Premiestelling is crux van pensioenstelsel

Volgens B.M.S. van Praag hebben pensioenfondsen jarenlang te lage premies in rekening gebracht. Een politiek debat moet uitwijzen wat voor pensioen we willen, gebaseerd op een realistisch prijskaartje....

Er is veel discussie over de gezondheid van het Nederlandse pensioenstelsel. Ikzelf heb enige malen gewezen op de pension holidays en de te laag vastgestelde premies. Mijn collega Verbon wijst op het 'eindloonsysteem' als de boosdoener (Forum, 3 oktober). Hoe moet het pensioenprobleem worden beoordeeld en wat moet er aan gedaan worden?

De Nederlandse pensioengerechtigde krijgt ouderdomspensioen via twee systemen: de AOW en het 'aanvullend pensioen'. In de praktijk is de verhouding ongeveer 1 : 1. De AOW berust op het omslagstelsel, waarbij de beneden 65-jarigen AOW-premie betalen en waarbij die premie-ontvangsten hetzelfde jaar worden doorgesluisd naar de AOW-trekkers.

Het zal duidelijk zijn dat wanneer de verhouding tussen betalers en ontvangers bij de instelling van de AOW na de Tweede Wereldoorlog ongeveer 7 : 1 was en nu door de vergrijzing 4,5 : 1, terwijl de verhouding naar verwachting in de komende jaren zelfs naar 2,3 : 1 zal teruglopen, dat we een probleem met de AOW hebben. Of de AOW-premie moet drastisch omhoog óf de uitkering drastisch omlaag. Dat wordt gedicteerd door de demografische ontwikkelingen. Het sterke punt van de AOW is dat de uitkering waardevast is. Als zij meegroeit met de lonen zelfs welvaartsvast.

Het aanvullend pensioenstelsel wordt gevoed uit werkgevers- en werknemerspremies per bedrijf of per bedrijfstak. Het is sparen in euro's, die mits goed belegd, aangroeien door rente op rente. Het aantrekkelijke van het pensioen- of kapitaaldekkingsstelsel is dat de uitkomst niet afhankelijk is van de demografische ontwikkelingen. Iedereen spaart voor zichzelf. Een goed stelsel geeft een waardevast en zelfs welvaartsvast pensioen. Zeg dat de inflatie gemiddeld 2,5 procent is en de reële loongroei 1,5 procent per jaar, dan moeten de besparingen dus 4 procent nominaal aan rente of 1,5 procent reële rente per jaar opbrengen om een welvaartsvast pensioen mogelijk te maken.

Gedurende de laatste decennia zien we dat inderdaad gemiddeld een reële groei van die orde heeft plaatsgevonden, terwijl de lonen reëel met een zelfde tempo zijn gegroeid. Het is een kwestie voor econometristen en actuarissen om hier de puntjes op de i te zetten. Laten wij voor het gemak aannemen dat de gelijkheid exact is, dan betekent dit dus dat op de lange termijn in welvaartsvaste euro's de rente nul procent is. Er waren dus geen gouden rendementsbergen te verdelen wanneer we een lange periode van zeg 50 jaar (niet toevallig ongeveer een Kondratiew-cyclus) in beschouwing nemen. Rekentechnisch is deze gelijkheid zeer aantrekkelijk.

Stel bij voorbeeld dat iemand 40 jaar een constant welvaartsvast inkomen geniet en daarover premie betaalt (stijgend met inflatie en groei) en dan gedurende vijftien jaar een welvaartsvast pensioen wil genieten van 70 procent van dat constante inkomen. In dat geval is de pensioenpremie vrij eenvoudig uit te rekenen als vijftien maal 0,7 : 40. Dat is ongeveer 26 procent waarbij we afzien van administratiekosten, sterfte, etc. Wil men de helft uit de AOW bekostigen, dan komen we op een premie van 13 procent. Houdt men rekening met een stijgend loonprofiel en wil men het pensioen baseren op het gemiddeld verdiende loon, het zogenaamde middelloonstelsel, dan komt men uit op hetzelfde percentage. Het eindloonstelsel komt hoger uit.

Stel dat iemand de eerste 20 jaar 100 verdient en de tweede twintig jaar 200, dus het dubbele, en dat men het pensioen op 70 procent van het laatst verdiende inkomen wil stellen. Dan komt men via dezelfde berekening uit op een premie van vijftien maal 0,7 maal 2/(20 + 40) van ongeveer 34 procent of 17 procent wanneer de andere helft wordt gefinancierd uit de AOW.

Ik geef deze berekeningen omdat juist voor een welvaartsvast pensioen elke leek een indruk kan krijgen welke premies er nodig zijn onder welke veronderstellingen. Want om die veronderstellingen draait het. In de eerste plaats moet het gemiddelde loonprofiel goed worden ingeschat en bijgesteld waanneer daar aanleiding voor is. Sommigen zullen bij de hantering van een gemiddeld loonprofiel teveel betalen omdat ze gedurende hun leven minder stijgen dan gemiddeld. De secretaris-generaal is voordelig uit. Dit zijn echter dezelfde risico's als bij vroegtijdig sterven of juist langer leven dan de statistieken voorspellen. Dit soort schoonheidsfouten zijn eigen aan elke collectieve verzekering. Wordt de helling van het inkomensprofiel over de actieve periode te flauw ingeschat, dan wordt de premie te laag vastgesteld.

Wil het fonds dan de pensioentoezegging gestand doen, dan kan men voor de korte termijn slechts uit de problemen blijven door uit de spaarpot van jongeren te suppleren. Men creëert interne kruissubsidiëring aan ouderen door jongeren. Zoals Verbon terecht stelt leidt dat tot uitholling van het systeem en uiteindelijk tot een déconfiture. Dit ligt echter niet aan het eindloonstelsel op zich, maar aan een te lage premiestelling. Er zijn nog meer punten die het systeem kwetsbaar maken.

Stel dat in de rekensom van hierboven het aantal pensioenbetalende jaren terugloopt van 40 tot 35 omdat mensen eerder stoppen met (fulltime) werken en dat als gevolg daarvan het aantal pensioenjaren van 15 naar 20 stijgt. De breuk van 15/40 moet dan worden vervangen door 20/35 en de premie gaat omhoog van 13 procent naar 20 procent. De pensioengerechtigde leeftijd en de oplopende resterende levensduur zijn dus van cruciaal belang. De WAO, de vroegtijdige pensionering, het parttime werken en de sterk toegenomen participatie van vrouwen, die langer leven en gemiddeld korter werken, zijn niet voldoende meegenomen in de aannames waarop de premies worden berekend.

Natuurlijk is het duidelijk dat de premie naar beneden kan als men gemiddeld over de lange termijn meer reële rente kan maken dan die 1,5 procent, die ik hier voor noemde. In de opgaande Kondratiew-cyclus van rond 1975 tot 2000 hebben vele fondsbesturen en verzekeraars gedacht dat ze die hogere rentes konden realiseren door veel meer te beleggen in aandelen.

In de jaren negentig leek dat een groot succes met rendementen van tot 20 procent; nu zien we echter negatieve rendementen van dezelfde orde. De premie is op grond van de succesvolle rendementen verlaagd, bij het ABP bij voorbeeld van ongeveer 22 procent in 1981 tot ongeveer 9 procent in 1993. Een aantal fondsen reduceerde de premie zelfs tot nul procent en/of gaven reserves terug aan de werkgevers.

Het zijn deze afwijkingen van het vroeger consistente beleid van de gefixeerde lange- termijn rekenrente van 4 procent, die vele pensioenfondsen nu in de moeilijkheden hebben gebracht. Daar heeft het eindloonstelsel weinig mee te maken.

Mijn collega Verbon vraagt om een 'Deltaplan voor de pensioenregelingen'. Daar ben ik het van harte mee eens. De vraag is echter: hoe vul je dat in? Verbons aanbeveling om nog minder te gaan sparen lijkt me niet navolgenswaard.

Als de factor arbeid zo schaars wordt zullen we juist toe moeten naar vervanging van arbeid door kapitaal. Een van de belangrijkste bronnen daarvoor zijn de pensioenbesparingen.

Overigens hoeft dat kapitaal niet alleen in Nederland belegd te worden. Wanneer we het kapitaaldekkingsstelsel op een laag pitje zetten zoals Verbon wil, dan moeten we een nog groter beroep doen op het AOW-omslagstelsel, waarvan eerder bleek dat dit bij de huidige demografische ontwikkelingen uiterst onaantrekkelijk is.

Tenslotte ben ik geen voorstander van een Nationaal Pensioenfonds zoals Verbon bepleit. Sinds de kabinetten Lubbers-III en Kok-I een bedrag van vele miljarden hebben ontfutseld aan het ABP voor het dempen van begrotingstekorten in de jaren negentig, zie ik de overheid als een onbetrouwbare partner voor het instandhouden van pensioenen.

Het Deltaplan zal moeten worden gefundeerd op een politieke (en jawel: brede maatschappelijke) besluitvorming over wat voor pensioen of pensioenvarianten we willen hebben, gebaseerd op realistische prijskaartjes.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden