Raadsels rond geweld op Ambon

De aanhoudende onlusten op het Indonesische eiland Ambon voeden de vrees dat het uitgestrekte eilandenrijk ten prooi valt aan desintegratie....

SINDS NEGENTIEN januari van dit jaar zijn moslims en christenen op het Indonesische eiland Ambon in een gruwelijke strijd verwikkeld. Tot nu toe kwamen meer dan tweehonderd mensen om en raakten er minstens vierhonderd gewond. Duizenden woningen, honderden winkels en tientallen kerken en moskeeën zijn verbrand of verwoest. Een oplossing is nog niet in zicht.

Voor velen is de oorzaak van de burgertwisten een raadsel. Het ruim driehonderdduizend inwoners tellende Ambon staat in Indonesië bekend als een oase van verdraagzaamheid. Getalsmatig houden de twee geloofsgroepering elkaar redelijk in balans. Als er onenigheid uitbreekt wordt dit opgelost via het al eeuwenlang bestaande systeem van pela gandong. Het principe hiervan is dat aangrenzende moslim- en christendorpen elkaar over en weer beschermen en ondersteunen.

De vraag waarom het pela gandong-systeem is ingestort, is niet eenvoudig en ook niet sluitend te beantwoorden. Maar er zijn wel een aantal factoren aan te wijzen.

In de afgelopen vijftig jaar zijn veel Indonesiërs uit andere delen van het eilandenrijk naar Ambon getrokken. Vooral de instroom van Buginezen, Makassarezen en Butonezen, islamitische bevolkingsgroepen uit Zuid-Sulawesi, is aanzienlijk. De ijverige immigranten vonden vooral emplooi als havenarbeider en betjakchauffeur, maar verwierven zich ook een belangrijke plaats in de handel. De nieuwkomers kennen het pela-systeem niet en laten zich er ook weinig mee in. Vanwege hun groeiende economische macht en opvliegende aard zijn ze niet populair onder de oorspronkelijke bevolking.

Het pela-systeem is van binnenuit aan erosie onderhevig. Jongeren, vooral uit de hoofdstad Ambon, laten zich er weinig aan gelegen liggen. Zij kijken liever televisie of gaan naar de disco.

Andere islamitische immigranten, vooral uit Java, hebben in het Soeharto-tijdperk in toenemende mate beslag gelegd op overheidsbanen. Dat steekt de Ambonese bevolking. Gedurende driehonderd jaar Nederlandse overheersing waren ze eraan gewend geraakt dat dit soort functies grotendeels voor hen was en ontwikkelden ze een voorkeur voor witte boordenbanen. De Javanen vormen een directe bedreiging voor de werkgelegenheid.

Sinds het uitbreken van de economische crisis in Indonesië in de zomer van 1997 is ook op Ambon de toestand verslechterd. Het aantal banen loopt gestaag terug en de prijzen stijgen. Verhoudingsgewijs blijft het eiland echter redelijk op de been omdat er bijna geen industrie is. En juist die sector is het hardst getroffen door de economische terugval.

Het christelijke deel van de Ambonese bevolking - ondanks de invloed van moslims nog steeds iets meer dan 50 procent - is verontwaardigd over de aanvallen op kerken elders in het land. In totaal werden in de afgelopen jaren in Indonesië zo'n zeshonderd kerken verwoest waarvan het merendeel in de afgelopen twee jaar. Dat leidt tot wraakgevoelens.

Sinds de val van Soeharto is de macht van de Indonesische overheid en de angst voor het leger in het hele land sterk verminderd. Onlusten die vroeger met harde hand de kop in werden gedrukt, kunnen nu blijven voortwoekeren. De daders vrezen niet meer voor gevangenisstraf.

Een rel die eind vorig plaats vond in de Indonesische hoofdstad Jakarta heeft de verhouding tussen christenen en moslims op het eiland aanzienlijk verslechterd. In de nacht van 21 op 22 november kregen een aantal jonge Ambonezen bij een gokhal in de wijk Ketapan het aan de stok met een lokale parkeerwacht en zijn vader. Vader en zoon werden flink toegetakeld. De ruzie leek daarmee beslecht.

Maar enkele uren later verschenen plotseling meer dan tweehonderd gewapende Ambonezen ten tonele die de voornamelijk door moslims bewoonde wijk binnentrokken om de buurt een lesje te leren. Enkele stenen kwamen terecht in de plaatselijke moskee.

De moslims reageerden furieus en kregen hulp uit omliggende wijken. Binnen een paar uur stierven vijf Ambonezen een gruwelijke dood en werden gebouwen en kerken in de omgeving aangevallen en verwoest. De resterende Ambonezen werden ter nauwernood gered door het leger dat hen aan de politie overdroeg. Die liet ze op enkele uitzonderingen in de dagen daarna weer gaan.

Een week later voerden christelijke jongeren in Kupang, de hoofdstad van West-Timor, aanvallen uit op moskeeën uit wraak voor Ketapan. Na de gebeurtenissen in Jakarta en Kupang werden op Ambon bij diverse kerken en moskeeën wachten geposteerd. De vrees voor uitbreiding van het geweld naar het eiland groeide. Maar het bleef vooralsnog uit.

Tot op 19 januari, het einde van de vastenmaand en de belangrijkste feestdag van het jaar voor moslims. Volgens de Indonesische pers vormde een eenvoudige ruzie tussen een islamitische Buginese passagier en een christelijke Ambonese buschauffeur in Ambon Stad de aanleiding voor alle geweld. Vanaf het begin is die theorie in twijfel getrokken.

Munir, de voorzitter van de Indonesische mensenrechtenorganisatie voor verdwenen personen en tegen gewelddadigheden, Kontras, prikte dat fabeltje twee weken geleden genadeloos door. Een onderzoeksteam van zijn organisatie had vastgesteld dat zich ten tijde van de ruzie al op minstens drie andere plaatsen in de stad grote menigten hadden verzameld. Onder die massa's bevonden zich een flink aantal in de stad onbekende jonge mannen met wapens en mobiele telefoons. Munir tast in het duister over hun identiteit. Maar dat zij de gewelddadigheden hebben geprovoceerd sluit hij niet uit.

In Indonesië is vanaf het begin van de gewelddadigheden gespeculeerd over de rol van provocateurs. Sommige moslimgroepen gaan daarin heel ver. Zij claimen dat er sprake is van een internationale samenzwering onder leiding van de VS met als doel de desintegratie van Indonesië.

President Habibie weigert het conflict religieus te noemen en heeft het voortdurend over criminele elementen. Het leger en de politie zeggen bewijzen te hebben dat er provocateurs op het eiland actief zijn. Ook de strijdende partijen refereren hier voortdurend aan. Maar ieder tastbaar bewijs ontbreekt tot op heden.

Een interessante aanvulling op de provocatietheorie komt van de in Indonesië welbekende zakenman Des Alwi, afkomstig van het kleine Molukse eiland Banda. De koning van Banda, zoals zijn bijnaam luidt, kreeg eind februari de opdracht van president Habibie om de oorzaak van de rellen te onderzoeken.

Alwi was eveneens aanwezig tijdens de rellen in Ketapan omdat zijn bedrijf daar een kantoor heeft. Hij trad volgens eigen zeggen als bemiddelaar op vanwege zijn aanzien en Molukse en islamitische afkomst. De zakenman beschikt sindsdien over een lijst met namen van de Ambonese jongeren die hij als pure criminelen classificeert. Hij is ervan overtuigd dat ze ook betrokken waren bij de rellen van 13 en 14 mei vorig jaar in Jakarta, vlak voor de val van Soeharto.

Samen met anderen staken ze toen overal gebouwen in brand en veroorzaakten ze de snelle verspreiding van de onlusten die in twee dagen aan twaalfhonderd mensen het leven kostten.

Alwi vertelt dat de Ambonezen door de politie in november in vrijheid zijn gesteld op voorwaarde dat ze Jakarta moesten verlaten. De groep reisde vervolgens naar Ambon. Uit gewoonte, lamlendigheid en geldgebrek broedden ze daar in anderhalve maand een plan uit om het kunstje van Jakarta te herhalen. Tegelijkertijd verzekerden ze zich van de steun van honderden lokale jongeren en van vrienden uit andere eilanden, zoals het nabijgelegen Saparua.

Slim inspelend op de sentimenten onder de Ambonezen vielen ze eerst de markt aan waar zich voornamelijk handelaren uit Zuid Sulawesi bevonden. Ze beroofden deze en staken de omliggende gebouwen in brand, vaak met de mensen er nog in.

Gezien de antipathie tegen de Buginezen, Makassarezen en Butonezen oogsten ze enige sympathie, vooral onder het christelijk deel van de bevolking. De tweede dag breidden ze hun acties uit door lokale moslims aan te vallen en voedden ze de religieuze sentimenten door vuren aan te leggen bij godshuizen zoals de grootste moskee van de stad, Al Fatah.

Vanaf dat moment namen de zaken hun eigen loop.

In hoeverre het verhaal van Alwi juist is valt moeilijk vast te stellen. Maar het sluit aan bij de bevindingen van Kontras en vele verhalen van Ambonezen dat er onbekende jongeren aanwezig waren bij het uitbreken van de rellen. Het verklaart eveneens waarom het geweld zo snel om zich heen greep.

Ook de politie zegt over bewijzen te beschikken dat er provocateurs aan het werk zijn. De vraag rijst dan waarom er, met de aanwezigheid van zoveel politie en militairen, geen jacht op hen wordt gemaakt. Vanaf het begin van de onlusten in Jakarta en elders in het land is met name door het leger steeds benadrukt dat de zaak tot op de bodem zou worden uitgezocht. Tot op heden is dat nooit gebeurd. Het zou de geloofwaardigheid en het imago van Indonesië ten goede komen als in dit geval wel de daad bij het woord zou worden gevoegd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden