Protestgeneratie was in de jaren zestig al op leeftijd

DE jaren zestig zijn passé. Nu de discussie over deze periode ook onder historici is losgebarsten, kunnen we spreken van voltooid verleden tijd....

Het historisch besef in Nederland is selectief. Twee decennia brengen de pennen steeds weer in beweging: de jaren veertig en de jaren zestig van deze eeuw. Beide perioden hebben zich stevig genesteld in een collectief onderbewuste. Maar terwijl de jaren veertig keurig zijn af te bakenen - zij duurden van de Duitse inval op 10 mei 1940 tot de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië op 27 december 1949 - duren de jaren zestig eeuwig voort.

In Nederland bestaat de neiging om alles wat naar verandering riekt toe te schrijven aan de jaren zestig. Het is net als met Sinterklaas, slechts voor de gelovigen is hij werkelijkheid. Wanneer we dan iets van de jaren zeventig te zien krijgen, zoals afgelopen zondagavond de VPRO-documentaire Een monument van ongeduld, wordt dat getoond als een erfkwestie van de jaren zestig.

Voor- en tegenstanders van deze erfenis struikelen over elkaar heen. Herman Wigbold begint zijn schotschrift tegen de ondergang van Nederland met: 'Zelden heeft een generatie zichzelf zo de hemel ingeprezen als de zogenaamde protestgeneratie.' De Utrechtse historicus Hans Righart daarentegen citeert in zijn nieuwste boek De eindeloze jaren zestig folkzangeres Joni Mitchell die als ode aan het legendarische popfestival Woodstock zong: 'We are stardust, we are golden; and we've got to get ourselves back to the garden.' Instemmend voegt hij er aan toe: 'Nooit eerder waren zoveel mensen, zo lang, zo dicht bij de Tuin van Eden gekomen'.

En dan Hubert Smeets, hij schreef in NRC Handelsblad van 28 oktober dat Nederland volwassen werd door de sixties. Hij bedoelde slechts dat de babyboom-generatie van na de oorlog in deze periode de puberteit doorliep. Om deze generatie gelijk te stellen met heel Nederland is een gotspe. De koning heeft zichzelf gekroond.

Ter bevestiging van het cliché kennen we nu ook de saaie jaren vijftig, de mislukte jaren zeventig, de conservatieve jaren tachtig en de nog conservatievere jaren negentig. Dat alles ter meerdere eer en glorie van de roerige jaren zestig.

Vooral de jaren vijftig zijn daardoor onrecht aangedaan. Te vaak is genoegen genomen met het beeld dat al in 1947 treffend door Gerard Reve in De Avonden is geschapen: overdag op de fiets naar kantoor, 's avonds rode kool en aardappelen, bij de gaskachel luisterend naar de nieuwsberichten en met een ontevreden gevoel naar bed.

De vraag waarom deze periode, die als saai te boek staat, cultureel gezien absoluut niet saai was, is niet afdoende beantwoord. Na Cobra gedijde de Nederlandse kunst niet meer zo makkelijk in het internationale circuit. En de jeugdcultuur is al in de jaren vijftig ingrijpend veranderd. De verzuilde jeugdbeweging had steeds minder aantrekkingskracht. Stoere jongens reden nu brommer en gingen op voetbal. Relletjes ontstonden niet alleen bij het draaien van Bill Haley's film Rock around the Clock in 1956, maar ook bij concerten van de Dutch Swing College Band. Jazz en rock wisten jeugd èn politie in beweging te brengen.

Ondanks dat Hans Righart in zijn boek stilstaat bij deze wapenfeiten, dicht hij de hoofdrol van het drama toe aan de zogenaamde protestgeneratie, geboren tussen 1940 en 1955, die furore maakte in de jaren zestig. Geïnspireerd door generatiesociologen spreekt hij van een conflict tussen twee Nederlanden: aan de ene kant de ascetisch puriteinse vooroorlogse generatie en aan de andere kant de jonge naoorlogse protestgeneratie, waartoe hij zichzelf nog net kan rekenen.

Met gevoel voor beeldspraak schrijft hij: 'De nieuwe krachten bliezen de vermolmde luiken van het huis open, lieten vrijwel niets van het oude meubilair op z'n plaats en woeien vreemde dingen van buiten naar binnen.'

Twee vragen vloeien hieruit voort: wie waren de nieuwe krachten, waren dat die jonge naoorlogse stoottroepen, of blies de Nederlandse gevestigde orde ook een deuntje mee? En de tweede vraag: Lieten deze krachten echt vrijwel niets heel van het oude meubilair?

Het is de vraag of de veranderingen slechts zijn toe te schrijven aan de protestgeneratie. Zo behoren in Righarts werk de nozems plots tot de 'schakelgeneratie', kennelijk tussen wal en schip. En wanneer het in 1963 begonnen spraakmakende satirische televisieprogramma Zo is het toevallig ook nog eens een keer wordt besproken, blijkt dat de makers, zoals Jan Blokker en Rinus Ferdinandusse, geen van allen tot die protestgeneratie kunnen worden gerekend. Belangrijke vertolkers van 'het ideaal van zestig', zoals Simon Vinkenoog met zijn Barbaren van het Leidse Plein, Harry Mulisch met zijn Bericht aan de Rattenkoning of Henk Hofland met zijn Tegels Lichten zijn ook al te oud. Zij waren de peetvaders van het protest.

De kloof tussen de leeftijden was minder groot dan tot nu toe werd verondersteld. Dat blijkt uit het recent verschenen boek van buitenstaander James Kennedy (Amerikaans historicus, behorend tot de verloren generatie), Nieuw Babylon in aanbouw. Kennedy toont aan dat juist de gevestigde orde in de jaren zestig ging schuiven.

Met een minimaal verlies van macht gaven verlichte regenten toe aan de wensen van de nieuwe tijd. Uit angst om als ouderwets te worden versleten gingen kerkvaders en bestuurders om. De jonge radicalen van de late jaren zestig waren erfgenamen van een vernieuwingsgezinde politieke cultuur die al jaren bestond.

Of de nieuwe krachten in de jaren zestig al het meubilair uit het huis wegbliezen mag eveneens worden betwijfeld. De ludieke relletjes werden uitvergroot door sympathiserende journalisten, die zich lieten leiden door al wat borrelde in 'Magies Sentrum' Amsterdam. De stad Amsterdam heeft daar zijn aureool aan te danken. Vooral het nieuwe medium televisie werd een belangrijk doorgeefluik van rebels Nederland. Maar terwijl de VPRO en de Volkskrant zich door de vaart der volkeren lieten meeslepen, produceerden ook de AVRO en de Telegraaf gewoon door. Zoveel veranderde er niet in het landschap. Als altijd molken de boeren hun koeien. Velen brachten een proteststem uit op de rechtse Bennekomse agrariër H. Koekoek, wiens partij in 1966 zelfs in de hoofdstad 10 procent van de stemmen wist weg te slepen. Hierover werd later niet meer gerept.

Ook in de VPRO-documentaire van afgelopen zondag Een monument van ongeduld over de jaren zeventig bleek geen plaats voor andere dan linkse geluiden. Hier was het erfgoed van de jaren zestig in beeld. Aardig was het om te zien hoe een klein groepje Dolle Mina's - steeds zag je weer dezelfde gezichten - de televisiecamera naar zich toe wist te trekken. Bespottelijk was de aandacht voor de feministische actiegroep Paarse September, die een knullig stenciltje uitbracht met een oplage van ongeveer 500 exemplaren, kennelijk genoeg om achteraf uitgebreid bij stil te staan.

De meest heftige demonstraties, dat bleek ook uit de documentaire, vonden niet plaats in de jaren zestig, toen een luttel rookbommetje het televisiebeeld verstoorde en zeshonderd studenten het Maagdenhuis bezetten, maar in de jaren tachtig. Het bevoegde gezag kwam pas echt in het geding door krakers- en kroningsrellen, door demonstraties in Amelisweerd en in Dodewaard. Ook de grootste studentendemonstratie vond plaats in deze jaren, in 1988 trokken 25 duizend studenten op naar Den Haag.

Niet de jaren zestig duren eeuwig voort, maar bepaalde tendensen binnen de moderne westerse samenleving zijn ten onrechte aan de jaren zestig toegeschreven. Dat wordt duidelijk wanneer we de ontzuiling aanschouwen. De randkerkelijkheid was onder Nederlands hervormden al in de jaren vijftig een groot probleem (64 procent in 1960). Maar toen Hans van Mierlo in 1966 aankondigde het verzuilde bestel op te willen blazen was de katholieke zuil nog strak georganiseerd. Voor katholieken begonnen de problemen pas eind jaren zestig, begin jaren zeventig nijpend te worden. De grote leegloop begon pas toen op gang te komen. Het aantal onkerkelijken nam in de jaren zeventig dan ook drastische vormen aan: in 1960 was het 18,3 procent van de Nederlandse bevolking, in 1971 22,5 procent en in 1979 was dat percentage gestegen tot 41.

In het Nederlandse consensusmodel lijken partijkleuren nauwelijks nog van belang. Wie had kunnen denken dat euthanasie onder stringente voorwaarden is toegestaan dank zij een wetsvoorstel van de conservatieve CDA-minister Ernst Hirsch Ballin? Alleen generatiesociologen konden dat voorzien. Hirsch Ballin maakt immers, evenals Hans Wiegel, deel uit van de protestgeneratie.

Hanco Jürgens

De auteur is cultuurhistoricus.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden