Ranglijstjes slaan nergens op

De mode om de prestaties van landen in ranglijstjes te vatten komt voort uit verkeerde ideeën over economisch beleid, vinden Merijn Rengers en Sheila Sitalsing....

Nederland is in last. Lijstjes te over om dat te bewijzen. Dertiende bij het Eurovisie Songfestival, niet gekwalificeerd voor het laatste Wereldkampioenschap voetbal, nog maar net zwevend boven de Derde Wereld wat betreft 'investeringen' in onderwijs, 'achterlopend' in innovatiekracht en kennis, hekkensluiter economische prestaties in Europa en - o jee! - gekelderd op de ranglijst van concurrentiekracht van plek één naar plek acht. Je zou haast emigratie overwegen. Vooral de vermeende economische wanprestaties leiden tot politieke commotie. De zorgen hierover worden gevoed door de missie die de Europese Unie zichzelf heeft gesteld: in 2010 'de meest concurrerende economie ter wereld' worden. Wat dat nou echt betekent, kan niemand goed uitleggen, maar het gaat in ieder geval om 'winnen' van rest van de wereld - en vooral van de VS. Dat klinkt helder: eindelijk eens een economische doelstelling die iedereen begrijpt.

Het lijstjescircus en het gejeremieer over de economische wanprestaties van Nederland zouden hilarisch zijn, als ze niet zo gevaarlijk waren. Want het rangschikken van kennelijke economische prestaties is misleidend en een beetje dom. Niettemin omarmt de politiek dankbaar het uit de consultancy overgewaaide concept, en zien lobbygroeperingen er een dankbaar instrument in om hun zaak overzichtelijk te bepleiten.

(Wil je meer publiek geld voor onderzoek en ontwikkeling (R & D)? Tover een ranglijstje te voorschijn, waaruit blijkt dat Nederland minder investeert in R & D dan pakweg Finland. Dat oogt objectief. Kamerleden schrikken zich een hoedje, en hopla, er is weer een buidel geld binnengeharkt.)

Lijstjes van So what-indicatoren noemt Steven Keuning, oud-directeur van het Centraal Bureau voor de Statistiek en nu hoofd statistieken bij de Europese Centrale Bank, ze heel treffend. Goed, dan is Nederland 'gekelderd' van plaats één naar plaats acht op de lijst van meest concurrerende landen. Of dan geeft Nederland minder uit aan R & D dan de Finnen. So what? Is dat slecht 'voor de economie'? Says who?

De lijstjes met kwesties als 'concurrentiekracht' en 'onderwijsinvesteringen' berusten op onjuiste uitgangspunten, ze kloppen vaak niet en ze leiden tot verkeerde ideeën over economisch beleid. Want:

Een land is geen onderneming.

Achter de lijstjes schuilt de veronderstelling dat landen net bedrijven zijn, met een winst- en verliesrekening. Maar de economie van een land is niet zomaar in een of twee getallen samen te vatten en te rangschikken. Bovendien hebben landen uiteenlopende ideeën over de inrichting van hun samenleving en economie. Dat kan resulteren in een collectivistisch systeem met hoge belastingen en veel sociale voorzieningen of in een op-eigen-krachtsysteem met lage belastingen en amper vangnetten.

De economische keuzes van de overheid - investeringen in onderwijs en innovatie incluis - zijn een direct uitvloeisel van deze opvattingen. Sec de belastingdruk tussen landen vergelijken, of de innovatiekracht of de R & D investeringen, zegt dus weinig. Het suggereert een schijnexactheid, die nog versterkt wordt door hoe de lijstjes opgesteld worden, want:

Veel lijstjes betreffen uitgaven en niet de uitkomsten.

Op de lijstjes worden doorgaans de euro's die landen spenderen gerangschikt. Een internationale vergelijking van de bedragen die de Nederlandse overheid steekt in onderwijs, research, ontwikkelingshulp of de zorg op zich zegt echter weinig. Wat telt is de uitkomst: wordt het doel bereikt? En gebeurt dit op een efficiënte manier? Soms is het efficiënter om bepaalde beleidsterreinen aan de private sector over te laten, of aan het buitenland. Dat laatste stuit velen tegen de borst, uit misplaatst protectionisme van 'onze technologie' of 'onze kennis' of 'onze reputatie'.

Van doelmatigheid en efficiëntie van overheidsinvesteringen zijn opvallend minder lijstjes. Logisch: dat is veel moeilijker te achterhalen.

Landen concurreren niet zoals een autofabriek.

Onze welvaart is geen eindige koek die in een wedstrijd verdeeld moet worden tussen landen die als bedrijven met elkaar concurreren. Integendeel: meestal trekt de welvaartsgroei in het ene land zich op aan die in het andere land, omdat rijkere landen meer te besteden en te verhandelen hebben.

Vertaald naar lijstjes: als iedereen twee keer zo hard groeit, blijft de hekkensluiter de hekkensluiter. Maar in absolute termen is ook dat land 'erop vooruit gegaan'. En de absolute termen tellen. Want:

Relatieve verschillen zijn irrelevant.

Een lijstje suggereert dat een terugval van plek één naar plek zes betekent dat je 60 procent 'slechter' bent gaan presteren of zestig procent minder bent gaan uitgeven aan één of ander nobel doel. Onzin. Het absolute uitgavenpeil kan hetzelfde zijn, terwijl de anderen het 'beter' zijn gaan doen, of meer geld zijn gaan uitgeven.

Voor economische keuzes in een land zijn relatieve verschillen tussen landen niet relevant. Het is van belang dat Nederlandse scholieren zoveel wiskunde leren als de Nederlandse samenleving denkt dat goed is. Dat Duitse of Singaporese kinderen beter of slechter sommen maken, is hooguit leuk voor een vriendschappelijk wedstrijdje.

Kost eventueel 'achterblijven' in bijvoorbeeld wiskunde op termijn geen banen? Dat is veel te simpel geredeneerd. Want:

Het gaat om comparatieve voordelen.

De gangbare reactie als we kelderen op een ranglijst (rekenvaardigheid, R & D of wat dan ook) is dat er extra geld naar dat nobele doel zou moeten. Dat is een Pavlovreactie met ongewenste gevolgen. Want beleidsmakers horen te kijken naar het comparatieve voordeel. Oftwel: waar levert een geïnvesteerde euro het meeste op in termen van een nader te kiezen doel: milieu, sociaal welbevinden, welvaart of werkgelegenheid bijvoorbeeld. Dat zijn politieke keuzes.

En voor Nederland zou het heel wel kunnen zijn dat het wenselijker is om te investeren in de dienstensector en de R & D over te laten aan een ander. België is al aan de haal gegaan met 'onze' R & D door Philips veel geld te geven om in België op innovaties te komen broeden. Dat lijkt Heel Erg. Maar misschien is het wel prima dat België overheidsgeld in Philips wil pompen. Dan kan Nederland zijn euro's elders besteden, en straks de innovaties - goedkoop! - terugkopen uit België.

Bèta's worden ongerust van dit soort redeneringen. Ze gaan dan omstandig voorrekenen dat elke arbeidsplek in de R & D veel afgeleide werkgelegenheid oplevert. Het is hetzelfde verhaal dat de transport- en havenlobby in Nederland van stal haalt zodra er gezeurd wordt over milieuvervuiling in de Rijnmond: elke arbeidsplaats in de Rotterdamse haven zou ook al zoveel extra werk genereren door het ganse land. Dit soort berekeningen kan elk consultancybureau maken op verzoek van de branche, met elke gewenste uitkomst.

Weg dus met de lijstjes. Het enige lijstje met snoeiharde feiten waar we niet omheen kunnen, is dat met die dertiende plek op het Songfestival. Kijk, dát is nu reden tot schaamte en zorg.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden