Prachtig terugkijken

In een fraaie dvd-box heeft muziekblad Rolling Stone 1026 afleveringen gebundeld. Als trendsetter is het tijdschrift de afgelopen jaren nauwelijks relevant gebleken....

In mei vorig jaar vierde het Amerikaanse tijdschrift Rolling Stone zijn veertig jarig jubileum met een dubbelnummer. Twintig prominenten uit de Amerikaanse politieke en culturele geschiedenis werden erin uitvoerig geïnterviewd. Van Bob Dylan tot Jimmy Carter en van Norman Mailer tot Steven Spielberg, kwamen die personen aan het woord die volgens de nog altijd aan het blad verbonden Jann S. Wenner niet alleen de tijd, maar ook het tijdschrift mede hadden vormgegeven.

Het zegt veel over de status van Rolling Stone, dat toch niet bepaald zeer makkelijk tot interviews te verleiden mensen als Spielberg en Dylan nu zo ruimhartig toestemden. Volgens Wenner, die het blad in november 1967 oprichtte, is het altijd de bedoeling geweest de lezers niet alleen te informeren over de nieuwste popmuziek, maar ook over literatuur, film en politiek – allemaal vanuit de gedachte dat het tijd werd voor een nieuw geluid in de media, gemaakt door een nieuwe generatie.

Lezing van dit bewaarnummer deed echter ook de vraag opkomen of het blad niet te veel in het verleden was blijven hangen. Leuk al die oud-politici en krasse knarren uit de pophistorie, maar wat betekende Rolling Stone in 2007 nog voor die mensen die nu net zo oud zijn als de vroege twintiger die Wenner in 1967 was?

Ook daar kwam vorig jaar een antwoord op, want de jubilaris had nog twee dubbelnummers in petto: een gewijd aan de zogeheten Summer Of Love, de zomer van 1967 waarin niet alleen het hippiedom tot bloei kwam, maar ook de basis van het tijdschrift werd gelegd. Een tweede dubbelnummer zou zich richten op de toekomst.

Where Are We Going, heette dit dubbelnummer van november vorig jaar. En hoewel interviews met Al Gore en Bono aangaven dat het adressenboekje van Wenner en zijn staf niet alleen gevuld is met bejaarden, bleek dat de toekomst iets is waar Rolling Stone eigenlijk geen vat op heeft. Het aardige is dat dit altijd zo geweest is, zo blijkt uit het mooiste kado dat Rolling Stone zichzelf, hun lezers van vroeger en hun toekomstige lezers vorig jaar schonken: een grote doos met daarin vier cd’s.

Rolling Stone Cover To Cover bevat alle 1026 edities van het tijdschrift zoals die tussen november 1967 en mei 2007 verschenen. Digitaal vastgelegd op cd-rom. Op de computer is het mogelijk alle ruim 98 duizend bedrukte papieren pagina’s door te bladeren, of bepaalde stukken op te zoeken. Alle pagina’s zijn handmatig gescand, veel oude exemplaren ogen vergeeld of zijn zelfs voorzien van gaatjes die een langdurig verblijf in ordners verraden.

Zoeken kan op verschillende manieren. Browsend langs alle omslagen en het blad openklikken als er een onderwerp voorbijkomt dat je bevalt. Of door het intoetsen van een naam van een artiest, auteur of plaat. Het duurt vaak even voordat de juiste pagina’s op het scherm verschijnen en het is ook te merken dat de teksten niet allemaal gedigitaliseerd zijn. Ze zijn te lezen in een pdf-bestand, en alle artikelen lijken handmatig gedocumenteerd. Merkwaardig is ook dat wanneer je op auteursnaam wilt zoeken, niet alle Rolling Stone-schrijvers tevoorschijn komen. Greil Marcus en Michael Goldberg, in respectievelijk de jaren zeventig en tachtig belangrijke redactionele peilers van het blad, gaven hiervoor blijkbaar geen toestemming. Niet dat het veel uitmaakt, want wanneer je hun namen intikt onder ‘bevat deze woorden’ komt hun productie alsnog op het scherm tevoorschijn.

Als naslagwerk kent Rolling Stone Cover To Cover zo zijn beperkingen, want het zou ook wel handig zijn als je plaatbesprekingen gewoon onder titel- en/of bandnaam kon opzoeken. Ook dat kan alleen indirect, wat niet zo erg is als een plaat Swordfishtrombones heet, maar al lastiger wordt als er woorden als ‘allright’ in de titel staan.

Wie echter gewoon vanaf jaargang 1, nummer 1 begint te bladeren, ziet een prachtige geschiedenis van de Amerikaanse popcultuur aan zich voorbij trekken. Het blad, volgens Wenner in zijn hoofdcommentaar ‘een soort tijdschrift en een soort krant ineen’, opent met een foto van John Lennon verkleed als soldaat in oorlogsuitrusting, gemaakt op de set van Richard Lesters How I Won The War. Oogt al meteen militant: de grootste rockster van dat moment die ten strijde lijkt te trekken. Ook het openingsverhaal Where is the Money from Monterey zet gelijk de toon. Het blad vraagt zich af of en hoe het die zomer gehouden Monterey-festival eigenlijk financieel in goede banen is geleid. Dergelijke financiële vraagstukken is Rolling Stone nooit uit de weg gegaan. Sterker nog: vaak zette het blad in een vroeg stadium al vraagtekens bij kwesties die nog lang geen kwesties leken.

Bijvoorbeeld in 1984 toen Michael Jackson, op dat moment de grootste popster ter wereld, met zijn broers een wereldtournee aankondigde. In maart van dat jaar begon Michael Goldberg een reeks artikelen waarin hij grote vraagtekens zette bij het welslagen ervan. Zijn uiteenzetting over de druk waarmee de ‘deal’ tot stand kwam, de rol van vader Joe en bokspromotor Don King die zich tegen Michaels wens over de tour had ontfermd, leest nog altijd als een spannend verhaal. Dat Rolling Stone zich hiermee binnen de industrie niet populair maakte lijdt geen twijfel. Slecht nieuws over de meest geliefde popster, die op dat moment bij pers en publiek geen kwaad kon doen, daarmee maakt je jezelf niet populair.

Goldberg kreeg gelijk, de tour werd een ramp en zou het begin inluiden van het geestelijke verval van Jackson, die overigens door de Rolling Stone-redactie altijd zeer ruimhartig is behandeld. Maar het durven publiceren van dergelijke stukken, dat is waar het blad vooral groot mee geworden is. In dezelfde tijd waarin Goldberg zijn bevindingen deed, begon Tom Wolfe ook met zijn feuilleton dat over dertig edities zou worden uitgespreid: The Bonfire Of The Vanities.

Het is aanbevelenswaardig delen van deze roman eens te herlezen tussen de uitingen van de popcultuur zoals die in ’84 en ’85 van de omringende pagina’s afspatte. Opgeföhnde kapsels en haarbanden in de sigarettenreclames, lelijk opgemaakte heren van heavy metal bands en heel veel Bruce Springsteen, die precies in die periode zijn wereldwijde doorbraak naar een megastatus beleefde met Born In The USA.

Springsteens kop prijkt naast die van Bob Dylan, Bono en Mick Jagger misschien wel het vaakst op de cover van het blad, en tot op de dag van vandaag lijkt hij bij de redactie geen kwaad te kunnen doen. Maar wanneer is die euforie rond de zanger uit New Jersey eigenlijk begonnen?

Bij Jon Landau, zo zegt de geschiedschrijving, al jaren zijn manager, maar in de jaren zeventig schrijvend voor Rolling Stone. Hij zou de gevleugelde woorden ‘I have seen the future of rock and roll and its name is Bruce Springsteen’ hebben opgeschreven. Dat klopt, maar niet in zijn blad, zoals vaak beweerd wordt. Landau deed die uitspraak eind 1974 in de Real Paper, een krant in Boston, en het zou ook nog even duren voordat hij de hele Rolling Stone-redactie omkreeg. Born To Run, inmiddels algemeen gezien als de sleutelplaat in zijn oeuvre, was in 1975 niet eens de plaat waarmee de recensierubriek geopend werd. Die eer viel te beurt aan Eric Clapton met zijn inmiddels lang vergeten E.C. Here.

En zo blijken ze bij Rolling Stone vaker zuiniger in hun loftuitingen dan ze achteraf zouden willen. Neem Nirvana’s Nevermind. De drie sterren die dit cruciale rockalbum werd toebedeeld, weggemoffeld in de recensierubriek, bewijzen dat ze bij het blad nog niet van zins waren mee te gaan in de grunge-hype zoals die in Europa al woedde. Lang nadat de Britse popbladen Seattle al hadden aangewezen als de belangrijkste rockstad ter wereld kwam Rolling Stone pas met een eigen verhaal.

En de redactie was dan wel zo fideel om in hun jaaroverzicht van 1988 Public Enemy’s It Takes A Nation Of Millions To Hold Us Back tot een van de belangrijkste albums van dat jaar te bestempelen. Toen het album in de zomer van dat jaar verscheen, werd het niet opgemerkt.

En zo zijn veel grote en kleine revoluties in de popmuziek aan het blad voorbijgegaan. Ook de punk wordt lang niet serieus genomen, belangwekkende debuten van Patti Smith en de Ramones worden wel erkend, maar het nieuws dat Loggins & Messina uit elkaar gaan wordt redactioneel veel breder uitgemeten.

Als trendsetter is Rolling Stone de afgelopen jaren nauwelijks relevant gebleken. Bijna aanstootgevend is het gedweep aan het begin van deze eeuw met Britney Spears en de Backstreet Boys, die alle aandacht krijgen. Het blad wil ineens wel heel nadrukkelijk ook de kinderen van hun trouwe abonnees weten te strikken, een beleid dat het de afgelopen enigszins heeft laten varen, maar wanneer je nu al browsend door december 2000 in de ‘top 10 van beste popsongs aller tijden’ een liedje van de Backstreet Boys tegenkomt, vermoed je hier vooral een knieval voor de commercie.

Dat was in 1971 wel anders, toen ene Raoul Duke in twee edities een complete roman mocht afdrukken: Fear And Loathing In Las Vegas. Die Duke bleek later niemand minder dan Hunter S. Thompson. En het is zijn zelfbenoemde Gonzo-journalistiek die in deze uitgave misschien wel het meest monumentaal geëerd wordt. Zijn tienduizenden woorden omvattende verslagen over de voorverkiezingen in 1972 bijvoorbeeld komen in tijdschriftvorm, tussen advertenties voor een lp van Yes en een postuum van Mahalia Jackson, nog beter tot hun recht dan in boekvorm.

Niet alleen de tekst zelf, maar juist de context waarin die gepubliceerd werd, maakt dat je niet uitgelezen raakt in de 98 duizend pagina’s die Rolling Stone in veertig jaar heeft gepubliceerd. Vooruitblikken is nooit hun sterkste kant gebleken, maar veertig jaar popcultuur is nooit beter te volgen geweest dan in deze uitgave.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden