Pseudoniem

Schrijven is jezelf uitvinden - of een ander; over de schrijver en zijn schuilnaam..

Angst voor repercussies, maar ook louter speelsheid, misleiding van lezers, of een diepgewortelde gespletenheid kunnen een schrijver nopen tot het aannemen van een schuilnaam. Onlangs ontstond beroering toen het debuut van Marek van der Jagt verdacht veel leek op het werk van Arnon Grunberg. Een publiciteitsstunt? Maar achter de verhullingsijver kan ook een authentiek motief schuilgaan: de auteur wil uitdrukken dat we niet met hem (of haar) te maken hebben, maar voor alles met de tekst.

'Het kan wel zijn dat mensen in hun dagelijkse omgang volgens voorgeschreven banen reageren en dat ze zich in eendere situaties eender uiten, kortom, dat ze een zekere compactheid bezitten, een stereotiepe monotonie waardoor ze zich onderscheiden. Het persoonlijke, heet zoiets, persoonlijkheid. Maar als schrijver is een mens kaleidoscopisch, bestaat hij uit verschillende persoonlijkheden, uit fragmenten van de meest uiteenlopende mensen. Er gaapt een kloof tussen de schrijver en de mens als 'unicum'. . .'

Een citaat uit de preambule tot Verwoest Arcadië, de autobiografie van Gerrit Komrij, die hij in 1980 publiceerde in de vermaarde reeks Privé-domein van de Arbeiderspers. De lezers zijn gewaarschuwd, en de hardleersere types onder hen zullen zich ter hoogte van de vierde regel na het voorwoord alsnog achter het oor krabben. De hoofdpersoon blijkt daar Jacob te heten, Jacob Witsen. Komrij giet zijn autobiografie in de vorm van een roman. Een boek is niet het leven zelf, benadrukt hij. Ook al zijn er talloze overeenkomsten aan te wijzen, een boek is hooguit een spiegel van een persoonlijkheid - en wel een spiegel die niet de werkelijkheid weergeeft, maar het beeld dat de auteur daarvan heeft geschapen. Hij kan eventueel nog zo oprecht geloven in de oprechtheid van zijn confessies, altijd zit hij met zijn stijl en compositorische ingrepen tussen zijn leven en zijn verslag daarvan. Een boek is 'buitenkant', om met Komrij te spreken. Ook wanneer dat boek het binnenste van de schrijver zou blootleggen. Elke schrijversbiograaf zal erkennen dat de autobiografische geschriften van zijn onderwerp slechts één van de bronnen vormen waarop hij zich dient te baseren. Soms behoort het betreffende egodocument zelfs tot de onbetrouwbaardere bronnen. Gerrit Komrij licht zijn toekomstige biograaf tenminste nog zelf in over het artificiële karakter van zijn memoires. Als zo'n vingerwijzing uitblijft, dient de biograaf niet minder op zijn hoede te zijn.

Literatuur leeft bij de gratie van dubbelzinnigheid. Zij biedt de schrijvers persoonlijkheid de mogelijkheid zijn kaleidoscopische aard in een meerduidige vorm te veruiterlijken. Er zijn niettemin journalisten die veronderstellen dat de schrijver het best gekend kan worden door hem een interview af te nemen. Typerend voor het schrijversinterview is daarentegen, dat de wezenlijke dingen dikwijls onuitgesproken blijven. De stijl en de compositie - die de schrijver maken - vallen weg zodra de auteur zich onbeschermd aan een professionele vragensteller uitlevert. Er is geen schrijver die tot in detail kan verklaren hoe het scheppingsproces verloopt, omdat daar altijd onbeheersbare factoren in meespelen. Hoe vaak zie je de ondervraagden niet in vertwijfeling grijpen naar het cliché dat 'het boek' iets van ze wilde, dat het verhaal met hen 'op de loop ging'. Alsof ze het niet helemaal zelf hebben gedaan.

Dat ze het niet exact kunnen uitleggen, dat is nu net een van de attracties die hen gaande houdt. 'Stapje voor stapje ontstaat er een ik buiten jezelf die je vertelt wat je bedoelt. Anders gezegd: meer en meer besef je dat je van tevoren kennelijk niet precies wist wat je dacht, maar dat schrijven een vorm van uitvinden is van wat je in je hoofd hebt. [...] En als men dan als lezer aan zo iemand vraagt, wat hij bedoelt, kan de ondervraagde, als hij zijn best gedaan heeft, alleen maar zeggen: kennelijk dit. De enige manier om die bedoelingen te achterhalen is de zorgvuldige lezing van wat er geschreven is. Alleen in de taal zijn ze te vinden, nergens anders.' Uit het voorwoord 'Wat bedoelt de dichter', dat Rutger Kopland schreef bij de bloemlezing uit eigen werk die hij veelzeggend Herinneringen aan het onbekende (1988) noemde.

Voor dovemansoren? Daar begint het stilaan op te lijken. De drijfveer die menig journalist in de greep houdt, om 'de waarheid' te achterhalen, het echte verhaal áchter het boek, de naakte mens zonder de buitenkant, leidt in de bijvoegsels van kranten en weekbladen tot dikwijls meelijwekkende taferelen. Het oppermachtige beeld wil ook het literaire woord verdringen. Dat dat fundamenteel onmogelijk is, daar hebben interviewers zelden een boodschap aan. Al is de schrijver nog zo kameleontisch en snel, de waarheidsjager achterhaalt hem wel.

Maar als een schrijver al zo moeilijk kan preciseren wat hij bedoelt - het is nu juist het boek dat dat voor hem zegt, waarvan hij de maker is, maar niet de explicateur die zich kan aanmatigen het laatste woord te hebben - hoe kan een journalist dan volharden in zijn pretentie dat hij de persoonlijkheid van achter, onder en (in het minst kwalijke geval) uit de tekst kan peuteren? Alsof er geen kloof gaapt tussen schrijver en mens - de 'smidse van de taal' (Roland Holst) waarin uit steen vuur wordt geslagen, de kloof waar biograaf en criticus een blik in hopen te werpen, wetende dat een afdaling daarin niet kan.

Schrijvers kunnen zo hun redenen hebben hun werk niet onder hun eigen naam te publiceren. Henk Marsman publiceerde in de jaren vijftig zijn eerste proeven onder zijn eigen naam, constateerde met schrik dat men parallellen ging trekken met het werk van de dichter H. Marsman, en koos toen voor de schrijversnaam J. Bernlef. Die inmiddels zo bij hem hoort, dat hij zichzelf pleegt voor te stellen als Henk Bernlef. De voorname dichter P.C. Boutens deed alsof hij de schitterende, homoseksueel getinte Strofen en andere verzen uit de nalatenschap van Andries de Hoghe (1919) had toegezonden gekregen en slechts persklaar gemaakt. Boutens stierf in 1953, dertig jaar voordat W. Blok in een studie aantoonde dat de bezorger zelf de maker moest zijn.

Angst voor repercussies, censuur, maar ook louter speelsheid, misleiding van critici en andere lezers, of een diepgewortelde gespletenheid kunnen een schrijver nopen tot het aannemen van een schuilnaam. Drs. P. heeft verzen geschreven onder de bijna tedere plaagnaam Coos Neetebeem. De gezusters Brontë voorvoelden dat ze in het Engeland van de negentiende eeuw niet serieus werden genomen, en voorzagen hun boeken van de ambiguë auteursnamen Currer, Ellis en Acton Bell. De Deense filosoof S*ren Kierkegaard (1813-1855) onderzocht de moraal door de stemmen in zijn binnenste van aparte pseudoniemen te voorzien: Vigilius Haufniensis, A, B, Constantin Constantius, Johannes Climacus ('werkelijk een ander dan Kierkegaard', aldus J. Sperna Weiland). Wellicht is het in dit geval juister van heteroniemen te spreken, de term die onlosmakelijk is verbonden met de grote Portugees Fernando Pessoa die zich existentieel 'meervoudig voelde'- en dus ook Ricardo Reis was, Alvaro de Campos en Alberto Caeiro, ieder met hun eigen biografie en idioom, ieder ook met hun eigen visitekaartje en handschrift.

Willem Frederik Hermans schreef in de jaren vijftig vier thrillers, een genre dat hij niet geheel serieus nam, zoals doorklinkt in het pseudoniem Fjodor Klondyke. De dichter Anton Ent (pseudoniem) baarde opzien door het schrijven van dichtbundels onder de naam Marieke Jonkman, die werden geprezen om hun feminiene stijl en thematiek. De jury van de Anna Bijns-prijs, bestemd voor 'de vrouwelijke stem', zou een daad stellen als ze Jonkman eerdaags eerde met een bekroning.

Omdat de psychiater Rudi van den Hoofdakker boeken heeft gepubliceerd op zijn vakgebied, bedacht hij lang geleden voor de dichtbundels die hij daarnaast uitbrengt de naam Rutger Kopland. Aangezien de meest recente winnares van de P.C. Hooftprijs haar gedichten voor zich wil laten spreken, nam zij ruim twintig jaar geleden als schrijversnaam Eva Gerlach aan. Toen Geerten Meijsing, die in 1974 debuteerde onder het evidente pseudoniem Joyce & Co., wel eens een echt vrouwenboek wilde maken - dat ook zo zou worden beoordeeld - kwam daar in 1981 Een meisjesleven van Eefje Wijnberg: 'dé ontdekking van tien jaar vrouwenliteratuur', jubelde de uitgever. De eerste zin van dit ongemaniëreerde, pure boek: 'Ik ben geen schrijfster.'

Dit is maar een losse greep. Een en ander bedoelt te illustreren dat travestie en vermomming onlosmakelijk met het wezen van literatuur verbonden zijn. Natuurlijk kan een enigmatisch pseudoniem tevens, en soms voornamelijk, een publiciteitsstunt zijn - maar ook in dat geval zal lezing van de tekst uiteindelijk beslissen over het succes. Hier en daar is geschamperd dat A.F.Th. van der Heijden op een nogal triviale manier de aandacht zoekt, door zijn nieuwe zevendelige romancyclus Homo duplex (te verschijnen vanaf februari 2001) onder zijn 'nieuwe naam' A.F.Th. te laten verschijnen. Ook ontstond er kort geleden beroering toen het debuut De geschiedenis van mijn kaalheid van Marek van der Jagt verdacht veel leek op het werk van Arnon Grunberg.

Goede of minder goede grappen? Carnavaleske mystificaties? Zo kan de waarheidsjager oordelen, en overgaan tot de orde van de dag. Maar achter de verhullingsijver van een schrijver kan een authentiek motief huizen: hij wil uitdrukken dat we niet met hem (of haar) te maken hebben, de naam die ons bekend voorkomt op grond van eerder werk - of erger, uit interviews en openbare optredens.

We hebben het met de tekst te doen. Een pseudoniem kan een middel zijn de kijklustige mens terug te voeren naar de kern: niet het beeld telt, maar de woorden die beelden oproepen.

Schrijven is een openbare bezigheid, meent Stephan Sanders (NRC Handelsblad, 13-10). Vandaar dat hij deze maanden lezers die in het bezit zijn van een computer, varianten voorlegt van zijn roman in wording liefde-is-voor-vrouwen.nl. De lezer mag een kijkje nemen in de werkkamer van de schrijver. Een experiment, in schijn democratisch en 'inter-actief': eerst moet er iemand zijn die de varianten schept en de verantwoordelijkheid draagt voor het resultaat.

Schrijven is in het geheel geen openbare aangelegenheid. Eerst vanaf het moment van publiceren - dat is: geschreven hébben -, treedt een schrijver in de openbaarheid. Later erkent Sanders dat hij de lezer alleen maar in de gelegenheid stelt het bouwen van zijn boek van nabij te volgen. Volgen is niet hetzelfde als: mee-maken.

Voordat de lezer in het zicht komt, zal de schrijver het in de stilte van de eenzaamheid moeten klaren. Een stilte die overigens maar betrekkelijk is. In de bovenkamer van een schrijver is het altijd al rumoerig genoeg. Met een verwijzing naar licht dat zich in kleuren breekt, noteerde Kierkegaard in zijn Papirer: 'Een schrijver houdt het ware voor zichzelf en laat het zich op verschillende manieren breken.'

Marek van der Jagt - achter wie Grunberg zich zou verschuilen - heeft laten weten niet aanwezig te zijn bij de uitreiking zaterdag van de Anton Wachterprijs in Harlingen voor het beste debuut, zijn roman De geschiedenis van mijn kaalheid.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden