Raszuiver

Als eerste overheid besloot Zweden in 1921 tot het oprichten van een rasbiologisch instituut. Een pijnlijk hoofdstuk, waaraan de Zweed niet graag wordt herinnerd. De fotograaf Michiel Brouwer heeft de restanten van dit verleden vastgelegd in het boek Lapponensis.

DOOR ANGELA WALS FOTO'S MICHIEL BROUWER

Michiel Brouwer sjort aan de klink van de kelderdeur van een oud universiteitsgebouw in Uppsala. Het gebouw, waarin vroeger het anatomisch instituut zat, staat voor een groot deel leeg. We zijn een hek overgeklommen om op het terrein te komen. 'Shit, de deur zit vast.'

Brouwer, een Zweeds-Nederlandse fotograaf, zet een stap naar achteren en duwt met zijn schouder tegen de deur. Die schiet open. De kelder was vroeger een van de twee balsemkamers van de universiteit, een ruimte waar botten werden schoongemaakt en lichamen in alcohol werden bewaard. Brouwer stapt het donker in. 'Ik ben benieuwd of de alcoholbaden er nog staan.'

Twee jaar geleden liep de fotograaf door dezelfde kelder. Om de sleutel te krijgen, had hij zich bij de beheerder voorgedaan als een fanatieke geneeskundestudent die álles wilde weten van de oude anatomische wetenschap. Zijn camera had hij 'toevallig' in zijn tas zitten. Brouwer (27) had kunnen uitleggen dat hij onderzoek deed naar rasbiologie, een omstreden en achterhaalde tak in de wetenschap die werd beoefend in deze stad, 70 kilometer boven Stockholm. Wetende hoe gevoelig dit onderwerp in Zweden ligt, acteerde hij de rol van student. Met eerlijkheid was de kelderdeur waarschijnlijk dicht gebleven. En had zijn boek Lapponesis een hoofdstuk minder gehad.

'Ze staan er nog', zegt Brouwer als hij de lichtschakelaar heeft gevonden. In een wit betegelde ruimte staan vijf zinken baden met deksels erop. Brouwer trek een deksel open en wijst naar het blauw uitgeslagen metaal. 'Hier werden lichamen bewaard. En met die lift', Brouwer wijst naar een gat in de muur, 'werden ze naar boven gebracht en vervoerd naar het anatomisch theater, iets verderop, voor de anatomieles.'

De in onbruik geraakte balsemkamer lijkt luguber, maar misstaat niet in een universiteitsstad met een academisch ziekenhuis. Het prepareren van lichamen is onderdeel van de medische wetenschap. 'Nog steeds', zegt Brouwer. 'De ruimte krijgt pas een dubbele lading als je weet wat voor wetenschappers hier nog meer rondliepen.'

In 1921 besloot de Zweedse overheid om in Uppsala een rasbiologisch instituut op te richten, het eerste instituut ter wereld met die functie. Doel was om de verschillen tussen de rassen in Scandinavië te onderzoeken en zo het Zweedse ras zuiver te houden. Tussen 1921 en 1958 werden zo'n honderdduizend personen én botten opgemeten, beschreven en ingedeeld in rassoort. Grote interesse ging uit naar de Sami, toen nog Lappen genoemd - een van oorsprong nomadisch volk uit het noorden van Scandinavië en de grootste minderheid van Zweden.

De rasbiologen bedachten nieuwe leermethoden voor middelbare scholen, organiseerden tentoonstellingen over raskenmerken en gaven college op universiteiten over rashygiëne en het gevaar van mengen van rassen. Ook voerde het instituut allerlei maatregelen uit om het 'Lapse ras' van de arische Zweden af te scheiden of ze zo snel mogelijk te verzweedsen. Het instituut stond model voor gelijkaardige studiecentra in andere landen, onder meer in nazi-Duitsland.

De rasbiologie is een lastig hoofdstuk in de geschiedenis van Zweden als socialistische modelstaat. Het is geen geheim, elke Zweed weet ervan af, maar zwijgen is al jarenlang het parool. Vooral de overheid houdt zich stil. In de archieven van de universiteit liggen dozen vol stoffelijke overschotten van onderzochte Sami opgeborgen. Een deel van de botten is door de ras-biologen gestolen van begraafplaatsen. Af en toe verschijnt er een artikel over Sami die hun opa of oma terugeisen voor herbegraving. Soms lukt dat.

In de hoop het onderwerp wat toegankelijker te maken, ging Michiel Brouwer op zoek naar beelden uit deze periode. Hij maakte vrienden, veelal Sami, maar ook een paar vijanden, veelal ambtenaren. Iemand tipte hem over deze kelder die in redelijk oorspronkelijke staat zou zijn. De rasbiologen mochten van alle faciliteiten van de universiteit gebruik maken: de bibliotheek, het anatomisch theater en dus ook de balsemkamers.

Bouwer loopt door naar een andere ruimte. Hij weet het niet zeker - veel documentatie is verdwenen - maar de kans is groot dat de rasbiologen hier werkten. 'Op een steenworp afstand staat het gebouw waarin het instituut zich in 1921 vestigde. Er was zo'n werkplek nodig om lichamen te bewaren voor hun eigen anatomielessen. Hier konden ook de botten worden schoongemaakt en gebleekt die ze uit graven hadden geplunderd.'

Brouwer bukt bij een paar kisten, trekt er een open en buigt voorover. 'Nu ruik ik alleen nog een zwavelachtig luchtje. Twee jaar geleden zaten hier nog menselijke resten in.'

Brouwers grootste vondst lag in het Medisch Historisch Museum van Uppsala: een staal van 28 haarstrengen, van hoogblond tot zwart. Het was een uitvinding van Herman Lundborg (1868-1943) - arts en de eerste leider van het instituut. De haarlokken werden gebruikt om te zien hoe 'Laps' of Zweeds iemand was.

Lundborgs theorie: hoe blonder het haar, hoe Zweedser. Zijn onderzoek had niet alleen als doel de raciale verschillen te documenteren. Voor hem gold ook: hoe Zweedser, hoe beter. De Zweedse ariër werd als superieur uitgangspunt genomen. En de beste Zweed was, volgens Lundborg, hoogblond.

In het museum worden we verwelkomd door de curator Eva Ahlsten - historicus, verpleegster én botdeskundige. Zij vond de strengen in een van de overvolle kelders van het museum. Het zat in een onbeschreven, kartonnen doos, verstopt tussen twee rijen boeken. Net als Brouwer wil ze graag van de krampachtigheid over de rasbiologische wetenschap af. Brouwer mocht daarom Lundborgs meetinstrument fotograferen. Hij hoopt nu dat het is tentoongesteld. Een medisch historisch museum zou daar een perfecte plek zijn, vindt hij.

Ahlsten leidt ons rond door een grote ruimte vol vitrines met oude doktersinstrumenten. Ze benadrukt dat de osteologie, het bestuderen en vergelijken van botten, in essentie geen verwerpelijke wetenschap is. Zweden had in de jaren twintig de grootste bottencatalogus in Europa.

De universiteit van Uppsala stond erom bekend en had een goede naam. Samibotten werden aan andere universiteiten doorverkocht. Meten is weten, was het credo van die tijd. Ahlsten: 'Het gaat pas mis als je een ras als ondergeschikt of superieur gaat bestempelen. En dat deed Herman Lundborg. Hij was een slecht leider op een te hoge positie.'

Naast het aanleggen van een grote 'bottenbibliotheek' werden onder Lundborgs leiding ook ongeveer honderdduizend Zweden gefotografeerd en opgemeten. Dit gebeurde onder meer tijdens expedities naar het hoge noorden, waar veel Sami woonden. De haarlokken werden bij het haar van de Sami gehouden en daar werd, als een mugshot, een foto van gemaakt. Zo kon Lundborg er later in zijn studeerkamer rustig naar kijken. Brouwer: 'Hij kwam er alleen achter dat veel Sami boven de poolcirkel, zeker richting de Finse grens, erg blond zijn. Dat was een probleempje.'

Het zou niet de laatste keer zijn dat Lundborg ernaast zat. Ahlsten: 'Hij bekeek ook de vorm van de ogen en mat de afstand ertussen.' Brouwer: 'Hoe smaller de ogen, hoe Aziatischer. Maar toen de wetenschappers tijdens hun veldwerk iets verder naar het noorden gingen, zagen ze dat daar ook mensen met ronde gezichten en ronde ogen wonen. Niet alle Sami hebben een Aziatisch uiterlijk. Toen moest Lundborg iets anders verzinnen om ze als tweederangs ras te kunnen wegzetten.'

'Weet je wat ironisch is?', zegt Brouwer. Ahlsten vult hem meteen aan: 'Lundborg was getrouwd met een Sami.' Brouwer: 'Een stadse weliswaar, maar toch.'

Aan het einde van de rondleiding hebben we nog geen haarlok gezien. Brouwer: 'Eva, waarom stel je ze niet tentoon?' Ahlsten: 'Ik zou wel willen. Ik heb de overheid om toestemming gevraagd, maar die krijg ik niet. Ook de botten die in de kelder liggen, onder anderen van Sami, maar ook uit Brazilië en Hawaï, mag ik niet laten zien. Ik weet niet waarom. Ze schamen zich, denk ik.' Ahlsten draait zich naar Brouwer en zegt: 'Att lägga locket på'. Brouwer: 'Dat is Zweeds voor: in de doofpot stoppen.'

Of ze de haarlokken toch even uit het depot wil halen? Nu we er zijn, willen we het pronkstuk graag zien. Ahlsten: Ik heb het niet meer. En ik weet niet waar het is.'

Brouwer fronst. Ahlsten legt uit dat het meetinstrument is opgevraagd voor een reizende tentoonstelling over de invloed van de nazi's op de wetenschap in Zweden. Een verdraaiing van de geschiedenis, maar goed. Brouwer is blij dat het instrument voor publiek is te zien. En waar is die tentoonstelling nu? Ahlsten denkt in het Upplandsmuseet, het stedelijk museum van Uppsala.

Een half uur later staart Brouwer in het stedelijk museum naar een vitrine. Er hangt een grote foto van Herman Lundborg. Hij heeft een doktersjas aan, een vlinderdas om en zijscheiding in zijn blonde haar. Lundborg poseert met vulpen en liniaal. Bij de foto staat de tekst: Ett friskt folk av god rasbeskaffenhet är vår största rikedom. Brouwer: 'Dat is Lundborgs beroemde quote. Het betekent: 'een volksmateriaal van een goed ras, is een lands grootste rijkdom.' Dit is een bekende foto van de professor, koel en gevoelloos. Ik heb het portret ook in mijn boek gezet.'

Voor de reizende tentoonstelling is een kleine hoek in het museum vrijgemaakt. In de vitrines hangen foto's van Sami die worden opgemeten, een groepsfoto van de rasbiologen en er liggen een paar meetinstrumenten. Aan de muur hangt een nazivlag. Maar geen haarklosjes.

Brouwer loopt zuchtend het museum uit. 'Hier was ik al bang voor: de tentoonstelling is veel te algemeen. Rasbiologen die schedelmetingen verrichten - verder dan die informatie komen ze niet. En dan gaat het vervolgens over de kruisbestuiving tussen Duitse en Zweedse nazi's. Natuurlijk, er zaten nazi's in Zweden, er zaten er genoeg. Maar zo'n tentoonstelling moet toch echt beginnen met de zin: Zweden was het éérste land land ter wereld met een instituut dat in opdracht van de overheid moest uitpluizen hoe het land een homogene bevolking kon krijgen. Dat begon al in 1921, ver voordat Adolf Hitler aan de macht kwam. En het ging door tot 1958 toen het instituut de deuren sloot, ver nadat Hitler dood was.'

'Waarom wordt niet verteld dat mannen werden gecastreerd? Dat in het noorden van Zweden kinderen van hun ouders werden gescheiden en honderden kilometers verderop in steden op kostscholen werden gestopt waar ze alleen Zweeds mochten praten? Waarom leer ik hier niet dat vrouwen werden gesteriliseerd? Of dat de rasbiologen een wedstrijdje 'wie is de beste ariër' uitschreven in dagbladen, waarin vervolgens een foto van de winnaar - een lange, hoogblonde Zweed - én de grote verliezer - een kleine, donkere Sami - werd gepubliceerd? En dat op middelbare scholen als lesmethode schedels van Sami en Zweden werden gevuld met graan, om aan leerlingen te laten zien dat er meer graankorrels pasten in de Zweedse schedel en het Zweedse ras dus zonneklaar slimmer was?'

Brouwer loopt een straat in, de heuvel op. 'En dan is er een uniek instrument, 28 mensen waren er voor nodig om het te maken, het is perfect om een deel van deze verzwegen geschiedenis te verbeelden, en is het een raadsel waar het is gebleven.'

Hij stopt op een kruispunt en spreidt zijn armen. 'Dít was het hart van de rasbiologie.' Op het kruispunt staat het anatomisch theater, de bibliotheek en het gebouw waar het instituut in zat. 'En vanuit die kerk', hij wijst naar de dom van Uppsala, 'zijn Sami onder dwang bekeerd. In deze stad is alles aanwezig om de geschiedenis van een verwerpelijke, maar ook interessante wetenschap te vertellen. Er zijn kelders vol botten, archieven met foto's en meetinstrumenten. Maar niets krijgt een podium. Ja, er is blijkbaar een tijdelijke, algemene expositie, maar die zwijgt over het lot van de Sami. De kelder met de zinken baden: niemand weet wat ze symboliseren.'

Brouwer steekt zijn handen in zijn broekzakken. 'Op zo'n dag als deze heb ik het gevoel dat ik de enige ben die het belangrijk vind om hier beeld bij te hebben. Geen enkel land heeft een schoon verleden. Maar het onvermogen om daar in het heden eerlijk over te zijn, frustreert me.'

WIE IS MICHIEL BROUWER?

Michiel Brouwer (1985), geboren in Alkmaar, groeide op in Noord-Zweden. Hij was 3 jaar toen zijn ouders emigreerden om in een woongemeenschap voor geestelijk gehandicapten te werken. Na de middelbare school keerde Brouwer terug naar Nederland. Hij volgde de fotografieopleiding aan kunstacademie St. Joost in Breda. In een Zweedse krant had hij een artikel gelezen over Sami, 'Lappen', die het skelet van hun oma en opa terugeisten uit een archief. Geïntrigeerd door dit vreemde bericht, dook hij de geschiedenis van dit van oorsprong nomadische volk. Na vier jaar kwam er een boek: Lapponensis, over de invloed van de Zweedse rasbiologie op de Sami in Noord-Europa. Eind 2012 ging hij terug naar Zweden. Daar werkt hij nu samen met Anders Sunnas - Sami en kunstenaar - aan tentoonstellingen voor middelbare scholen.

POLITIEKE RASSENHYGIëNE

Wetenschappers van het rasbiologisch instituut in Uppsala legden met hun werk het fundament voor de sterilisatiewet, die in 1934 werd aangenomen. Tot 1975 zijn ongeveer 60 duizend personen, veelal vrouwen, gesteriliseerd omdat zij werden beschouwd als 'minderwaardig' of omdat ze van 'slecht of gemengd ras' zouden zijn. Niet alleen Sami ondergingen de ingreep, ook sociale probleemgevallen, zoals alcoholisten of epilepsiepatiënten. Het sterilisatieprogramma kreeg in 1997 aandacht toen het dagblad Dagens Nyheter een serie publiceerde. Veel Zweden reageerden geschokt, ook al waren veel feiten bekend. Maciej Zaremba, auteur van de serie: 'De overheid heeft dit probleem altijd willen verzwijgen omdat het de mythe verstoort van de Zweedse welvaartsstaat waarin iedereen gelijk is en de zwaksten worden beschermd.'

LEVEN IN DE DIERENTUIN VAN STOCKHOLM

Als onderdeel van het folkloristisch tafereel 'Zo leven de Sami' woonde Sara Larsen elk jaar tijdelijk in de zoo van Stockholm.

In Skansen, het openluchtmuseum en de dierentuin van Stockholm, staat een traditionele Sami-hut. Sara Larsson, geboren in 1919, groeide op in deze hut. Elk jaar, na de winter, verhuisde haar familie van hun huis in Östersund naar het museum. Daar kregen ze de taak om voor de rendieren te zorgen. Ze liepen rond in de kleurrijke kledij, die normaal alleen op feesten werd gedragen, en zij beoefenden 'typische' handarbeid. Het moest er zo authentiek mogelijk uitzien. Nieuwsgierig naar dit exotische nomadenleven, bezocht de vrijwel de complete Stockholmse bourgeoisie de hut. Sara genoot van de aandacht en overdreef de verhalen van haar grootouders graag voor haar publiek. De realiteit was alleen dat ze al behoorlijk waren verwesterd. De meeste Sami spraken Zweeds en waren bekeerd tot het christendom. Het museum had de hut, toen al verlaten, uit de provincie Jämtlands län gehaald, gerenoveerd en er rendieren bijgezet. Generaties scholieren die Skansen bezochten, wisten niet beter of Sami leefden in hutten en trokken rond met dieren. Dit beeld, gevoed door de verhalen van Sara Larsson, bleek hardnekkig en is lang aan de Sami blijven plakken. Nu staan er houten rendieren en acteurs in klederdracht bij de hut. Sinds een jaar hangt er een bord waarop staat dat Sami niet meer als nomaden leven.

Lapponensis, 85 euro. Te koop via lapponensis.com. Het ontwerp van het boek is genomineerd voor de European Design Awards. De prijzen worden in juni uitgereikt tijdens de Belgrade Design Week in Servië.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden