Potige boerenzoons als stakingsbrekers

IN 1919 SPRAK DE Utrechtse hoogleraar theologie Slotemaker de Bruïne de jaarvergadering toe van de toen nog piepjonge Nederlandse Christelijke Boeren- en Tuindersbond (CBTB)....

De uitspraken van Slotemaker de Bruïne zijn om meer redenen opmerkelijk. De evolutietheorie was aan deze geleerde kennelijk voorbijgegaan. Zo ook het feit dat technisch-economisch gesproken Nederlandse boeren in Europa tot de minst conservatieve behoorden. De intensiteit waarmee vaderlandse agrariërs de natuur bestreden en hun land in cultuur brachten, was nergens in Europa groter, hetgeen verklaart dat in Nederland het aantal werkenden in de landbouw, anders dan elders in West Europa, pas na de Tweede Wereldoorlog begon te dalen.

Maar dat de agrariërs die door Slotemaker de Bruïne werden toegesproken in sociale zin conservatief waren, viel niet te ontkennen. Van de moderne arbeider en de arbeidersbeweging moesten ze niets hebben. De langst durende landarbeidersstaking, die eind jaren twintig het Groningse Oldambt trof, werd gebroken met hulp van potige christelijke boerenzoons van elders, die onder het zingen van het Wilhelmus hun in het nauw gebrachte geestverwanten te hulp schoten.

Slotemaker de Bruïne was in de afgelopen eeuw niet de enige die een blinde vlek had voor het fenomeen dat op technisch-economisch gebied de Nederlandse boer allerminst conservatief is. Boeren en tuinders zijn sinds jaar en dag opvallend productief, en vooral na de Tweede Wereldoorlog hebben zij zich ontpopt als de spreekwoordelijke tovenaarsleerlingen. Zo steeg bijvoorbeeld in de periode 1973-1983, wanneer volgens Op goede gronden 'de agrarische ontevredenheid algemeen is', de arbeidsproductiviteit jaarlijks met 6 procent en de productie met 5 procent. Daar zou zelfs Holle Bolle Gijs niet tegenop kunnen eten.

Een van de mogelijke antwoorden op de productiviteitsexplosie kwam van de eurocommissaris van landbouw, Sicco Mansholt, in 1968. Hij stelde voor in tien jaar de agrarische beroepsbevolking te halveren, vijf miljoen hectare uit productie te nemen en de garantieprijzen af te schaffen. Dat vond bij de bond geen genade. Mansholt was kennelijk de socialist die de kleine boeren wilde laten verdwijnen.

Een andere mogelijkheid van verzet tegen het moderniseren van de landbouw of van onderdelen ervan was interessant genoeg de opstelling van christelijke boeren die naar Canada emigreerden. Zij stelden in hun boerenorganisaties rentmeesterschap centraal, zetten zich in voor milieu- en dierenbescherming, en kritiseerden vanuit dat oogpunt de moderne landbouw in Noord-Amerika. Maar daar koos de CBTB evenmin voor. Uiteindelijk is men botsautootje blijven spelen met overproductie en verlies van achterban.

Op goede gronden is vooral gebaseerd op stukken uit het archief van de Christelijke Boeren- en Tuindersbond. Hoewel deze inmiddels ter ziele is, zijn de geestelijke nazaten nog steeds onder ons. De huidige voorzitter van landbouworganisatie LTO, Doornbos, is in die bond groot geworden. Vooral tussen 1930 en 1990 is de invloed van de christelijke boeren zeer aanzienlijk geweest. Met de mannenbroeders van de Anti-Revolutionaire Partij bestond een hechte band. De machtige vooroorlogse politicus Hendrik Colijn was nauw betrokken geweest bij de oprichting van de bond. En naoorlogse politieke spraakmakers in de ARP en het CDA als Barend Biesheuvel, Jan de Koning en Piet Bukman waren bondsvoorzitter of -secretaris geweest. Prominente christelijke politici als Hannie van Leeuwen en Jan van Noord kwamen uit hetzelfde nest. En in het groene front van landbouworganisaties speelden christelijke boeren een belangrijke rol.

Een belangrijk thema in het boek is de ongemakkelijke verhouding met de overheid. Het onderbuikgevoel van veel christelijke boeren was dat de overheid vergelijkbaar is met het Beest uit de Afgrond, beschreven in het Bijbelboek der Openbaringen. Hendrik Colijn waarschuwde de voorloper van de CBTB voor 'de staatsmacht die een golf van staatssocialisme over ons zal doen gaan'.

Na de Tweede Wereldoorlog verklaarde CBTB-voorzitter Van den Heuvel dat hij van de overheid nog nooit iets goeds had gezien. Niettemin is de boerenstand sterk afhankelijk geworden van de staat. De eerste aanzet werd gegeven in de jaren negentig van de negentiende eeuw, toen een diepe landbouwcrisis de Nederlandse land- en tuinbouw op zijn grondvesten deed schudden. De toen nog zeer liberale regering meende geen andere keus te hebben dan stevig te interveniëren en de boeren op het terrein van kwaliteitsregelingen, onderwijs, voorlichting en onderzoek bij te springen.

De uitvoerproblemen, voortvloeidend uit de Eerste Wereldoorlog, en de opkomst van meer interventionistische christelijke politici vergrootten in het tweede decennium van de twintigste eeuw de overheidsbemoeienis. Een grote stap voorwaarts werd in de jaren dertig gezet, toen tijdens de economische crisis een groot deel van de boerenstand kopje-onder dreigde te gaan - en zonder drastisch staatsingrijpen was dat zeker gebeurd. Na de Tweede Wereldoorlog ontstaat in Nederland, en daarna in de Europese Unie, een systeem van garantieprijzen en komen er financiële vangnetten.

Wanneer het in 1976 extreem droog is, worden ook particuliere initiatieven ontwikkeld voor een steunfonds: Actie Boerenhulp. Een aantal hoofdbestuurders van de CBTB wil daar aanvankelijk niets mee te maken hebben. Boeren in problemen hebben immers recht op overheidssteun. Uiteindelijk gaan ze schoorvoetend akkoord, 'omdat dit de verhouding tussen boer en burger kan verbeteren'. Inderdaad worden boeren in tijden van varkenspest, BSE, MKZ en grote overstromingen met enorme sommen gemeenschapsmiddelen op de been gehouden. De staatssteun werd en wordt klagelijk aanvaard. Het was en is altijd te weinig. Maar tegen overheidsregels, de keerzijde van de medaille, is vanaf 1918 te hoop gelopen. Tussen de wereldoorlogen was arbeidersvriendelijke wetgeving 'uit den boze'.

Na de Tweede Wereldoorlog sprak het in de ogen van de CBTB'ers vanzelf dat boeren onder meer door gegarandeerde prijzen deelden in de stijgende welvaart. Overheidsbemoeienis ter bescherming van arbeiders, landschap of natuur was hun veelal een doorn in het oog. Zoiets regelde men liever soeverein in eigen kring. Aan de andere kant werd men bij het verzet tegen overheidsregels lang geremd door een hoge opvatting van de staat. Nog in de jaren vijftig woedde een hevige strijd over de vraag of men aan de overheid wel eisen mocht stellen.

Toen die opstelling in de jaren zestig kantelde, werden bestuurders op het punt van overheidsregels een stuk pragmatischer. Vooral na 1975 veroorzaakte dat problemen, toen grote kloven ontstonden tussen de leiding en een deel van de achterban. Het leidde tot het ontstaan van nieuwe organisatievormen van boeren met een voorkeur voor de betere oude tijd en tot fluitconcerten voor de gevestigde boerenleiders.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden