Profeet van de Opstand der Burgers

Een trottoiropzichter, een actieve verdediger van het publieke domein was de een jaar geleden gestorven journalist H.J. Schoo. Zijn essays, waarvan sommige nu al klassiek zijn, werden gebundeld in de Republiek van vrije burgers....

Twaalf jaar geleden probeerden H.J Schoo en ik het Amsterdamse Koningsplein over te steken. We werden op het zebrapad gesneden door een auto. Ik deinsde terug, maar Schoo haalde uit met zijn rechtervoet. Een flinke deuk in het portier links achter was het gevolg. De chauffeur maakte een enorme zwieper, maar vervolgde zijn weg – tot mijn grote opluchting. ‘Zo’, sprak Schoo, tevreden wijzend naar de gehavende auto, ‘die heeft wat aan z’n vrouw uit te leggen.’

H.J. Schoo (1945-2007) was behalve journalist ook wat hij zelf noemde sidewalk superintendent, een trottoiropzichter die actief het publieke domein verdedigde tegen – al dan niet gemotoriseerde – vandalen. De openbare ruimte is het domein waarop de gewone mensen zijn aangewezen. Om die reden inspecteerde Schoo als zelfbenoemde ‘stoepopzichter, tevens beste stuurman aan de wal’ voortdurend de staat waarin de binnensteden, het openbaar vervoer en collectieve voorzieningen als ziekenhuizen zich bevonden.

Schoo was een grote, licht ontvlambare, soms intimiderende man. Zijn traptechniek had hij in zijn Amsterdamse vlegeljaren ontwikkeld, waarin hij geregeld met Jopie Cruyff een balletje trapte. Na de ulo ging Schoo naar de kweekschool. Gewapend met een montessori-aantekening vertrok Schoo naar Chicago, waar hij onderwijzer werd op de Ancona Montessori School en in 1970 onderwijskunde en psychologie ging studeren aan het Erikson Institute of Early Childhood Education.

In Chicago las Schoo alles wat los en vast zat en maakte hij kennis met de empirische stijl van het Amerikaanse sociaal-wetenschappelijk onderzoek. Maar ook met topjournalistiek in de Chicago Tribune, The New York Times en tijdschriften als The New Republic, The New Yorker, The Atlantic Monthly en Vanity Fair.

Terug in Nederland kon Master of Education Schoo aan de slag bij de Grote Spectrum Encyclopedie. De encyclopedie zelf was geen commercieel succes, maar het netwerk van redacteuren (met onder anderen de gebroeders Vuijsje, Alexander Rinnooy Kan, Willem Velema en Michel Korzec) zou zich ontwikkelen tot een intellectuele voorhoede in de Nederlandse kwaliteitsjournalistiek. Schoo werd hoofdredacteur van Psychologie en in 1985 van Intermagazine, waar ik (adjunct van Intermediair) hem leerde kennen. Bij onze uitgever, het beursgenoteerde VNU Business Publications, raakten we allebei op dood spoor omdat onze ambities met slow journalism steeds meer begonnen af te wijken van de bladformules die onze bazen voor ogen hadden.

Toen Schoo en ik ongeschonden de overkant van het Koningsplein hadden bereikt, begonnen we aan een evaluatie van onze nieuwe werkgevers: hij was inmiddels hoofdredacteur van Elsevier, ik was net begonnen als chef van de Forumpagina van de Volkskrant.

Elsevier was niet het blad van de spraakmakende gemeente – wereldburger Schoo sprak van de Sprachherrschaft van ‘weldenkend, prudent-progressief Nederland’, dat het publieke debat monopoliseerde. De blues van Schoo was die avond: die mensen luisteren niet naar me.

Bovendien klaagde hij dat het blad geen topjournalisten had. Hij onderving dat door een hele strakke bladformule: veel kleine stukjes, veel feitelijke informatie in kadertjes en inzetjes, veel news you can use (in het genre ‘Betaal minder belasting’), inkrimping van de cultuursectie en niet meer dan één interview per nummer. Maar ook: commentaren met veel kritiek op de uit de hand gelopen verzorgingsstaat, dubieuze projecten als de Betuwelijn en de onbeheersbare migratie. En dossiers naar de stand van zaken bij slecht functionerende overheidsdiensten als de politie. Hij voerde een verjongingskuur door met vers afgestudeerden (vaak economen), die meteen in het diepe werden gegooid. Het resultaat was een gerevitaliseerd opinieblad, dat goed scoorde bij jonge lezers en adverteerders en dat vraagstukken agendeerde die andere media lieten liggen.

Schoo had als hoofdredacteur weinig tijd om zelf te schrijven. Hij had sowieso niet alle tijd van leven: na een hartoperatie eind jaren negentig wist hij dat hij z’n pensioen niet zou halen.

Het zou hem pas in 2003 lukken zijn leven zodanig in te richten dat hij zich helemaal op het schrijven van essays en zijn column op zaterdag in de Volkskrant kon toeleggen.

Maar Schoo had in zijn Elsevier-periode wel een uitgewerkt programma ontwikkeld dat in een aantal boeken zou moeten resulteren. Dit blijkt uit een voor het eerst gepubliceerd manuscript uit de gisteren ten doop gehouden bundel Republiek van vrije burgers, een zeer geslaagde keuze uit de nagelaten politieke essayistiek van Schoo door niet minder dan zes bezorgers: Jos de Beus, Marc Chavannes, Arendo Joustra, Remco Meijer, Willem Velema en Herman Vuijsje. Het gaat om een inleiding die Schoo in 2004 heeft geschreven voor een nooit voltooide studie, Het populistisch reveil.

De stelling van Schoo luidde dat Nederland na de verzuiling niet meer over een goed omlijnd en stabiel politiek systeem beschikte. De democratie was ontaard in een coöptatiesysteem van politieke elites die geen binding meer hadden met een herkenbare achterban. Dat systeem produceerde nog slechts ‘lijstvervullers, lieden zonder eigen mandaat, zonder vote-getting ability, uitverkoren niet door kiezers, maar door de in beslotenheid opererende kingmakers van partijen’. Deze ‘geleide democratie’ heeft geleid tot een ‘autistisch politiek systeem’ zonder mobiliserend vermogen én tot vervreemding ten opzichte van de opvattingen van de kiezers.

Steeds meer kiezers waren in de jaren negentig welvarende, goed opgeleide, mondige en dus op allerlei gebied autonome burgers geworden. Maar Schoo signaleerde dat deze op eigen benen staande burgers door de overheid op cruciale gebieden onder curatele werden gehouden. Als het gaat om onderwijs, gezondheidszorg, sociale zekerheid of volkshuisvesting belandt de mondige burger in ‘de loketteneconomie van de Oostzones’ (Bart Tromp, die andere in 2007 voortijdig overleden politieke essayist, sprak van de sovjetzones van de verzorgingsstaat). Schoo: ‘In deze Oostzones geldt: voor uw eigen bestwil weten wij het beter en regelen wij uw zaakjes wel. Ze beletten in het bijzonder de lagere sociale strata om ten volle vrije, verantwoordelijke burgers te worden. Een veelomvattend systeem van gedwongen winkelnering – school, medische zorg, corporatiewoning, sociale zekerheid – en de keuzeloosheid en beperkte zeggenschap van dien, waren de broedstoof voor de revolte der burgers.’

Schoo zag een afgebakende politieke gemeenschap als een fundament van de democratie. Dat betekent dat duidelijk moet zijn wie tot die gemeenschap behoren en wie niet. Vanuit dit uitgangspunt wees Schoo al in de jaren negentig op de ‘demografische aardverschuiving’ als gevolg van de immigratie en kritiseerde hij de ‘ge-openbaarde waarheid van het multiculturalisme’.

Hoe kwalificeren nieuwkomers zich voor het burgerschap, vroeg Schoo zich af. Niet door integratie als een culturele opgave te zien, als een kwestie van goede wil, voorlichting, motivatie, mentaliteit of onderwijs, een opgave dus die mensen zonder werk geacht werden te kunnen bolwerken.

Het importeren van ongeschoolden uit onderontwikkelde gebieden betekende volgens Schoo, ‘dat mensen zich aan hun haren omhoog moesten zien te trekken’. ‘Integratie zonder ruggensteun van economie, werkplek en arbeidstaak is een menselijkerwijs te zware opgave – voor wie dan ook. Historisch gezien begint integratie altijd met de arbeid. Mensen scherpen hun kunnen aan taken, ontlenen hun zelfvertrouwen aan hun nieuwe vaardigheden en a job well done.

‘Toch heeft ‘het beleid’ nieuwkomers hier veelal met de onhaalbare, dus wrede taak opgezadeld zich los van de economie sociaal-cultureel te integreren.’

Met deze economische benadering onderscheidde Schoo zich van andere critici van de multiculturele migratiebeleid, zoals Bolkestein, Scheffer en Fortuyn. In een eveneens niet eerder gepubliceerde terugblik op zijn verhouding met de man die hij in 1994 bij Elsevier als columnist aanstelde, bekent Schoo dat hij totaal geen fiducie had in de politieke aspiraties van Fortuyn. Diens succes kwam ook voor Schoo als een verrassing.

Maar de conflictstof voor de Opstand der Burgers van 2002 (de hoofdletters zijn van Schoo) die zich na het tijdperk van de verzuiling in de Nederlandse politiek ongemerkt opstapelde, is door niemand zo vroegtijdig en scherpzinnig in kaart gebracht als door H.J. Schoo.

Meer nog dan in zijn – altijd oorspronkelijke – columns, komt de denkkracht van Schoo tot ontplooiing in zijn langere beschouwingen, waarvan sommige, zoals Hedendaags republicanisme, tot de klassieken van de politieke essayistiek mogen worden gerekend.

De titel van zijn boek, Republiek van vrije burgers, wijst op een politiek programma, dat aan actualiteit nog niets heeft ingeboet. Door een uitgekiende rangschikking en afwisseling van de afzonderlijke artikelen, komt dit programma optimaal tot zijn recht.

Zeer instructief is de enthousiasmerende inleiding door Marc Chavannes namens de bezorgers. Het enige dat ik mis is Schoo’s grote essay over de onhaalbaarheid van het ideaal van de professionele journalistiek, Een ongeregeld zooitje, uit 2006 (gepubliceerd in Kok en Van der Maas: Zuiver op de graat).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden