Essay

Racisme is lastig te bestrijden als niemand het woord mag uitspreken

Iedereen erkent dat racisme bestaat, maar bijna niemand accepteert een beschuldiging ervan. Als het woord zo beladen is, hoe voer je dan nog een ongemakkelijk gesprek?

null Beeld Zeloot
Beeld Zeloot

De lijst met zelfverklaarde niet-racisten is lang. De columnist die ‘een kindervriend wil die uit de schoorsteen komt’, de man met snor in het voetbalprogramma die moppert over ‘het geintje dat zeker ook al niet meer mag’. De werkgever die liever Mark aanneemt dan Mohammed, de agent die ‘alleen de pakkans wil vergroten’. De BN’er die terloops aan het menu van de afhaalchinees refereert, de hoogleraar die stelt dat het leven in slavernij zo ellendig nog niet was, de politicus die graag wat minder Marokkanen wil. De juf die vreest dat het vwo toch te hoog is gegrepen, de mannen en vrouwen die ‘zelfs multiculturele vrienden’ hebben en ‘het niet zo bedoelden’ toen ze de zwarte columnist dood wensten van achter hun toetsenbord.

Het lijkt er soms op dat een voorval pas als ‘echt racistisch’ kan gelden als de zender het zelf zo ervaart. Dat ondanks toevoegingen als alledaags en institutioneel, de racist zelf louter in neonletters en uitroeptekens bestaat. In extremen en expliciet geweld. In Ku Klux Klan, skinhead of kampbeul. Een echte racist is boosaardig, een vertolker van wandaad en kwaad, een karikatuur van slechtheid tot op het bot – en wie ziet dat in zichzelf?

Zo kan het gebeuren dat de meest openlijk racistische politicus van Nederland zelfvoldaan verkondigt hoe absurd het is hem van racisme te betichten. Oud-Ombudsman Alex Brenninkmeijer noemde de toeslagenaffaire een racistische affaire, omdat ‘er een racistische benadering is gebruikt’. Dat hij de noodzaak voelde daaraan toe te voegen ‘al mag je het woord racisme in Nederland niet gebruiken’, is illustratief.

Het plaatst ons in een curieuze, paradoxale werkelijkheid, waarin (bijna) iedereen erkent dat racisme bestaat, hoe ontzettend onwenselijk dat is en zelfs de premier het woord ‘systemisch racisme’ in de mond heeft genomen – maar de racist een haast onvindbare ander is. Het is lastig strijden tegen raciale ongelijkheid en mechanismen van uitsluiting en marginalisering als het kernwoord nauwelijks kan worden gebruikt. Is de impasse te doorbreken?

Racistisch beleid

Een invloedrijke denker van dit moment op het gebied van racisme en de bestrijding ervan is de Amerikaanse historicus Ibram X. Kendi. Kendi zegt, kort samengevat: focus op macht, op politiek en de uitkomst van beleid. Draagt beleid bij aan ongelijkheid, dan is het racistisch beleid, eventuele bedoelingen ten spijt.

Erken dat de verantwoordelijkheid tot verandering bij de machthebbers ligt en niet bij de mensen die geen keuze hebben in het systeem zoals het bestaat, schrijft hij. En dat de westerse maatschappij is gebouwd op racistische grondvesten, die niet vanzelf verdwijnen door te zwijgen, hard te werken of te wachten.

Kendi’s woorden bieden houvast voor wie zich ‘weggezet voelt als’, voor wie boos wordt van het gevoel: ik ben wit, ben ik nu automatisch gediskwalificeerd? Racisme erkennen is namelijk geen kwestie van schuld, van daders en slachtoffers, of van ‘ik stam helemaal niet af van een plantage-eigenaar’, maar van inzien hoe de wereld van toen ons heden heeft gevormd.

Of iemand discriminerende denkbeelden of opvattingen over rassensuperioriteit heeft, interesseert hem niet, zegt Kendi vaak in interviews. ‘Je kan niet in de harten en hoofden van mensen kijken.’ Kendi is hoogleraar geschiedenis aan de Boston Universiteit, daarvoor leidde hij een antiracisme-instituut in Washington. In zijn bestseller How to Be an Antiracist (2019), deels memoires, deels handboek, beschrijft Kendi wanneer hij – naar zijn definitie – zelf een racist was. Net als Obama, aldus Kendi, maakte hij zich schuldig aan ‘blaming the victim’ toen hij over de zwarte gemeenschap schreef: ‘We moeten gewoon beter ons best doen.’

Pejoratief

Het woord racist is verworden tot pejoratief, schrijft de hoogleraar. Pejoratieven zijn woorden die ooit neutraal en beschrijvend waren, maar inmiddels een negatieve connotatie in zich dragen. Volgens hem moet ‘racist’ (of ‘racistisch’) weer een louter beschrijvende betekenis krijgen. We moeten het woord ontdoen van de lading.

Alleen dan kun je aantonen dat wie geen kwaad in de zin heeft, nog steeds kwaad kan doen onder het mom van ‘ik zie het niet zo’, ‘maar dit is toch onschuldig’ en ‘de beste bedoelingen’.

‘De beschuldiging van racisme is ongeveer het ergste wat je iemand kunt aandoen’, zegt ook Gloria Wekker vanuit haar werkkamer, in een gesprek via Zoom. De antropoloog en emeritus hoogleraar gender en etniciteit (Universiteit Utrecht) publiceerde in 2016, ter afsluiting van haar academische carrière (ze woonde en werkte lang in de VS), het boek Witte onschuld. Daarin werpt ze onder meer licht op de ontkenning ‘maar ik ben geen racist’ die mensen volgens haar ‘in de mond bestorven ligt’. ‘De meerderheid van de Nederlandse bevolking heeft een diepgeworteld positief zelfbeeld: wij zijn niet racistisch. Het is ook een gebrek aan nieuwsgierigheid, het niet willen zien dat racisme een systeem is waarin we allemaal verwikkeld zijn.’

Racisme is iets van een kleine groep mensen met verkeerde opvattingen, is de gedachte. ‘Altijd bevinden die mensen zich in de marge van de samenleving’, zegt Wekker. ‘De rest is te keurig voor racisme.’

Definitie van racisme

Wie zich beschuldigd meent, grijpt voor ontlastend bewijs wild om zich heen. Het woordenboek komt ter tafel, in de hoop op een helder taalkundig eindoordeel. Zo zit behalve de associatie met ‘uitschot’, foute lieden, monsters, duivels en de Holocaust, ook de definitie in het woordenboek een inhoudelijk gesprek over racisme regelmatig in de weg. Als een doodlopende groef die ons ervan weerhoudt verder te kijken dan de eigen straat of dieper af te dalen in onszelf.

‘Er staan geen racistische columns of uitlatingen in de Volkskrant’, schreef hoofdredacteur Pieter Klok afgelopen zomer, vanwege een omstreden column en in antwoord op zijn eigen vraag of ‘je iemand zomaar een racist mag noemen of een uitlating als racistisch mag kwalificeren’. ‘Tenzij je er een andere definitie van racisme op nahoudt dan de Van Dale voorschrijft.’

‘Woorden zijn wapens en strijdperk tegelijk’, reageerde Volkskrant-columnist Kustaw Bessems op het stuk van Klok. ‘Wie de betekenis bepaalt, heeft al half gewonnen.’

Ook Kennedy Mitchum, een 22-jarige student uit Missouri in de VS, merkte dat mensen in gesprekken over racisme steevast het woordenboek aanhaalden. Ongelijke kansen in de maatschappij? Dat kon ze geen racisme noemen. Bovendien hadden de mensen die geen racist zijn ‘niks tegen haar’.

Racisme is meer dan zeggen dat je een hekel hebt aan zwarte mensen, probeerde Mitchum, meer dan marcherende mannen met vlaggen die geloven in witte suprematie. Ze wilde het hebben over het collectieve effect van racistische vooroordelen in alle lagen van de maatschappij. Over hoe zo’n wijdvertakt denksysteem ervoor zorgt dat iemand met haar huidskleur bij elke stap in het leven niet een of twee, maar misschien wel tien extra te nemen of onneembare hordes aantreft.

Maar door het woordenboek bloedde elk gesprek dood.

Nieuw lemma

Op een avond in de zomer vol protesten voor gelijke behandeling besloot Mitchum een mail te sturen naar Merriam-Webster, de uitgever van Amerika’s voornaamste woordenboek. Met een verzoek tot uitbreiding van het lemma over racisme. De uitgever en hoofdredacteur gaven Mitchum gelijk. Als de maatschappij verandert, veranderen taal en woordenboek mee, schreven ze haar.

Het lemma is inmiddels uitgebreid met de toevoeging: ‘de systemische onderdrukking van een raciale groep met een sociaal, economisch en politiek voordeel van een andere groep tot gevolg’. De voorbeelden die volgen: etnisch profileren door de politie, discriminatie op de huizenmarkt, ongelijke kansen op scholen, beperktere toegang tot goede gezondheidszorg. Diverse antiracismedenkers worden in de voorbeelden geciteerd.

Van Dale spreekt van de ‘de op­vat­ting dat het ene ras su­pe­ri­eur is aan het an­de­re’ en ‘het ma­ken van on­der­scheid tus­sen per­so­nen van ver­schil­lend ras’. In de online, gratis versie is het woord ‘ras’ vervangen door ‘huidskleur’ en is ‘slecht behandelen’ toegevoegd.

Hoewel de definitie ‘taalkundig juist’ is, zou linguïst, lexicograaf en woordenboekmaker Vivien Waszink (Universiteit Leiden) het ‘een heel goed idee’ vinden om meer voorbeelden toe te voegen van wat zoal racistisch is, zodat mensen niet wegkomen met ‘ik zie het niet zo’. ‘Subtielere of onbewuste vormen van racisme blijven nu buiten beschouwing. En ook hoe racisme in het systeem zit, blijft onbenoemd.’

Gloria Wekker noemt ‘de haast pavloviaanse ontkenning’ een cruciaal struikelblok: als er geen probleem is, valt er tenslotte weinig op te lossen. En die ontkenning komt, net als racisme zelf, in veel verschijningsvormen. Zoals in de ‘vogelvrijheid’ van het onderwerp. Ze noemt het een vorm van minachting: dezelfde mensen die racisme niet kennen, weten er tóch alles van af. ‘Dus Jort Kelder mag een debat over racisme leiden en we vragen aan Wesley Sneijder of racisme in de voetbalwereld bestaat.’

Holle frasen

Soms lijkt het alsof er over racisme louter in holle frasen wordt gecommuniceerd: van zeggen ‘ik ben voor gelijke behandeling, maar dat drammen en zeuren van jullie werkt averechts’. Van: ik heb ook hard moeten werken, je benadrukt het wij-zijdenken, doe gewoon je best, pas je aan, dan komt het wel goed.

Hoe komt een maatschappij of individu tot zelfreflectie als taal niet toereikend is, zelfs obstakel voor een inhoudelijk gesprek? Want wie dezelfde taal spreekt, zou elkaar moeten verstaan, en dat is in het geval van racisme vaker niet dan wel het geval.

‘Zeggen ‘ik ben geen racist, maar...’ is meestal een signaal dat er iets racistisch of aanstootgevends gaat volgen’, zegt Yvette Linders, coördinator van het Centrum voor Retorica (Radboud Universiteit). Linders houdt zich bezig met framing en de invloed van taal op de manier waarop we denken. Ze noemt de zin ‘bijna altijd een bewuste of onbewuste leugen’. Waarom mensen het dan toch zeggen? Omdat de meeste mensen wel de expliciete (beredeneerde) attitude hebben dat je iedereen gelijk moet behandelen, maar niet de impliciete.

Impliciet slaat op automatische associaties: het domein van gevoelens en vooroordelen (‘Marokkaanse jongens zijn crimineel’, ‘zwarte vrouwen zijn boos’). Om dagelijks goed te kunnen functioneren, hebben we voor alles regels en categorieën waar we met een automatische piloot op kunnen reageren. Man, vrouw, jong, oud, licht, donker, het roept altijd een palet aan associaties op en het gros van ons gedrag komt daaruit voort.

Cognitieve dissonantie

Als mensen worden gewezen op hun onbewuste vooroordelen, ontstaat er een soort kortsluiting, zegt Linders. ‘Het botst met hun zelfbeeld van keurig mens, behulpzame buurvrouw of lieve vader, of met het hardnekkige collectieve zelfbeeld dat Nederland een open en tolerant land is. Dat schuurt zo erg, dat zorgt voor zo’n cognitieve dissonantie, dan reageren ze fel.’

Het wrange gevolg van deze begrijpelijke en universele reflex: juist in een samenleving die gelijkheid als mantra heeft, voelt de pijn van racisme nog schroeiender. Het doorbreken van ontkenning lijkt soms doel op zich van antiracismeactivisten, als een sloopkogel die maar woest blijft beuken tegen de cognitieve dissonant. Terwijl het slechts een middel is, onderweg naar een volgende gezamenlijke stap: die van verandering.

Iemand die zich veel in onbewuste associaties heeft verdiept, is de Zuid-Afrikaanse/Australische filosoof Neil Levy. In 2017 verscheen van hem een wetenschappelijk artikel met de titel Am I a Racist? Daarin maakt hij onderscheid tussen drie categorieën van ‘racistisch zijn’: in wat we zeggen te vinden, in wat we voelen en in wat we doen. Zo kan iemand als hijzelf, een ‘overtuigd gelijkheidsdenker’, zowel een beetje racistisch als een niet-racist zijn.

Hij maakt het onderscheid niet om racisme te relativeren, benadrukt hij in zijn stuk. Maar om grijstinten te brengen in een goed/fout- en dader/slachtoffer-tweedeling. En vooral: om de weg tot ‘noodzakelijke zelfreflectie’ vrij te maken.

Nuance

Het zijn niet toevallig vaak witte antiracismedenkers die pogen het beladen begrip te nuanceren. Zij kennen de cognitieve dissonantie als geen ander, stonden soms al decennia geleden op barricades om gelijkheid en een rechtvaardige samenleving (voor vrouw, homo, arbeider of zwarte) te eisen. Dan kan het gevoelsmatig ongepast hard schuren als ze zelf van racisme worden beticht.

En wie zwart is, bruin of met wat goede wil beige van teint, is behalve pechvogel in een racistisch systeem, ook ‘veilig’, met de huidskleur als ogenschijnlijk beschermend argument.

Maar de noodzaak tot reflectie beperkt zich niet tot één kleur. Het is waartoe ook Ibram Kendi zijn lezer of luisteraar uitnodigt: daal af en kijk rond, erken dat je – ongeacht je kleur – bent gevormd door een systeem dat je weliswaar niet hebt gebouwd, maar waarin je wel bestaat. Want als we alleen de grote, overduidelijk racistische splijtzwammen aanvallen, en onvoldoende onderzoeken welke sporen van racisme wij allemaal in ons meedragen, verdwijnen racisme en raciaal denken nooit.

Volgens Kendi manoeuvreren we door het leven als racisten en antiracisten, telkens in een nieuwe situatie handelend vanuit een van beide. Je identiteit is niet statisch, je bent niet voor altijd racist of antiracist. Niemand wordt ‘gecanceld’, je hebt telkens weer de keuze. Maar wie denkt dat-ie niet kiest, houdt zichzelf voor de gek.

Bestaansrecht

Misschien helpt het als mensen zich realiseren dat ‘niet ongelijkheid, maar radicale uitsluiting de kern is van racisme’, schreef filosoof Ivana Ivkovic afgelopen september in het ambtenarenblad Publiek denken. En dat protesten ertegen een strijd zijn om te kunnen zeggen: ik besta. Het is die dimensie van ‘bestaansrecht’ die soms wegvalt in het debat, maar die al bijna een eeuw door antiracismedenkers – van Anton de Kom tot Frantz Fanon – wordt onderstreept. Of, zoals de Amerikaanse schrijver James Baldwin in een televisie-interview in 1969 zei: het is mogelijk om hogerop te komen qua salaris, maatschappelijke positie of functie, en toch op een bepaalde manier niet mee te tellen.

Praten over racisme voelt bij vlagen als zoeken naar woorden met nog meer woorden, als dansen om de hete brij, zonder dichter bij een ‘oplossing’ of verlossende doorbraak te komen.

Al signaleert Gloria Wekker ook lichtpunten, zoals de koning die in zijn laatste troonrede zei dat ‘in ons land iemands huidskleur of naam nog te vaak bepalend is voor zijn of haar kansen’ en dat ‘onaanvaardbaar’ noemde. ‘In 2016, bij het verschijnen van mijn boek, vroegen veel journalisten me nog hoe ik op het idee was gekomen om over het buitenissige onderwerp van alledaags racisme te schrijven.’

Ze ziet het als een belangrijke stap naar de erkenning hoe wijdverbreid racisme is en dat het niet alleen in de extreme uitingen zit, maar juist ook in het alledaagse.

Ergens begint te dagen dat de zoektocht naar de precieze betekenis van het woord racisme zin heeft, juist omdat het gesprek erover lastig, schurend en ongemakkelijk is. Waardoor mensen die het nauwelijks van zichzelf kunnen geloven, beseffen dat ook in hen misschien toch een alledaagse racist huist – zij het onbewust en ongewenst. Want ook als het om racisme gaat, is de cruijffiaanse wijsheid van toepassing: je gaat het pas zien als je het doorhebt.

Populaire drogredenen ter ondersteuning van het standpunt ‘ik ben geen racist, want...’

Tu quoque (de jij-bak): jij maakt ook onderscheid tussen zwart en wit

Ad populum: iedereen vindt [racistisch standpunt] (en dus is het oké)

Cirkelredenering: ik heb geen racistische ideeën

Traditieargument: dat is nu eenmaal zoals we dingen hier altijd geregeld hebben (en dus is het oké)

Stroman/whataboutism: jij zet me nu neer als iemand die meeloopt in allerlei racistische marsen (terwijl de ander dat niet beweerde, maar wel een veel makkelijker te weerleggen punt)

Slippery slope/hellend vlak: als dit al racisme is, dan mag je straks niet eens meer wit zijn

Proof by assertion: ik ben geen racist (vaak herhalen dat het zo is)

Non sequitur (het volgt er niet uit): een van mijn beste vrienden is zwart, mijn zus is getrouwd met een Surinamer

Ipse dixit (omdat ik het zeg): dat is gewoon zo

Ad consequentiam: onwenselijk gevolg, dan zou ik een naar mens zijn en dat kan niet

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden