Proefdier niet geholpen met loze wetgeving

Een kamermeerderheid wil dat de 'intrinsieke waarde' van het dier uitgangspunt wordt bij het beoordelen van dierproeven. Oussama Cherribi vindt dit onwerkbaar....

BINNENKORT behandelt de Tweede Kamer een wijziging van de Wet op de dierproeven. In hoeverre mag de mens dieren aan allerlei wrede behandelingen onderwerpen? Hebben dieren een intrinsieke waarde? Moet de intrinsieke waarde van het dier als uitgangspunt worden opgenomen in de Wet op de dierproeven, zoals wordt voorgesteld in een amendement van D66, PvdA, CDA en RPF? Of zelfs, zoals het D66-kamerlid Van den Bos heeft voorgesteld, in de Grondwet?

Over dierproeven lopen de meningen duidelijk uiteen, zowel binnen- als buiten het parlement. Dierenbeschermers zijn diep in hun hart voor een totaal verbod op dierproeven. Wetenschappers komen op voor de vrijheid van onderzoek. De bio-wetenschappen kunnen zich niet verder ontwikkelen zonder het doen van dierproeven (inclusief genetische modificatie).

Tussen beide groepen in staan degenen die dierproeven voor bepaalde doelen (zoals de gezondheid van mens en dier) geoorloofd achten, maar streven naar vermindering, vervanging en verfijning van dierproeven. Deze begrippen vormen het uitgangspunt van de wet.

Vermindering van dierproeven kan door het aantal dieren per proef zoveel mogelijk te beperken, doublures van dierproeven te voorkomen, en de informatie-uitwisseling tussen instituten te stimuleren. Zo wordt voorkomen dat meerdere keren dezelfde stof wordt getest.

Dierproeven kunnen tot op zekere hoogte worden vervangen door alternatieve onderzoeksmethoden. Sommige dierproeven kunnen worden vervangen door proeven in vitro, namelijk met een weefselkweek. Het probleem is dat een aantal 'grove' testen, zoals de LC50- en LD50-test, in landen als Japan en de VS verplicht zijn bij het op de markt brengen van produkten. De LC50- en LD50-test (waarbij wordt gekeken bij welke dosis gif de helft van het aantal proefdieren sterft) kan worden vervangen door alternatieve testmethoden, maar deze worden nog niet overal erkend.

Pas als dat het geval is kan het aantal dierproeven worden teruggedrongen. Ze zullen echter nooit geheel overbodig worden. Voor de ontwikkeling van bijvoorbeeld medicijnen, vaccins en voor toxilogisch onderzoek zijn dierproeven voorlopig onmisbaar.

Verfijning van dierproeven houdt in een zorgvuldige omgang met dieren, waardoor pijn en leed zoveel mogelijk worden voorkomen. Een voorbeeld hiervan is dat bij de LD50/LC50-testen in Nederland de dieren vaak al worden gedood voordat de gevolgen van de vergiftiging zich doen gelden. Het signaleren van bepaalde symptomen in een vroeg stadium van de proef volstaat. Dat neemt niet weg dat de dieren een vergiftiging ondergaan - en vervolgens worden gedood. In de toekomst kan in bepaalde gevallen verdoving worden voorgeschreven. Dit is echter alleen mogelijk als het verdoven niet in strijd is met het onderzoeksdoel van de proef.

Het wetsvoorstel bevat verder een artikel waarin het berokkenen van 'zeer ernstig ongerief' (lees: zeer ernstig dierenleed) wordt toegestaan als sprake is van 'essentiële behoeften van mens en dier'. De hamvraag is natuurlijk: wat wordt als 'zeer ernstig ongerief' aangemerkt, en voor welke 'essentiële behoeften' mogen deze dieren worden opgeofferd?

Het wetsvoorstel geeft een goede uitwerking van de drie v's (vervanging, vermindering en verfijning van dierproeven) en verplicht tot een ethische toetsing vooraf in de dieren-experimentcommissie. Maar een grens aan het lijden van proefdieren wordt in feite niet gesteld.

Mede daarom willen dierenbeschermers, gesteund door een aantal fracties het begrip 'intrinsieke waarde van dieren' in de wet zien opgenomen. Dat stuit echter op problemen. Als dit begrip het impliciete uitgangspunt van de dierproevenwet zou vormen, zo luidt ook het standpunt van de regering, is het merkwaardig dat dezelfde wet dierproeven die ernstig leed veroorzaken niet uitsluit, al worden daar strenge voorwaarden aan gesteld.

Als dieren een intrinsieke waarde hebben, zou het consequent zijn een totaal verbod op dierproeven te bepleiten, want in zekere zin pleegt elke dierproef inbreuk op de intrinsieke waarde van het dier.

In een meer gematigde variant wordt 'de intrinsieke waarde van het dier' toegevoegd aan de criteria die worden gehanteerd bij de ethische toetsing van een dierproef in de dierexperimentencommissie. Nu wordt het menselijk belang bij een proef afgewogen tegen het leed van het dier. Bij die afweging zou aan de waarde van het dier meer gewicht toegekend moeten worden. Daar is iets voor te zeggen. Dieren zijn geen wegwerpartikel.

Maar hoe verhoudt het begrip intrinsieke waarde zich tot het criterium dat in het wetsvoorstel wordt gebruikt: het ongerief dat het dier wordt berokkend? Kan dit begrip worden gebruikt in een afwegingsproces, waarin het belang van het dier het onderspit kan delven als er een grotere menselijke behoefte tegenover staat? Want dat kan de uitkomst zijn van een dergelijk afwegingsproces. Introductie van het begrip 'intrinsieke waarde' heeft slechts een symbolische waarde wanneer dieren er geen extra rechten aan kunnen ontlenen.

Dankzij de aanscherping van de wet, waarin dierproeven alleen worden toegestaan als er belangrijke menselijke of dierlijke behoeften in het geding zijn, lopen we (misschien met uitzondering van Scandinavische landen) voorop in de zorgvuldigheid met dierproeven.

Mede dankzij de voor Nederland unieke omstandigheid dat dierenbeschermers en dierproefuitvoerders on speaking terms zijn, is er een goede wetgeving ontwikkeld - en toezicht hierop. Daarmee kan veel dierenleed worden voorkomen. Een verbod op bepaalde wrede dierproeven in Nederland houdt het risico in dat bedrijven deze dierproeven laten uitvoeren in landen waar de wetgeving en het toezicht op dierproeven zich nog in een primitief stadium bevinden.

Een volledige uitbanning van dierproeven in de toekomst blijft waarschijnlijk een utopie. We moeten erkennen dat dierproeven voor de gezondheid van mens en dier resultaten hebben opgeleverd. Wetenschappers die op een zorgvuldige wijze omgaan met dierproeven en zich verantwoorden in de dierexperimentencommissie, mogen niet worden gestigmatiseerd.

OOK in de toekomst blijven de drie v's (vervanging, vermindering en verfijning van dierproeven) van groot belang. Op de lange termijn moeten we ernaar streven om de meest wrede dierproeven uit te bannen en een ondergrens te stellen aan het leed dat dieren kan worden berokkend, ongeacht het doel van de proef.

Dat kan alleen als er meer wordt geïnvesteerd in alternatieven, en als naar erkenning van alternatieven in internationaal verband wordt toegewerkt. Dat biedt meer bescherming voor dieren dan een symbolische wijziging van de Grondwet.

Oussama Cherribi

De auteur is lid van de Tweede Kamer voor de VVD.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden