Pratende Koppen

Afgelopen weekeinde heeft Voetbal International-hoofdredacteur Johan Derksen de Talking Head Award gewonnen als beste 'praathoofd' op de Nederlandse televisie...

Tot vorig weekeinde wist ik niet dat een dergelijke prijs bestond, maar nu die bestaat vraag ik mij af of gelauwerde zich geprezen of beledigd moet voelen. Laat ik maar van het eerste uitgaan; het is immers geen geheim dat gesprekjes en praatshowtjes een favoriet tijdverdrijf zijn van babbelminnend Nederland.

Maar ik wilde méér weten, de motieven van de jury, en dus ging ik op zoek naar haar rapport, dat mij vertelde dat Derksen bekroond werd om voornamelijk twee eigenschappen: 1. cameravastheid en 2. uithoudingsvermogen. De jury omschreef de nestor van de voetbaljournalistiek als respectievelijk 'een veldheer die bewegingloos op zijn stoel zit' en die 'ondanks zijn spervuur aan meningen nergens inzakt en na twee uur praat-tv nog nét zo enthousiast aan zijn Havanna trekt'.

Met andere woorden: wil je hoge ogen gooien voor de Award, dan moet je het vermogen bezitten om stokstijf te kunnen lapzwansen, en dat urenlang achter elkaar.

Waarvan akte.

In elk geval brengt mij dat op de volgende gedachte. Grosso modo kennen we twee soorten praters: zij die praten omdat zij iets te zeggen hebben, en zij die praten om het praten zelf. De eersten hebben gedachten of ervaringen die zij de moeite van het mededelen waard vinden, en de anderen hebben aandacht en geld nodig en praten dáárom.

De eerste categorie praters is schaars in televisieland; zij verkiezen het geschreven woord boven het gesprokene, of leven bij voorkeur in eenzaamheid. De tweede categorie daarentegen kan niet toeven in de eenzaamheid van hun hart, ze leven in hun lippen en beschouwen de keelklank als heerlijke afleiding en tijdverdrijf. Zij komen tot bloei in studioruimtes, alwaar zij meesters zijn in het vullen van zendtijd - dit praatzieke soort is talrijk.

Mijn stelling luidt: het universum van de schrijfkamer verschilt hemelsbreed van dat van de studioruimte. Dit verschil lijkt voor de hand liggend, maar wordt helaas zelden gerespecteerd. Want hoe normaal is het geworden dat na een of ander spraakmakend opinieartikel de desbetreffende auteur platgebeld wordt door opgewonden programmamakers die hem uitnodigen die opinie nog eens te verkondigen, maar nu met de microfoon onder de neus (en natuurlijk: pro deo).

Hafid Bouazza - de moedige schrijver die HP/De Tijd van een alibi voorzag om op zoek te gaan naar de Garde der Moslimvrijdenkers, zodat we op bladzijde 12 en 13 vergast worden met Stoute Meningen van twee kinderboekenschrijfsters, één kinderboekdebutant en één Iraanse balling die onvermoeibaar de Nederlandse overheid hekelt vanwege haar 'politiek-correctheid' maar vergeten is dat zonder die correctheid hij nu nog steeds zijn dagen zou hebben gesleten als een hond aan de Nederlandse poorten - is duidelijk iemand die de media liever bedient vanuit de warme, veilige behaaglijkheid van zijn schrijftafelburcht. Toen na zijn artikel in NRC Handelsblad de aanvragen binnenstroomden, klom hij met afgrijzen in de pen 'omdat ik er niet voor voel om een pratende kop te worden die ether en beeldscherm vult met efemere graffiti, en vanwege de simpele reden dat ik schrijver ben, geef ik er de voorkeur aan mijn opvattingen schriftelijk uiteen te zetten'.

Begrijpelijk, het nerveuze geschmink in de artiestenkamer, het schelle spotlicht, de zwetende geluidsman die jouw scheten kan ruiken, de stijve, onhandige gebaren, de duizenden kijkbuisklanten die jou van ballengekrab afhouden, en natuurlijk: de impertinente camera die iedere verspreking en banaliteit genadeloos vastlegt; al deze elementen staan in schril contrast met de heilzaamheid van de schrijfkamer waar de geest in alle rust zijn eieren, na lang broeden en boetseren, kan leggen. Het jong dat dan uit het ei komt rollen, is zovele malen fraaier en gaver dan de miskraam die er met schokken en duwen uit wordt geramd.

NRC-dramaturg Paul Scheffer (na de allochtoon nu het drama-Kok) heeft nergens last van. Reeds de volgende dag nam hij zitting in Buitenhof, alwaar hij in een even eloquente stijl de ene na de andere volzin afscheidde alsof het gedrukt stond.

Michaël Zeeman en Stephan Sanders zijn eveneens twee voorbeelden van lieden bij wie het zacht zoemende oog van de camera griezelig weinig beslag legt op hun retorische vermogens. Hun studeerkamers liggen in het verlengde van de studio's en hun taal op papier valt vrijwel samen met hun taal op de beeldbuis - weinigen is dat gegeven.

Zelfs schrijvers niet. Mulisch schijnt op papier groots en virtuoos, maar hoe amusant is het om deze grootheid voor het oog van de camera te zien verschrompelen als een paddestoel in de zon, die de ene platitude na de andere ten beste geeft. Reve daarentegen zwemt in beide werelden; zowel in zijn zalig verklaard pielehuisje als in de Gooise martelkamertjes is hij stijlvol, geestig en anekdotisch. Ook Wolkers mag zich gezegend noemen. Diens manier van praten op kabel en ether loopt parallel aan zijn beeldende, aanstekelijke schrijfstijl, en het mag dan niet verwonderlijk heten dat hij thans iedere zondag verslag doet uit zijn achtertuin.

Twee werelden dus, die soms in elkaar overvloeien, maar dikwijls niet.

Programmamakers zouden zich daar meer rekenschap van moeten geven, beseffende dat niet iedere writing head een talking head is en dat gedachten, in zoverre zij onderworpen zijn aan de wet van de zwaartekracht, de weg van hoofd naar papier via een andere weg afleggen dan van die van hoofd naar tong.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden