Pronkstukken van de macht

Al eeuwen spreken 'ontdekken, veroveren, toeëigenen, verkennen en cartografie' tot de verbeelding. Strikt genomen is een geografische kaart een fictie....

Het Westen is paraat, schreef Rudi Fuchs, voormalig directeur van het Amsterdamse Stedelijk Museum, in een column in NRC Handelsblad over de kleitafel van Newsnight-journalist Peter Snow. Tijdens de vorige Golfoorlog zag je Snow elke avond op de televisie bij een immense reliëfkaart van het Midden-Oosten. Grote ontroering maakte zich van Fuchs meester wanneer hij op de BBC 'die slungelige Peter Snow' achter die tafel - Snowey's sandpit - zag staan. 'Ik weet wat dat is, zo'n kleitafel', herinnerde Fuchs zich. 'Als jongetje op school heb ik er, samen met drie klasgenoten, ooit een moeten boetseren. De kaart van Noord-Brabant. Bossen van groen gespoten mos, rivieren van zilverpapier.'

Snows tafel was mooier: het water was diepblauw en de woestijn een fraai, dof geel. Er stonden bordjes op, zoals op een conferentietafel: Bagdad, Basra, Riad, Koeweit. In de zee lagen scheepsmodellen. Elke avond bespraken gepensioneerde militairen de oorlog, tactische opties en varianten. 'Het mooiste was als ze een vliegtuigaanval lieten zien', verzuchtte Fuchs. Dát was krijgskunst. 'Boven Peter Snows tafel verscheen ineens een kleine straaljager, wiegend op weg naar Irak.'

Strikt genomen is een geografische kaart een fictie, een soort 'metafysisch object' voor politieke en militaire bespiegelingen. Het is het speeltje van de strateeg. Welke kaart krijg je op televisie of in de krant te zien? Welke infographics? De kaart van de posities van ingegraven Republikeinse Gardisten of de map van het Central Command in Qatar? Van het belegerde of van het bevrijde Irak? De oorlogskaart van de collateral damage of de kaart van bedreigde Iraakse archeologische sites?

Het slagveld zien we zelden. Kaarten zijn valstrikken. Dat zie je ook in de politiek. Of het nu zo'n kleitafel van Irak is, een wandkaart in een commandopost of die aardbol waarmee Chaplin in zijn film The Great Dictator speelt, of het nu om 'bezetters', 'bevrijders', 'wapeninspecteurs' of 'onderhandelaars' gaat, telkenmale worden kaarten door alle partijen gemanipuleerd.

Zelfs het GPS, het Global Positioning System, dat oorspronkelijk voor het Amerikaanse ministerie van Defensie is ontwikkeld, kan - als de Verenigde Staten dat willen - weer uitsluitend voor oorlogsdoeleinden worden gereserveerd. Cartografie is onmisbaar in een oorlog. Maar niemand laat zich in zijn kaarten kijken. Napoleon liet kaarten maken die hij alleen kon lezen; wanneer Hitler, omringd door tientallen hogere militairen, met een loep veldkaarten bestudeerde, leek het alsof alleen hij door die loep naar het doelwit keek. Het gaat altijd om macht. Om bezit ook.

De onmetelijk rijke Primo Antonio Robusti, een illuster romanpersonage uit Jürg Federspiels erotische fabel Geografie van de lust, was niet alleen op zijn eigen rijkdom verliefd, maar ook op de kokette Laura Granati. Hij wilde haar bezitten, zoals hij eigenlijk ook de hele wereld wilde veroveren. Op haar achterste, 'op haar prachtig verzadigde bollen', liet Robusti door een tatoeage-kunstenaar een gedetailleerde wereldkaart aanbrengen. Kaarten zijn de pronkstukken van de macht.

Al eeuwen lang spreken 'ontdekken, veroveren, toeëigenen, verkennen en in kaart brengen' tot de verbeelding. Ook van schrijvers. Jorge Luis Borges had het over een kaart die even groot was als het hele imperium, Lewis Carroll over een absurde map, 'de grootste kaart ter wereld', die je nooit in zijn geheel kon bekijken. De laatste jaren zijn opvallend veel historische en filosofische 'romans' verschenen over kaartenmakers, zeevaarders en sterrenkundigen. De Amerikaanse journalist Miles Harvey ging op zoek naar verloren zeekaarten en las alles wat hij kon vinden over antieke kaarten; James Cowan speurde naar de geschiedenis van Fra Mauro, cartograaf aan het hof van Venetië, die 'de definitieve kaart van de wereld' wilde tekenen; in de bestseller Longitude, verfilmd met topacteurs als Michael Gambon en Jeremy Irons, vertelt Dava Sobel over de geschiedenis van 'de bepaling van de lengtegraad' en over de eerste accurate zeeklok.

Umberto Eco beschreef in Het eiland van de vorige dag de wereld van de vaart op de Oost en de West; Arturo Pérez-Reverte publiceerde een 'maritieme thriller', De oude zeekaart, over een gezonken brigantijn. In The Neptune File - Planet Detectives and the Discovery of Worlds van wetenschapsjournalist Tom Standage gaat het over de sterrenkunde; in Ken Alders The Measure of All Things (dat deze week in het Nederlands verschijnt) over 'het bemeteren van de wereldbol'. In The Map That Changed the World tekent Simon Winchesters hoofdpersonage, de kanaalgraver William Smith, de 'hidden underside' van Engeland, en in Pfitz van Andrew Crumey gaat het over stadsplanning en wordt er geen échte, maar een papieren stad gebouwd.

Kennelijk kunnen kaarten schrijvers fascineren. Ook biografen. Deze week verscheen de Nederlandse vertaling van Nicholas Cranes biografie Mercator - The Man Who Mapped the Planet, over de eerste cartograaf die een onderscheid maakte tussen 'kaarten om naar te kijken', zoals je naar de getatoeëerde derrière van Laura Granati kunt kijken, en nauwkeuriger 'kaarten om te lezen': de 'uitmuntende Wis- en Aerdklootkundige', de Vlaming Gerard Mercator.

Het is het derde deel van een geografische trilogie, verhalen met cartografische intriges. In Clear Waters Rising had Crane het over een voetreis van tienduizend kilometer langs de continentale waterscheiding van Europa, een kronkelende keten van gebergten van Noord-Spanje naar West-Turkije. Two Degrees West ging over een lijn op de kaart, over de meridiaan die door de topografische dienst van Groot-Brittannië werd gekozen als nulmeridiaan. Crane schreef over de plaatsen en de mensen langs die 578 kilometer lange geografische dwarsdoorsnede. Zijn Mercator is een verhaal over politiek, cartografie en manipulatie.

Vroeger waren kaarten vooral opsmuk. Paleizen en patriciërswoningen, vergaderzalen en bestuurscolleges werden verfraaid met wandkaarten en stadspanorama's. Er verschenen kleurrijke atlassen, gebonden in Turks geitenleer of rood marokijn, van het kleinste duodecimo tot plano en olifantformaat. Een kaart was nooit precies getekend, het grondgebied werd 'door het oog van een schilder' in kaart gebracht. Kaarten waren 'verten van papier', meer verzinsel dan geografie. Gebruik van zulke kaarten was dan ook niet van risico ontbloot. Op scheepskaarten werden obstakels nauwelijks aangegeven. Tot in de 20ste eeuw was het advies bij uitvaren: probeer zo snel mogelijk uit de kust te komen.

'Soo draeit de schrandre kunst', dichtte Joost van den Vondel, 'den aerdkloot op haer duim.' Van Lodewijk de Veertiende werd verteld dat hij door berekeningen van zijn cartografen meer grond was kwijtgeraakt dan door zijn oorlogen. De Casssini's, zijn kaartenmakers, hadden gedurende vele jaren Frankrijk nu eens nauwkeurig opgemeten. Gerard de Cremer, die zich later Gerardus Mercator de Rupelmunda noemde, maakte de eerste kaarten 'om te lezen'. Hij hield steeds minder van pronkzuchtige kaarten. Zijn eigen wereldomvattende hartvormige Orbis imago uit 1538 was nog een rijkelijk verluchte kaart. Toen hij zich echter meer en meer geroepen voelde 'de geografie van de wereld te corrigeren', wilde hij 'dat men zijn hartvormige kaart vergat, want hij zag nu in dat die op een beschamende manier achterhaald was'.

'De bittre kou verkleumt', ging Vondel verder, 'de hitte braed de leden.' Waarom zouden we ons alle ellende en verschrikkingen van een verre tocht op de hals halen, vroeg hij zich af, wanneer we onze nieuwsgierigheid kunnen bevredigen door het opslaan van een atlas? Vrijwel zijn hele leven, schrijft Crane in Mercator - De man die de wereld in kaart bracht, heeft de cartograaf binnen de grenzen van zijn kaart van 'Brabantia, Gulick en Cleve' doorgebracht. En toch probeerde hij het aardoppervlak nauwkeurig te doorgronden en de wereld per werelddeel in kaart brengen.

Hij behoort tot de 'onsterfelijken' omwille van zijn kaarten, atlassen en globes, en vooral ook door zijn 'mercatorprojectie': een wereldkaart met wassende breedtegraden. Mercator was echter niet alleen een uitzonderlijk begaafd landmeter en cartograaf; hij was ook filosoof, theoloog en humanist, iemand die diep was doorgedrongen in het geestesleven van zijn tijd. Zijn nederige afkomst - hij was de zoon van een schoenlapper, zijn middelmatige studieresultaten, zijn gevangenschap wegens vermeende lutterije (ketterij) en zijn tegenzin om te reizen hadden hem weliswaar van verschillende humanistische kringen uitgesloten, meent zijn biograaf, maar 'standvastig had hij zijn eigen geografische aura gecreëerd'.

De wereld die Mercator kende, was vlak. De Nederlanden bestonden slechts uit twee dimensies. Er waren geen kloven of kliffen, geen pieken die een andere dimensie toonden. 'Verticale lijnen waren zeldzaam', schrijft Crane, 'de maatverdeling was horizontaal.' Toen hij zijn burijn ter hand nam om de namen van nieuwe landen op de globe te graveren, 'wist hij dat hij een wereld was binnengetreden die ver verwijderd was van de zuigende modder waarin hij zijn jeugd had doorgebracht'.

Hij leerde van een franciscaner monnik, die een van de eerste aardglobes in de Nederlanden had gemaakt, dat 'het streven naar cartografische waarachtigheid niet zozeer een kwestie was van zekerheid als wel het afwegen van waarschijnlijkheden'. Mercator was, in de woorden van cartograaf en tijdgenoot Abraham Ortelius, 'den besten Geographum onses tijts', de 'Ptolemeus van onze eeuw'. Op zijn nieuwe kaart van Europa, die in oktober 1554 in Duisburg is uitgegeven, corrigeerde hij fouten die meer dan vijftienhonderd jaar lang steeds opnieuw waren gemaakt. Hij worstelde lang met de 'kwelling' van zijn grote voorganger Ptolemeus: hoe kun je sferische eigenschappen van onze planeet in een platte voorstelling vastleggen? Een kaart was ook niet langer een loutere beschrijving van Gods schepping; geografen begonnen zich bezig te houden met 'de dynamiek van het landschap'. De wereld was in beweging; alles veranderde.

Mercator noemde de nieuwe kaarten 'zijn nieuwe geografie'. Het behoorde voortaan tot de 'verheven waardigheid' van de geografie om bij te dragen aan 'de kennis van het staatkundig bestel'. Ze behield weliswaar haar rol als plaatsbepaler maar moest nu ook de 'aard', de 'wettelijke status' en de 'emoties' van een plaats beschrijven. Iedereen die dat niet deed, zou zich - in de woorden van Mercator - 'engageren met een geografisch lijk'. Dát veranderde het doel van kaarten; het verleende ze macht. Ze waren efficiënter.

De nieuwe kaarten echter zagen er saai uit. Je zag op die 'wereldbeschrijvingen' geen wapenschilden meer, legenda's en passers, geen vloten met karvelen of andere oogstrelende zinnebeelden. Ze waren onopgesmukt, het waren geen 'plaatjes' maar kaarten met louter rechte lijnen, eentonig gemarkeerd met lengte- en breedtegraden. Mercators kaarten waren praktisch en gemakkelijk leesbaar. Ze konden nu evengoed politieke of zelfs religieuze gebieden beschrijven als gebergten en rivieren. Die bergen en rivieren zijn cartografisch ondubbelzinnig, maar door de mens geschapen grenzen staan - zeker na een oorlog - open voor verandering, en dus voor cartografische manipulatie.

In zijn biografie van Mercator, opgetekend van zijn geboorte tot zijn dood, van 1512 tot 1594, heeft Crane het niet over de betwisting van de 'mercatorprojectie' en over de wereldkaart die we sinds mensenheugenis kennen. Niets over de Amerikaanse ingenieur Alphons van der Grinten, die Mercators kaart in 1898 hertekende met een veel kleinere Sovjet-Unie, een kaart die tijdens de Koude Oorlog door de Amerikaanse regering en de invloedrijke National Geographic Society weer uit de kast werd gehaald. Niets over de Duitse marxistische historicus Arno Peters, die in 1978 een nieuwe projectie introduceerde, met een groter zuidelijk halfrond, landmassa's die zijn Amerikaanse conservatieve tegenstander Arthur Robinson (die in 1963 Mercators kaart ook al had 'gecorrigeerd') vergeleek met gerafeld, nat winterondergoed 'hung out to dry on the Arctic Circle'. Niets ook over zulke bizarre kaarten als McArthur's Universal Corrective Map of the World uit 1979, 'de wereld op zijn kop', een schets van een totaal nieuwe Amerikaanse wereldorde.

Elke kaart, wist Mercator in zijn tijd al, is politiek. We kunnen de geschiedenis zien, zegt de historicus John Lewis Gaddis, als 'a kind of mapping'. Cartografie is representatie, metafoor én panorama. Uiteindelijk wordt élke kaart na een oorlog herschikt en hertekend. Grenzen vervagen of worden opnieuw getrokken, er komen nieuwe landen bij, andere worden 'bevrijd' of juist 'bezet'. Dat gebeurt ook in Irak. La géographie, ça sert, d'abord, à faire la guerre, luidt de titel van de polemische cartografische bespiegelingen van de Franse deskundige Yves Lacoste: 'De geografie dient in de eerste plaats de oorlog.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden