Privéguerrilla's tegen de Staat; ONLUSTEN IN FRANKRIJK

VOOR Frankrijk is het nieuwe jaar niet erg vrolijk begonnen, met rellen in tientallen voorsteden en werklozen die de straat op gaan om hun deel van de taart op te eisen....

Ogenschijnlijk vertonen de banlieuerellen en het werklozenprotest niet veel overeenkomst, afgezien van de gemeenschappelijke moedeloosheid die eruit spreekt en die, na een opleving van een paar maanden omdat er een fris kabinet zat, weer bezit van Frankrijk heeft genomen. Er is echter een diepergaande gelijkenis. In beide gevallen realiseren de verliezers van de maatschappelijke tweedeling zich dat zij vermoedelijk nooit meer zullen meegenieten van de weelde die in de stadscentra ligt opgestapeld - vooral tijdens feestdagen. En vervolgens keren ze zich tegen de staat, respectievelijk het openbaar vervoer of het uitkeringskantoor.

De Franse staat kan de vorm aannemen van de altijd boos kijkende gendarme, van de schooljuffrouw die te veel huiswerk opgeeft, of van de minister (Aubry) die vanuit superieure hoogte verordonneert dat de werklozen op moeten houden met hun acties en 'vertrouwen moeten hebben in de Staat' (niet mijn hoofdletter), omdat Mme Aubry hun probleem onder handen heeft genomen.

De Franse staat weet, veel uitgesprokener dan de Nederlandse overheid, wat goed is voor zijn onderdanen. De moeilijkheid is dat de onderdanen er steeds minder van geloven. De banlieue-jongeren en de werklozen zijn alleen maar de laatsten - want de zwaksten - in een lange rij groepen die teleurgesteld zijn in de verdelende rechtvaardigheid die de staat belichaamt.

Op grond van die teleurstelling luchtten de laatste jaren achtereenvolgens de treinmachinisten, vrachtrijders, studenten, boeren en nu dan de werklozen en voorstadjongeren hun eigen woede - ten koste van de anderen. Het besef dat de staat het gemeenschappelijk belang, de res publica, vertegenwoordigt, heeft plaats gemaakt voor een privé-guerrilla van vele segmenten van de samenleving tegen de openbare dienst, op centraal of plaatselijk niveau, waarvan aan de ene kant het onmogelijke wordt gevraagd, en die aan de andere kant niet meer tegemoet kan komen aan redelijke verlangens.

De stand van zaken laat zich lezen in de peilingen. Ook in 1995 koesterde de overgrote meerderheid van de Fransen weinig sympathie voor de relschoppers in de banlieues. Maar 37 procent van de ondervraagden voelde wel wat voor een belastingstaking en 42 procent keurde bezetting van administratiekantoren goed. Die cijfers waren zeven jaar eerder, in 1988, respectievelijk 24 en 28 procent.

Frankrijk lijdt aan een echte Staatscrisis. De legitimiteit van de Staat, met andere woorden de bereidheid van de burgers zich aan de wet te houden, hangt voor een groot deel af van de mate waarin de overheid in staat is zijn beloften na te komen. Vanwege de mondialisering, het stabiliteitspact en langer het Europese Monetair Systeem, ontbreekt het regeringen steeds meer aan middelen om pretenties waar te maken.

Dat geldt uiteraard voor de meeste West-Europese landen. Eerder moest premier Lubbers zijn voornemen inslikken om op te stappen wanneer er een miljoen werklozen zouden zijn. Bondskanselier Kohl moest afgelopen week een soortgelijke manoeuvre uithalen, en toegeven dat het halveren van de Duitse werkloosheid voor het jaar 2000 zijn mogelijkheden te boven gaat.

Maar bij mijn weten is nergens de spanning tussen gewekte verwachtingen en reële politieke oplossingen zo groot als in Frankrijk. De retoriek van de Franse politicus is nog steeds gebaseerd op de overtuiging dat de politiek alle problemen de baas kan. De 'politicus van de terugtocht', het schaarse specimen dat zich realiseert dat hedendaagse politiek meer bestaat uit het verwoorden van maatschappelijke vragen en hooguit het aangeven van oplossingsrichtingen, is in Frankrijk al helemaal met een lampje te zoeken.

Franse politici, of ze nu Chirac of Jospin heten, houden vast aan wat heet 'de politiek van de wil'. Nu gaan we de werkloosheid met de 35-urige werkweek aanpakken, uiteraard bij wet ingevoerd, voor alle Fransen. Want de politiek zal het primaat hebben, ongeacht de gevolgen. Uiteraard is dat wat het publiek, inclusief de pers, wil horen. Om daarna keer op keer te concluderen dat er niks van terecht is gekomen en vervolgens de regering weg te staken of te stemmen. Sinds het begin van het regime-Mitterrand (1981) heeft geen Franse regering het langer volgehouden dan twee jaar.

Geen Fransman lijkt intussen op het idee te kunnen komen om de macht van de Staat te relativeren. Een typerend voorbeeld: Alain-Gérard Slama, respectabel essayist van het rechtse dagblad Le Figaro, schreef deze week over de 'crise d'État'. Alle factoren passeerden de revue, waarna de schrijver plotseling een U-bocht maakte om pal achter president Chirac te gaan staan. 'Door te laten zien dat hij de Staat in ere wil herstellen en door de burgemeesters van de getroffen steden op het Elysée uit te nodigen, heeft Chirac de goede diagnose gesteld: de oplossing van het sociale probleem is vooraleerst politiek, en ze ligt in zijn handen.' Op die manier is Frankrijk nog lang niet van zijn sociale onrust af.

Martin Sommer

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden