Projectje hier, festivalletje daar: Subsidiebeleid Fonds voor de Podiumkunsten werkt versnippering in de hand

Adelheid Roosen en Annemarie Prins kloppen er aan, evenals poppentheater Gnaffel, het Oerol festival, Willem Breuker en choreograaf Shusaku Takeuchi....

KWANTITEIT IS het sleutelwoord, zeggen de tegenstanders. Het accent ligt teveel op het binnenhalen van het publiek. Nuances komen blijkbaar niet over, stelt de directeur, want boven alles is ons beleid gericht op de artistieke ontwikkeling van podiumkunstenaars.

Het fonds hanteert een te rigide subsidiëringssysteem dat het grootste probleem van de makers, gemis aan continuïteit in hun beroepsontwikkeling, in stand houdt, roept het veld. We moeten voorkomen dat de adviescommissies automatisch 'nee' zeggen wanneer een publieksgerichte producent aanklopt voor geld, stelt de directeur daar tegenover.

Voor veel podiumkunstenaars is de naam Henk Scholten synoniem met het Fonds voor de Podiumkunsten. Opzienbarende beslissingen van het fonds worden op het conto van de directeur geschreven. Als Scholten jou artistiek niet ziet zitten, kun je een ad hoc-subsidie wel vergeten, zo luidt de opinie. De directeur en zijn bestuur worden gezien als rijksmeesters die wikken en beschikken.

'Het toenmalige ministerie van WVC had meer te doen dan ad hoc-subsidies te verdelen', stelt Henk Scholten eufemistisch. 'Nadat het fonds deze taak in 1992 overnam, is het ad hoc-beleid zichtbaar geworden. De praktijk is natuurlijk anders dan sommigen beweren. Subsidieaanvragen worden niet door de directeur behandeld, maar door de adviescommissies.'

Het Fonds voor de Podiumkunsten is in het leven geroepen om incidentele subsidies te verlenen aan podiumkunstenaars die professionele produkties maken op alle terreinen van de podiumkunsten. Ook komen bijzondere manifestaties, festivals en werkplaatsen voor subsidie uit dit 'vangnet' in aanmerking en trekt het fonds sinds dit jaar geld uit voor stipendia en opdrachten aan librettisten, mimografen en choreografen.

Adelheid Roosen klopt er aan, actrice Annemarie Prins doet dat ook, evenals poppentheater Gnaffel, het Oerol festival, de Ebony Band, het kamerkoor Nieuwe Muziek, Willem Breuker, de Amsterdamse Bachsolisten, choreograaf Shusaku Takeuchi, Dood Paard en de Nieuwe Slagwerkgroep Amsterdam. Zolang een maker, werkplaats of festival maar geen structurele subsidie ontvangt, is een verzoek om geld bij het Fonds voor de Podiumkunsten legitiem.

Dat het fonds er voor hen is, wil nog niet zeggen dat het dezelfde taal spreekt als de ad hoc-sector. Tenslotte is Scholten cum suis afhankelijk van het beleid dat het ministerie van OCW uitstippelt. Bovendien moet het fonds heel wat makers teleurstellen; op jaarbasis wordt 54 miljoen gulden subsidie aangevraagd terwijl 11,8 miljoen gulden beschikbaar is.

'Daarom heeft het fonds een heldere subsidieregeling ontworpen', legt Scholten uit. 'Het is voor de aanvragers duidelijk welke type aanvraag binnen welke subsidieregeling moet worden ingediend. Dat was in het verleden wel anders.'

Het Fonds wijdde er zelfs één van zijn klantgerichte nieuwsbrieven aan, 'een bewaarexemplaar: alle subsidieregelingen op een rijtje'. Daarin wordt het verschil tussen de twee subsidierondes, de zogenaamde eerste en tweede tranche, nog eens uitgelegd: produkties die in de eerste ronde voor een grote subsidie in aanmerking willen komen, moeten naast kwaliteit en landelijk belang ook een stuk of dertig speelbeurten garanderen. Speelbeurten die geld in het laatje moeten brengen.

Podiumkunstenaars die een kleinschalige produktie met een onderzoeksmatig karakter willen maken, kunnen bij de tweede tranche een gooi naar geld doen. Wanneer een aanvraag dan wordt gehonoreerd dekt het fonds de kosten van een repetitieperiode en een bescheiden speelperiode.

Scholten: 'Als je de ontwikkeling niet in de weg wilt staan, dien je produkties waarin onderzoek en ontwikkeling de boventoon voeren, los te koppelen van produkties waaraan kwantitatieve eisen mogen worden gesteld.'

Voor de laatste categorie beschouwt Scholten ondernemerschap als een onderdeel van het vak. 'Het is in het belang van de podiumkunsten wanneer er sprake is van een behoorlijke publieksparticipatie. Het fonds constateert met tevredenheid dat de makers beseffen hoe belangrijk een producent en een impresario kunnen zijn.'

Paul Dijkema, bestuurslid van de Associatie van Theaterinitiatieven, de organisatie die de belangen behartigt van driehonderd theatermakers, ziet het anders. 'Vanzelfsprekend wil iedere kunstenaar een groot publiek. Niettemin dient het fonds zich in principe alleen van artistieke criteria te bedienen; elk ander criterium is daaraan inferieur. Daar komt bij dat het fonds zich roomser dan de paus gedraagt. Verlangt de overheid van grote, fors gesubsidieerde toneelgezelschappen vijftien procent eigen inkomsten, de criteria van het fonds leiden bij de adhoc-producenten tot een inkomsteneis van zo'n dertig procent.'

Dat er tussen beleid en werkelijkheid een groot gat gaapt, is voor de Associatie van Theaterinitiatieven klaar. 'Door minimaal dertig speelbeurten te eisen, verspreid over het land, door te vragen naar een raming van het aantal bezoekers, haakt een aantal podiumkunstenaars bij de eerste tranche op voorhand af. Omdat zij verantwoordelijk worden gesteld voor iets waarop ze geen enkele greep hebben: de programmering van voorstellingen. Dientengevolge slibt de tweede tranche dicht, terwijl daarvoor slechts een derde van het geld is gereserveerd.'

Een ander beleidspunt waarop het Fonds voor de Podiumkunsten sinds de oprichting flink heeft gehamerd is 'de geografische spreiding van produktie'. Ook daarin ziet het fonds een middel om een potentieel publiek te enthousiasmeren voor de podiumkunsten. Scholten: 'Wanneer kunstenaars zich in een bepaalde plaats vestigen, komt dat ten goede aan het lokale culturele klimaat.'

Deze beleidskeuze heeft ertoe geleid dat in plaats van 85 procent nu 65 procent van het ad hoc-budget naar de vier grote steden gaat. En het houdt in dat een goede aanvraag uit Driehuizen, Geldrop of Maastricht meer kans op geld maakt dan een goed subsidieverzoek uit Amsterdam of Rotterdam.

Scholten ontkent dat. 'Het fonds heeft voor elke kunstdispline een aparte commissie waarin recensenten, programmeurs én podiumkunstenaars zitting hebben. Deze commissies houden alleen rekening met de artistieke kwaliteit. Zij stellen een prioriteitenlijst samen en het is nog niet één keer gebeurd dat het bestuur die raad niet heeft opgevolgd.'

Des te opvallender is de keurige wijze waarop het fonds zijn subsidies verdeelt. De werkplaatsen met ad hoc-subsidie krijgen allemaal zo'n beetje evenveel, de regionale groepen ontvangen hun deel en het multiculturele theater wordt evenmin over het hoofd gezien. Die balans lijkt te worden gewaarborgd door het 'budget voor integrale afweging', een pot geld die wordt opengebroken wanneer de adviescommissie beslist dat een net buiten de prijzen gevallen produktie uit beleidsoogpunt toch door moet gaan.

'De spreiding van de produktie is interessant', vindt Paul Dijkema. 'Ik kan me voorstellen dat er theaters zijn die de artistieke impuls van een huisgroep goed kunnen gebruiken. Maar in het huidige beleid wordt het geld teveel versnipperd: een project hier, een festivalletje daar. Het fonds wil teveel van bovenaf opleggen. Het zou beter naar de wensen van de praktijk kunnen luisteren.'

Want wat is bijvoorbeeld het nut van een landelijke tournee als een zowel door pers als kenners juichend ontvangen dansproduktie in het land, in schouwburgen waar weinig aan dans wordt gedaan, geen mensen trekt?

'Het fonds', benadrukt Scholten, 'beschouwt de publieke belangstelling primair als de verantwoordelijkheid van producenten en afnemers. Wel adviseren wij ad hoc-producenten over verkoop en marketing en voeren we overleg met instanties als Gaudeamus en het Theater Netwerk Nederland over de eventuele inspanningen die zij voor door het fonds gesubsidieerde produkties kunnen verrichten.'

Aan de bereidwilligheid zal het ook niet liggen, geeft Dijkema toe. De Associatie van Theaterinitiatieven zit als 'gesprekspartner' regelmatig met Scholten om de tafel om mogelijke verbeteringen van zowel het fondsbeleid als het theaterbestel te onderzoeken. Tijdens die gesprekken is al gebleken dat de directeur en de belangenvereniging het over één aspect eens zijn: het ad hoc-beleid moet flexibeler worden en meer continuïteit gaan bieden, omdat het huidige verschil in subsidieduur, enkele maanden per jaar of vier jaar aaneen, onaanvaardbaar is. Momenteel is voor ad hoc-producenten elke produktie een auditie, één mislukt project en een jaar zonder salaris dreigt.

Het overleg mag dan wel vorderen, de Associatie blijft bedenkingen hebben. 'Het feit dat in het bestuur van het fonds, dat het beleid bepaalt, geen maker zit, is tekenend', vindt Dijkema. 'Hoe gewillig het oor van het bestuur ook mag zijn, er zal altijd van een begripskloof sprake zijn. Dat is ook de reden waarom vele podiumkunstenaars het fonds wantrouwen terwijl Scholten juist hun zakelijke partner probeert te zijn.'

Ook die 'zakelijke partner' heeft enkele wensdromen. Met het oog op de internationalisering, een ministerieel beleidspunt, hoopt Scholten dat er geld vrij komt voor internationale co-produkties, voor de import van buitenlandse groepen en voor een 'reprise-fonds dat het mogelijk moet maken uitgespeelde voorstellingen weer op te nemen voor bijvoorbeeld festivals in het buitenland'.

Zo kan het geschieden dat de directeur van het Fonds voor de Podiumkunsten als ware hij een kunstenaar in actie komt tegen de bezuinigingen, terwijl de kunstenaars als pseudo-ambtenaren hun toeschouwers tellen.

Dit is het tweede deel van een korte serie over het subsidiëren van de kunsten. Het eerste deel over de nieuwe Raad voor het Cultuurbeleid stond in Kunst & Cultuur van 31 maart.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden