Prikken en slikken was de norm

Het merendeel van de Nederlandse profrenners heeft van het eind van de jaren negentig tot en met het begin van deze eeuw doping gebruikt. Doping was verankerd in de structuur van de Nederlandse wielerploegen, nadat epo zijn intrede had gedaan in het peloton.

DEN HAAG - Tot die bevindingen komt de commissie die de dopingcultuur in het Nederlandse wielrennen heeft onderzocht. Oud-minister Sorgdrager presenteerde maandag het rapport van haar commissie, dat voortvloeit uit tientallen gesprekken met betrokkenen uit de sport. Wie dat zijn of wat er is gezegd, blijft geheim.


In Meedoen of stoppen schetst de Commissie Anti-Doping Aanpak een nuchter maar meedogenloos beeld van een wereld waarin prikken en slikken lang de gangbare cultuur was. Nederlandse renners werden vanaf hun juniorentijd met onschuldige pillen en zalfjes rijp gemaakt voor het prepareren, zoals ze dat als prof geacht werden te doen.


Weinigen waren bestand tegen de druk van ploegleiders en sponsors, die prestaties verlangden maar volgens de commissie niet aantoonbaar tot doping aanzetten. Bij de teams was sprake van 'dopingmanagement': ploegartsen leidden het gebruik van verboden middelen in goede banen, omdat renners anders op eigen houtje aan de slag gingen en hun gezondheid riskeerden.


Kansloos

Veel renners keerden terug op hun antidopingstandpunt, omdat ze inzagen dat ze niet zonder konden als ze wilden slagen. Het verschil met renners die gebruikten was 'structureel' en de uitgangspositie in belangrijke wedstrijden dus 'kansloos', stelt de commissie.


Ze zwichtten ook omdat ze letterlijk van hun sport leefden: zonder diploma was het wielrennen hun economische vangnet en pensioen geworden. Bovendien wilden ze ploeggenoten die al wel gebruikten niet teleurstellen. Knechten deden met kopmannen mee, uit angst dat ze zonder doping niet presteerden en werden afgedankt.


Eenlingen die tegen de stroom in bleven roeien, moeten volgens de commissie 'sterk in hun schoenen hebben gestaan'. Maar ook zij wisten wat zich in de sport afspeelde, of konden het weten. Van de naïviteit waarop veel geïnterviewden zich beriepen, kan geen sprake zijn geweest, aldus Sorgdrager.


Nederlandse renners liepen niet voorop in het gebruik van doping, denkt de commissie. Ze keken er terughoudend tegenaan en er was sprake van een 'kennisachterstand'.


Kentering

Daardoor werd de stap om mee te doen pas 'relatief laat' gezet. De jaren zestig worden genoemd als de periode waarin doping voet aan de grond kreeg in het peloton, maar het was epo dat in de jaren negentig tot een onmiskenbare kentering leidde.


Sorgdrager denkt dat de commissie de waarheid heeft gehoord, omdat gesprekken in vertrouwen plaatsvonden en betrokkenen niet hoefden te vrezen voor sancties. In het convenant tussen de Nederlandse ploegen en wielerunie KNWU ontkenden renners en oud-renners het gebruik van doping juist massaal. Wie een bekentenis aflegde, kon rekenen op ontslag of een schorsing. Lachwekkend, noemde Michael Boogerd die paradox bij het ANP.


Volgens Sorgdrager hebben zowel oud-renners als actieve collega's hun verhaal gedaan. Ook artsen, journalisten, teammanagers, ploegleiders, sponsors en dopingbestrijders zijn gehoord. Het merendeel werd door de commissie benaderd, maar mensen konden zichzelf ook opgeven.


De zes maanden die de commissie kreeg van opdrachtgevers KNWU (wielerunie) en sportkoepel NOC*NSF was niet genoeg om alle verzoeken te honoreren. Blanco-renner Stef Clement zei gisteren dat hij maar niet meer op een gesprek rekende. 'We hebben een dwarsdoorsnede van het peloton geprobeerd te maken', aldus sportarts Edwin Goedhart, die net als hoogleraar sportontwikkeling Maarten van Bottenburg lid was van de commissie.


Pakkans

KNWU-voorzitter Wintels beloofde de aanbevelingen van de commissie over te dragen aan een nog op te richten werkgroep. Zoals verwacht hamert het rapport op betere voorlichting van de jongste renners over doping.


De pakkans van dopinggebruikers moet volgens de commissie omhoog. De aanpak van doping moet daarom worden weggehaald bij de UCI, ook om de vele belangen van de bond te scheiden. De UCI heeft baat bij spectaculaire wedstrijden, maar moet ook zijn beste renners controleren.


Sorgdrager durft voorzichtig van een cultuurverandering te spreken, ingezet door de invoering van het bloedpaspoort in 2008 en 'een andere houding' tegenover doping bij Nederlandse renners. Tegelijk is ze terughoudend, omdat ze geen bewijs heeft dat het er in de sport schoner aan toegaat.


Volgens de commissie valt het wel 'zeer te betwijfelen' dat het kat-en-muisspel, waarbij gebruikers de controleurs te slim af zijn, ooit ophoudt: 'De zoektocht naar en het testen van nieuwe middelen is nog gaande.'


WIE MOET ZICH DIT AANTREKKEN?

Lag het aan de sponsor, die vond dat er te weinig werd gewonnen? Maakte de teammanager zich grote zorgen over de toekomst , met alle gevolgen van dien? Of waren het toch echt de Nederlandse renners zelf die massaal overschakelden op doping? De commissie-Sorgdrager schuift niemand de schuld in de schoenen. Dat velen zich jarenlang bedienden van verboden middelen, mag het wielrennen zich als geheel aantrekken:

Leidinggevenden

Ploegleiders en teammanagers wisten de dans steevast te ontspringen. Ze ontkennen doping te hebben gezien bij hun renners, laat staan dat ze hen ertoe hebben aangezet. De ploegleiders van Rabobank hielden dat zelfs onder ede vol, in de zaak van Michael Rasmussen.

De commissie kijkt er anders tegenaan en noemt het 'zeer waarschijnlijk' dat de teamleiding wist dat renners vals speelden. Doping was 'verankerd' in de werkwijze van ploegen en het gebruik werd door het teammanagement en artsen in goede banen geleid.

Ploegartsen

Na de Tour de France van 1998 werd de verantwoordelijkheid voor doping meer en meer bij de renners neergelegd, aldus de commissie. Maar op de achterhand waren er nog altijd de ploegartsen die zich zowel verantwoordelijk voelden voor de gezondheid van de renners als voor de sportieve prestaties. Die combinatie brengt de gewenste onafhankelijke positie van de arts mogelijk in het geding, vinden de onderzoekers.

Sponsors

Ook de sponsors van het wielrennen gaan niet vrijuit. Sorgdrager heeft geen aanwijzingen dat ploegen bewust onder druk zijn gezet of door hun sponsor werden aangezet tot dopinggebruik. Maar het eindrapport noemt het 'naïef' als een sponsor ook na de Tour Dopage van 1998 nog 'blind vertrouwde op de eerbiediging van de contractafspraak dat er dopingvrije sport bedreven diende te worden.'

Dopingjagers

De invoering van de hematocrietcontroles in 1997 was bedoeld om een barrière op te werpen tegen degenen die de regels overtraden. Dit bracht veel renners ertoe om een hematocrietmeter te kopen. Dat bleek een uiterst nuttig instrument om voorbereid te zijn op de latere dopingcontroles. Daarmee katalyseerde de strijd tegen verboden middelen onbedoeld het gebruik ervan. Ook de geringe pakkans en de meerdere belangen van de internationale wielrenunie hebben het bestrijden van doping geen goed gedaan, aldus de commissie.

Media en publiek

Renners die werden uitgejoeld of in de krant als 'patatgeneratie' werden afgeschilderd omdat ze het niet konden bolwerken tegen gedopeerde rivalen; volgens de commissie-Sorgdrager moeten ook de media en het publiek zich afvragen of ze iets fout hebben gedaan.

Iedereen, 'ook het grote publiek', had kunnen weten wat zich in de epo-jaren negentig afspeelde in het wielrennen. En anders had men het wel kunnen weten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden