Prins, filosoof, klootzak

WIE, VERLEKKERD door de eerste Diaries, met spanning heeft zitten wachten op de nieuwe Alan Clark, kan licht teleurgesteld raken....

Dat ligt enigszins voor de hand. Het middelste deel van de uiteindelijke trilogie, dat in 1993 uitkwam toen Clark nog leefde (hij overleed vorig jaar aan een hersentumor op 71-jarige leeftijd), behelsde de glorietijd van de Tories onder Thatcher en beschreef met dodelijke precisie hoe de Conservatieven hun IJzeren Dame na meer dan twaalf jaar uit Downing Street verwijderden.

Maar er blijft meer dan genoeg te genieten over. Het nu verschenen boek loopt van 1972 tot eind 1982. Clark doet in dit deel zijn intrede in de Britse politiek als parlementslid voor Plymouth. Hij omschrijft deze stap, als 46-jarige, aldus: 'Mijn probleem is dat ik plotseling een baan krijg op een leeftijd dat andere mensen het kalmer aan gaan doen.'

Want werken voor de kost hoefden de Clarks al generaties lang niet, omdat Alans betovergrootvader de weefspoel had gepatenteerd waarmee de hele internationale textielindustrie op poten werd gezet. Vader Kenneth Clark was een vermaard kunsthistoricus en jarenlang directeur van de National Gallery, Londens bekendste museum. Clark senior bezát ook kunst.

Er is herhaaldelijk in het dagboek sprake van een dilemma: verkopen we die Cézanne nu wel of niet? Van hem kreeg Alan als oudste zoon het familiekasteel Saltwood in Kent, ten zuiden van Londen.

De kasteelheer was een zondagskind in de politiek. Misschien kreeg hij daardoor automatisch de afstand om het politieke spel te doorgronden, zoals hij dat op vrijwel elke bladzijde doet. Venijnige karakterschetsen van collega-politici duikelen over elkaar. Vooral de eigen partijgenoten vormen het doelwit van Clarks giftigheden.

Voor Labour lijkt hij een onverklaarbaar zwak te hebben. Met ex-premier Jim Callaghan is er zelfs iets wat in de buurt van vriendschap komt. Callaghan vraagt hem om advies inzake de Falklands-kwestie, dat hij met enige trots geeft. En plotseling duikt daar, al in 1981, bright, intelligent, able little Robin Cook op, beginnend parlementslid voor Edinburgh. Dat is de huidige minister van Buitenlandse Zaken; deze vroege typering is correct gebleken.

Clarks eigen politieke carrière kan in een paar data worden gevat. Hij was Member of Parliament voor Plymouth van 1974 tot 1992 en, omdat hij na zijn terugtreden het politieke spel hevig miste, van Kensington en Chelsea van 1997 tot zijn onverwachte dood in 1999. Tijdens die perioden - in Groot-Brittannië zitten bewindslieden tevens in het parlement - was hij van 1986 tot 1989 staatssecretaris van Handel en van 1989 tot 1992 staatssecretaris van Defensie.

Het was al met al een heel behoorlijke staat van dienst, maar Clark kan er niet helemaal tevreden mee zijn geweest. Zijn streven naar 'office' neemt soms pathologische trekjes aan. Hij meent al van jongs af een 'geboren leider' te zijn. Het maakt hem al in het prille begin van zijn toch al late politieke loopbaan hoogst ongeduldig. Want leider, zoals hij dat in de zin had, wordt hij niet. Misschien maar goed ook, want ergens lamenteert hij dat het nationaal-socialisme zichzelf zo heeft gediskwalificeerd: 'Het is een ramp voor de Angelsaksische rassen dat het nationaal-socialisme uitgeroeid is. Ja, ik ben een nazi.'

Clarks relatie tot Margaret Thatcher is van meet af vrij gecompliceerd. Hij zou pas veel later tot een kabinetsfunctie worden geroepen. Opvallend is ook dat de val van EdwardHeath in deze dagboeken, hoewel die er qua tijdsbestek ín had gehoord, slechts terloops wordt gemeld. Maar na het vertrek van Heath signaleert Clark wel het gemor in de rijen van de Tories over Thatchers allereerste aanzetten tot een nieuwe economische politiek die de Britten nog steeds heugt.

De Falklands-crisis (1982) vormt in dit deel het hoogtepunt voor de militaire expert Clark. Zijn vraag in het parlement aan minister van Buitenlandse Zaken Carrington hoe het stond met de activiteiten van de Britse inlichtingendiensten in Buenos Aires aan de vooravond van de Argentijnse invasie, leidde rechtstreeks tot het aftreden van de minister. Carrington is later veelvuldig geprezen om het feit dat hij de politieke verantwoordelijkheid voor de Falklands-crisis op zich nam, maar aan zijn ontslag zat, weet Clark, geen greintje vrijwilligheid.

Na zijn bezoek met een groep Lagerhuisleden aan de 'bevrijde' Falklands doet Clark zich openlijk kennen als adept van het aloude Britannia rules the waves. Hij schrijft aan een collega getroffen te zijn door de aanblik van blonde kindertjes die op de Falklands weer naar school konden na de strijd: 'Dat overtuigde me effectiever dan wat ook van datgene waarvoor we gevochten hebben, en hoe onmogelijk het was om hen aan een vijandelijke mogendheid over te laten.'

'Ben ik een renaissanceprins, een filosoof of een grote, ouder wordende klootzak?', vraagt Alan Clark zich op maandag 5 augustus 1974 af. Hij heeft, dat was de lezer van het eerstverschenen deel al duidelijk, de trekken van alledrie. Een groot deel van de charme van dit dagboek is, net als het eerste, de tamelijk meedogenloze manier waarop Clark zichzelf een spiegel voorhoudt.

Hij wéét dat hij met een gouden lepel in de mond geboren is, maar beseft ook dat hij, noblesse oblige, iets behoort te doen met zijn capaciteiten. Maar zoals zo vaak met hoogst intelligente mensen die niet om economische redenen iets per se moeten, versnippert hij aandacht en geest.

Hij studeert geschiedenis in Oxford, maar zit tegelijkertijd in de tweedehands autohandel - niet met plebejische vervoermiddelen uiteraard, maar uitsluitend echte classic cars. Tot het eind van zijn leven zou hij een behoorlijke collectie bezitten. En dan zijn er de huizen die aandacht vergen: het kasteel in Kent, een chalet in Zermatt, een flat in Londen en hier en daar nog wat optrekjes.

De liefde voor het schrijven had hij van zijn vader, die een fiks aantal kunsthistorische publicaties afscheidde. Alan Clark probeerde het eerst met een roman, die in de jaren zestig welwillend werd ontvangen. Maar de tweede poging tot fictie mislukte. Daarna kwamen er enkele gedegen militair-historische werken; op dat vakgebied lag zijn grote expertise.

Althans, dat heeft men lang gedacht. Zijn echte specialiteit blijkt nu elders te liggen: Alan Clark is een dagboekenschrijver van buitensporig formaat.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden