Profiel George W. Bush

Hoe een nerveuze anti-intellectueel veranderde in een radicale, dove leider die dol is op machtsvertoon.

Toen president Bush in 2007 op een van zijn persconferenties werd gevraagd of hij nog wel rustig sliep (wat op de keper beschouwd een behoorlijk impertinente vraag was die je gewoonlijk reserveert voor een bewezen kinderverkrachter, een frauduleuze administrateur van de bejaardensoos en soortgelijke gasten van laag allooi) vluchtte hij met een noodvaart vooruit en begon hij over ‘het moeilijkste aspect van een presidentschap’, namelijk dat je jonge mensen, vaak genoeg argeloos van geest, met hun leven laat betalen voor jouw roekeloze project.

De president gebruikte natuurlijk andere woorden, maar voor het resultaat maakt dat geen verschil.

Zwaar leunt de last op de schouders.

Hoewel, woensdagavond was hij er snel mee klaar. In zijn televisierede tot het Amerikaanse volk verklaarde hij zich zonder omwegen verantwoordelijk voor fouten en misrekeningen uit het verleden en stelde hij vervolgens een bloedig en gewelddadig seizoen in het vooruitzicht.

Voor de president bestaat er zoiets als sterven voor de goede zaak; het maakt het sterven als het ware de moeite waard. Al een paar jaar gebruikt George W. Bush de gesneuvelden als argument voor zijn historische gelijk in Irak. Nu niet buigen, zegt hij dan, nu niet toegeven, het zou een slag in het gezicht zijn van al die Amerikaanse jongens en meisjes die het leven hebben gelaten op het veld van eer.

De beste manier om hun dood te gedenken, aldus de president, ‘is de taak te voltooien waarvoor zij hun leven gaven’. Waarna weer een nieuwe golf van jonge Amerikanen de dood binnentreedt, uit naam van een overwinning die zijzelf al helemaal niet zullen beleven en waarover een almaar ruimere kring van nabestaanden wanhopige twijfel koestert.

George W. Bush twijfelt niet.

Daarom slaapt hij ook zo lekker – die vraag lag er nog. Laura en hij hebben het tot gewoonte gemaakt aan het eind van het jaar in People Magazine te staan, een blad dat tracht te bewijzen dat roddel ook gezellig kan zijn. Of hij soms slaappillen neemt, was in december onverhoeds de vraag.

Eenzaam
Hoe eenzaam is George W. Bush? Wie zijn de intimi? Bush houdt van het presidentschap en van het Witte Huis – en van gesloten gordijnen. Niet alles hoeft zichtbaar; veel van de organisatie is onbekend. Bush houdt van formele regels. Iedereen wordt geacht hem aan te spreken met Mister President.
Hij verlangt absolute loyaliteit van zijn staf. Ook als hij aangebrand is, hetgeen maar al te vaak het geval is. Hij heeft altijd een regiment aan vrouwelijke raadgevers om zich heen gehad. Het waren vrouwen die hij al lang kende en die – heel belangrijk – hem niet tegenspraken. Maar Harriet Miers heeft juist vorige week haar ontslag aangekondigd als advocaat van de president. En Karen Hughes, communicatiedeskundige, is overwegend in het buitenland om het Amerikaanse begrip voor de islam uit te venten.
Condoleezza Rice, de minister van Buitenlandse Zaken, is de meest intieme raadgeefster. Ze brengt dikwijls het weekeinde door in het buitenverblijf van de president, Camp David. De Bushes zouden graag zien dat ze zich kandidaat stelde voor het presidentschap, maar Rice weigert, tot nu toe.
]]>

‘Ik moet zeggen, ik slaap een stuk beter dan de meeste mensen zouden aannemen.’ Het laatste deel van het antwoord deed een begin van schuldbesef vermoeden. Maar twijfel?

‘Het plan dat de president in een speech van twintig minuten vanuit de bibliotheek van het Witte Huis uiteenzette’, schreef The New York Times destijds over de extra inzet van twintigduizend soldaten, ‘is helemaal George Bush – in de ogen van zijn bewonderaars resoluut en principieel; in de ogen van critici stijfkoppig, zelfs lijdend aan waanideeën over de kansen op succes in Irak.

Het is het jongste bewijs dat de president ervan overtuigd is dat hij gelijk heeft en dat de geschiedenis hem in het gelijk zal stellen, zelfs al komt zo’n rehabilitatie lang nadat hij de Oval Office zal hebben verlaten.’

Begin 2007 was het voor het eerst dat de president niet uitsloot dat er fouten zijn gemaakt in Irak, zonder die fouten overigens aan deze of gene toe te schrijven, laat staan aan zichzelf.

Eigenlijk maakt hij geen fouten. Echte leiders maken geen fouten. In de zomer van vorig jaar was Maliki op bezoek, de halfwas premier van Irak. Hij had ‘een samenhangend plan’ meegebracht dat de rust in Bagdad en wijde omgeving zou herstellen, verzekerde de president.

Bush: ‘Dat is namelijk wat leiders doen. Zij zien een probleem, zij benoemen dat probleem en zij ontwikkelen een plan om het probleem op te lossen.’ George W. Bush is een leider. ‘Bush gaat er prat op de kwaliteiten van een held te hebben’, schreef The New Republic vier jaar geleden.

Dat is wel anders geweest. Bush was in een vroeger leven een schuwe, achterdochtige kat in een kooi. Hij ging naar Harvard en naar Yale, omdat elke telg uit de Bushdynastie nu eenmaal al generaties lang naar deze topuniversiteiten gaat.

Maar de anti-intellectueel George W. voelde zich er bekeken en de maat genomen. ‘Wat me stoorde was de manier waarop die lui van Yale zich intellectueel zo superieur voelden en zo arrogant.’

Niet langer als een kat in een kooi kwam hij in 2000 vanuit het beschermde Texas naar Washington. The Atlantic Monthly: ‘Hij heeft in zijn ogen die blik van paniek die dyslectische kinderen hebben als ze denken dat ze een fout gaan maken.’

David Ignatius, columnist van The Washington Post, zag beelden terug van de eerste inauguratie, in januari 2001. ‘Je kunt zien hoe nerveus hij was – zijn lichaam gespannen, zijn ogen die van hot naar haar schoten, zijn pak dat een halve maat te groot was.’

Dana Milbank, verslaggever van The Washington Post, volgde een televisie-interview met Bush. Het duurde veertien minuten. ‘De president was een vage verzameling van oogknipperingen, klopjes, schommelingen, draaiingen en verschuivingen. Hij had de lichaamstaal van een man die dringend ergens anders wilde zijn.’

Zo’n Bush zie je nog maar zelden. Hij heeft zijn onzekerheid omgekeerd in een afwezigheid van twijfel. Het zou ook een verbod op twijfel kunnen zijn. Bush is goed in geboden en verboden.

Hij was een enorme drinkebroer in de jaren tachtig. Behalve het glas kwam er niet veel uit zijn handen, zijn huwelijk dreigde te kapseizen. Zijn laatste kater had hij in een weekeinde in 1986 in het Broadmoor hotel in Colorado Springs. Daarna nooit meer een druppel gedronken.

Iets soortgelijks geldt voor zijn bekering tot God, kort nadat hij de drank had afgezworen. Dat was ook zoiets alomvattends. Hij gelooft dat God heeft gewild dat hij president werd, vrijheid is geen mensenwerk, maar een geschenk van God aan de wereld, de oorlog tegen het terrorisme is ‘een kruistocht’.

Bush lijkt zichzelf geen gematigdheid toe te staan. Gematigdheid brengt ongewisheid met zich mee. Daar is hij geen liefhebber van, dat geeft maar onrust. Dan maar liever radicaal. ‘Ik ben er niet voor de nuance’, heeft hij als taakopvatting afgegeven.

Het leidt tot een presidentschap dat steeds driester wordt en zijn geluk lijkt te zoeken in een zalig isolement.

Seymour Hersh, de befaamde onderzoeksjournalist van The New Yorker, heeft beschreven hoe Bush zich doof kan houden, letterlijk. Hij sprak een oud-adviseur van de president die een inspectietocht had gemaakt naar Irak.

‘Ik zei tegen de president: we zijn de oorlog niet aan het winnen. Hij vroeg: zijn we aan het verliezen? Ik zei: nog niet. De president leek niet blij met dat antwoord.’ De adviseur probeerde niettemin de president te doordringen van zijn boodschap. ‘Hij kon het niet horen.’

Bruce Bartlett was adviseur van Reagan en van de eerste president Bush. Over de tweede president Bush zegt hij: ‘Die denkt echt dat hij een opdracht van God heeft.’

Bartlett was een van de informanten van Ron Suskind, een oud-verslaggever van The Wall Street Journal. Suskind schreef een aantal boeken over Bush. Volgens hem heeft George W. zijn rijk gestoeld op gelovigen, op een ‘voor ons’ of ‘tegen ons’-model.

Ron Suskind heeft een kenmerkende confrontatie beschreven tussen George Bush en Colin Powell, de minister van Buitenlandse Zaken in de eerste periode. Volgens Bush zouden de Verenigde Staten afstand moeten nemen van het Israëlisch-Arabische conflict. Daar viel voorlopig toch geen goed garen te spinnen. Powell was verbijsterd toen hij ervan hoorde. Dertig jaar Amerikaanse diplomatie ging bij het afval. Bush was niet onder de indruk van Powells zorgen: ‘Af en toe kan vertoon van macht door het ene of andere kamp de dingen echt ophelderen’, zei de president.

‘Hij vergelijkt zichzelf met een omsingelde Harry Truman, impopulair toen deze voorop ging in de politiek van de vroege Koude Oorlog.’

Sydney Blumenthal is geen vriend van president Bush. Blumenthal was een van de naaste adviseurs van president Clinton tijdens diens jaren in het Witte Huis en nu vult hij zijn tijd met het schrijven van scherp geformuleerde columns.

Blumenthal: ‘Bush heeft twijfel, introspectie, ambivalentie en verantwoordelijkheid verworpen. Hij komt op voor de waarden van de soldaat: wilskracht, volharding en vastberadenheid. De strijd in Irak is een gevecht tussen wilskracht en twijfel. Elke dag bewijst zijn bravoure zijn superioriteit over mindere stervelingen. Hij kijkt met toenemende verachting naar degenen die zijn wilskracht ontberen.

‘Zelfs de suggestie van twijfel is op fatale wijze compromitterend. Elke erkenning van twijfel betekent totaal verlies, impotentie, schande. Bush kan niet met twijfel omgaan en toch functioneren. Colin Powell zat mis toen hij zei dat de huidige oorlogsstrategie een duidelijk oogmerk mist. De oorlog zelf is het oogmerk van Bush.’

Bush nadert Nixon als in zichzelf gekeerde tragische held. Andere Amerikaanse presidentschappen met een droevige afloop heeft hij al bereikt. ‘Parallellen met Vietnam zijn altijd levensgevaarlijk’, zei Anthony Cordesman van het Center for Strategic and International Studies in Washington. ‘Maar je begint een treffende gelijkenis te zien tussen George Bush en Lyndon Johnson. Beiden werden mislukte presidenten en tragische figuren lang voordat hun termijn afliep.’ Bush moet nog twee jaar.

Johnson liep vast in Vietnam en zag zich gedwongen af te zien van een nieuwe termijn als president. Hetzelfde gold in de jaren vijftig voor Harry Truman. Zijn politieke Waterloo was Korea.

Johnson leed onder zijn machteloosheid de Vietnamese oorlog ten goede te keren. ‘Er is niets zo erg als verliezen’, zei hij tegen zijn minister van Defensie Robert McNamara. ‘Maar ik heb geen idee hoe we dit moeten winnen.’

Ook de oude Bush werd verscheurd door zijn mogelijke verantwoordelijkheid voor oorlog. Hij schreef op Oudjaarsdag 1990 – het was de vooravond van de eerste Golfoorlog – een briefje aan zijn kinderen: ‘Als de vraag wordt gesteld: hoeveel levens ben je bereid op te offeren, scheurt mijn hart. Het antwoord is natuurlijk geen, geen enkel.’

Niemand weet wat er werkelijk woelt in de jonge Bush, nu zijn oorlog zo slecht loopt. Maar zijn retoriek mist de twijfel, de introspectie en de ambivalentie die zijn vader en andere Amerikaanse presidenten wel bereikten.

Bush verwoordt een standvastigheid die - je kunt het op je klompen aanvoelen - de Amerikanen binnenkort niet langer zullen accepteren. Er is niemand die weet wat dan moet gebeuren.

‘Voor de veiligheid van ons volk moet Amerika slagen in Irak’, meende George Bush woensdagavond in zijn televisierede. ‘Zelfs als onze nieuwe strategie precies werkt zoals gedacht, zal het dodelijke geweld voortgaan en moeten we meer Iraakse en Amerikaanse slachtoffers verwachten. De vraag is of onze nieuwe strategie ons dichter bij succes zal brengen. Ik geloof dat dit het geval is.’

Bush heeft gezegd dat hij niet zal wijken. Hij herhaalt het voor iedereen die het horen wil. Hij heeft toegezegd dat hij het zal blijven herhalen ‘zelfs als Laura en Barney de enigen zijn die me nog steunen’. Laura is zijn vrouw, Barney is de Schotse terriër.

In het nieuwe nummer van The Atlantic staat op de omslag een verhaal aangekondigd over de vraag waarom presidenten liegen. De these is dat alle presidenten liegen. Alleen, sommige presidenten liegen meer dan andere liegende presidenten. De zelfloochenaars zijn de ergste.

Het verhaal loopt uit op George W. Bush, allicht. ‘Bush schijnt niet te willen erkennen dat de situatie in Irak niet overeenkomt met zijn idee daarover. De gevaarlijkste leugens die een president kan doen, zo lijkt het, zijn de leugens die hij zichzelf aandoet.’

Bush herhaalt steeds dat hij niet zal wijken, ‘zelfs als Laura en Barney de enigen zijn die me nog steunen.’ Barney is zijn hond.

De oorspronkelijke versie van dit licht bewerkte artikel verscheen januari 2007 in de Volkskrant.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden