meer ijle zang van bijvoorbeeld die andere grote flamencozangeres, Estrella Morente. Maar leer je de verontrustende klaagzang van Linares waarderen, dan grijpt haar stem je ook bij de strot, om je niet meer los te laten.

Carmen Pacheco Rodríguez (Linares, 1951) mag de diepste en meest doorwrochte zangtradities uit de zigeunercultuur beheersen, ze is altijd op zoek geweest naar muzikale verbreding, richting jazz bijvoorbeeld, en wereldmuziek uit Aziatische windstreken. Ze durft ook een lichte toets aan te slaan, in soms bijna naar flamencopop neigende liedjes.

Op de Flamenco Biënnale treedt Linares onder andere aan met het Nederlands Blazers Ensemble, dat een poging zal wagen de plafondklievende stem van Linares binnen de concertzaal te houden. Op het programma staat een 'poëtische reis', langs de dichtkunst van Lorca en Juan Ramón Jiménez. We stappen graag aan boord.

Carmen Linares zingt 19/1 in de Rotterdamse Schouwburg en treedt 27 (Dr. Anton Philipszaal, Den Haag), 30 en 31/1 (Muziekgebouw aan 't IJ, A'dam) op met het Nederlands Blazers Ensemble.

Flamencobiennale.nl

De voorstelling Lo Real van Israel Galván, over de vervolging van de zigeuners door de nazi's, is losjes gebaseerd op de korte film Canta Gitano, een van de eerste films van de Frans-Algerijnse regisseur Tony Gatlif, uit 1982. We zien de danser Mario Maya, Galváns leraar, dansen tussen de rails, en rond dramatische taferelen in een Duits concentratiekamp.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden