Porselein onder de hamer

Een legendarische porseleinverzameling in Praag inspireerde Bruce Chatwin tot zijn roman 'Utz'. Onder het communistische regime raakte de collectie spoorloos, tot zij onlangs werd teruggevonden in Slowakije....

De adorabele Spaghetti eter is er helaas niet bij, het porseleinen beeldje van Pulcinella, onderuit gezakt in een soort rolstoel, die door een Napolitaanse knaap spaghetti gevoerd wordt uit een nachtspiegel. Bruce Chatwin verloor, toen hij het beschreef, bijna de controle over zijn eigen verhaal, zo lyrisch werd hij ervan. En zijn held, Kaspar Utz, telg van een Boheems geslacht met, via zijn grootmoeder, een stevige infusie joods bloed in zijn aderen, raakte er beslist zijn zelfbeheersing door kwijt. Hij moest en zou het beeldje hebben, koste het ook wat het kostte. Want hij was een verzamelaar - en een verzamelaar, zegt Chatwin, is de gevangene van zijn verzameling.

Deze verzamelaar was niet alleen de gevangene, de gijzelaar van zijn eigen collectie, een collectie die toen ze op haar hoogtepunt was uit meer dan vierhonderd stuks aardewerk, porselein en glas bestond. Hij was bovendien de gevangene van het politieke regime dat het in zijn vaderland halverwege zijn leven voor het zeggen kreeg, een gijzelaar die bovenop zijn eigen losgeld zat, zijn verzameling. En hij was de gevangene van zijn grote belangstelling voor keramiek, een studieuze, een wetenschappelijke belangstelling. Zijn verzameling is zijn leven lang het uitgangspunt geweest voor zijn onderzoek, zoals, omgekeerd, hij ook verzameld heeft ten behoeve van zijn onderzoek.

Het zijn de aardigste mensen die er zijn, verzamelaars, en je komt onder hen tegelijkertijd ook de eigenaardigste types tegen. De ontwikkelingspsychologie, die vulgairste aller wetenschappen, houdt het erop dat wij in onze puberteit allen verzamelaars worden om onze individuele plaats in de wereld te benadrukken en ze is uiteraard bereid voor hen die er niet meer los van raken een balletje op te werpen over verbroken moederbindingen en een hunkering naar warmte en veiligheid. Hoe warm en hoe geruststellend een verzameling kopjes, borden, mokken, kroezen, roemers, harlekijns, kommen, kroezen, vazen, vaasjes, terrines, presse-papiers en bibelots is, wordt nog uitgezocht.

Hun eigenaar hebben ze in elk geval een leven in aanhoudende bedreiging en voortdurende bezorgdheid opgeleverd - en, dat is waar, een vorm van onsterfelijkheid, door middel van het voortbestaan in de literatuur, maar daar kon hij niets aan doen. Rudolf Just, heette hij, en onder die naam zou hij stellig vergeten zijn geraakt of hooguit hebben voortgewoekerd in voetnoten bij degelijke maar ook afwerende artikelen over specifieke vormen van keramiek. Artikelen zoals hij ze zelf schreef, voor het Mitteilungsblatt der Keramikfreunde der Schweiz. 'Kreussener und Sächsisches Steinzeug mit Emailfarbenbemalung', heet een van die stukken, 'Wiener Blumenakrostichon-Tassen' een ander: verboden toegang voor onbevoegden.

Nee, de duurzaamheid van zijn Nachleben gaat hij vermoedelijk danken aan de man die hem tot ruw materiaal voor een roman koos, zoals de pottenbakker de klei vereeuwigd in een sublieme amfora. Bruce Chatwin zocht Rudolf Just op in Praag, in 1967, op advies van zijn oud-collega Kate Foster (inmiddels Lady Davson), die toentertijd op de afdeling Europees porselein van Sotheby's werkte.

Chatwin was tot een jaar daarvoor zelf een 'Sotheboy' geweest en hij had van kindsbeen af een bijzondere belangstelling gehad voor verzamelingen, voor 'Wunderkammer'. Hij wilde naar Praag - en hij wilde een contact, een adresje om in de buurt te komen van de erfgenamen van die oude Centraal-Europese traditie van verzamelaars, van stichters van 'Wunderkammer', die eeuwen geleden begonnen was met de Praagse keizer Rudolf II.

Die barre melancholicus was immers de grootste verzamelaar van zijn tijd geweest en misschien wel van alle tijden: hij verzamelde alles en van alles om zich heen, van de grootste geleerden van zijn tijd tot de spijkers van Noachs Ark, van de grootste schilders tot een flesje met het stof waaruit Jahweh, de grootste aller pottenbakkers, Adam had gekleid.

Chatwin kreeg het adres van Rudolf Just. Die leidde toen al een teruggetrokken bestaan; hij was 72 jaar oud, zijn verzameling was afgesloten en ook aan zijn wetenschappelijke arbeid was een einde gekomen. Hij had, voor de Tweede Wereldoorlog, in het management van de Bata-fabrieken gezeten, had in het hart van Praag een bloeiende textielwinkel bezeten, maar daar was door die oorlog en vooral door toedoen van het communistisch bewind dat vlak nadien de leiding in Tsjechoslowakije had overgenomen allang geen sprake meer van. Zijn bezittingen waren geconfisqueerd en nadat hij tijdens de Duitse bezetting van Tsjechoslowakije als Vierteljude door de mazen van het net was geglipt, was hij tot vijand van het volk verklaard.

Zijn belangrijkste bezit, zijn collectie, werd door de leiders van dat volk met argwaan gadegeslagen. Het volk en zijn leiders, zij hielden niet van passies en voor schoonheid waren zij niet op de wereld. Er werd een inventarislijst gemaakt van zijn bezittingen en de staat hield er een oogje op zodat al dat aardewerk mettertijd in handen zou kunnen vallen van de natie. Voor de duur van zijn leven mocht Rudolf Just zijn spullen houden, maar door middel van de vertrouwde pesterijen werd hem duidelijk gemaakt hoe tijdelijk en breekbaar die gunstverlening was.

Bruce Chatwin zocht hem op, praatte uitvoerig met hem - en leek hem weer te vergeten, voortgedreven als hij werd door zijn behoefte de marge van de bekende wereld op te zoeken, Patagonië of Australië. Pas twintig jaar later, vlak voor zijn dood in 1989, kwam hij op de geschiedenis terug en verwerkte hij haar tot de kleine roman Utz, het verhaal van een Praagse porseleinverzamelaar, die, in weerwil van de ongunst der tijden, leeft voor zijn passie.

'Just' werd 'Utz', de industrieel werd een aristocraat, maar diens moeizaam bevochten tweekamerflat en het huwelijk met de huishoudster dat noodzakelijk was om groot genoeg te kunnen blijven wonen om de collectie onderdak te bieden, bleven ongewijzigd. Dat die poëtische verschuivingen zo klein zijn dat het bijna verschrijvingen lijken, laat zien hoe dicht Chatwin bij Justs werkelijkheid is gebleven. Slechts het specifieke karakter van de verzameling zette Chatwin naar zijn hand.

Want Rudolf Just verzamelde, anders dan Kaspar Utz, niet alleen de wonderlijke gedrochten, de dwergen, gnomen, dieren en figuren uit de Commedia dell'Arte - Pulcinella, Arlechino en al die andere grapjassen - die de Dresdener aardewerkfabriek Meissen vanaf het begin van de achttiende eeuw de salons van de Europese aristocratie en bourgeoisie had binnen geloodst. Ze zijn er, daar niet van - en de porseleinen heilige Veronica die de lijkwade van Turijn met het getergde gezicht van de Verlosser ophoudt en bovendien dienst kan doen als bewaarflesje voor wijwater kan ongetwijfeld concurreren met Chatwins spaghetti-eter.

Ook zijn drie keizer-busten mogen er zijn, deel van de serie van zeventien die Meissen op verzoek van Maria Josepha van Saksen tussen 1744 en 1746 maakte. Of de Weense doedelzakspelers, in frak en drollenvanger, van vijftien jaar later, een Pantalone van Meissen uit 1750, een trommelaar van vijf jaar later, of die allerpotsierlijkste 'Nathan Hirschl', een Praags-Weense straatfiguur met een niet geringe antisemitische karakterisering.

Maar daar heeft Rudolf Just het niet bij gelaten. Zijn belangstelling richtte zich niet uitsluitend op de peperdure prullaria van de hogere klassen, ook de aardewerken voorwerpen van het volk hadden zijn liefde. En dus bevat zijn collectie een bizarre reeks drinkbekers, die typische, enigszins plompe mokken met een tinnen opklapbaar dekseltje die je tot op de dag van vandaag op het platteland van Duitsland en zijn uitgestrekte achterland in Centraal-Europa aantreft. Op het eerste gezicht zien zij eruit als souvenirs, aandenken aan een beneveld verblijf in Bamberg of Regensburg. Bij nadere beschouwing zijn het verhaalzieke voorwerpen van een verloren volkscultuur, dragers van eindeloze stripverhalen of moraliteiten.

Uit Siegburg is een zestiende-eeuwse aardewerken kruik afkomstig, met in reliëf de bijbelverhalen van Jezus en de Samaritaanse vrouw en Suzanna en de Ouden erop. Een vergelijkbaar exemplaar heeft de geschiedenis van Jozef en de vrouw van Potifar en David en Batseba: je vraagt je af hoe doodgemoedereerd de eermalige gebruiker er zijn biertje of Glühwein uit gedronken heeft.

Voor Rudolf Just waren zij, samen met de borden en vazen van Chinees en Japans porselein, uitgangspunt voor onderzoek. Hij wilde het fijne weten van de mensen die ze gemaakt hadden, de pottenbakkers en de anonieme figurenschilders uit de aardewerkfabrieken. Hij wilde hun gebruikers leren kennen. Zijn artikelen erover zijn zo precies en specifiek als al die individuele objecten. Wat dat aangaat stond hij het volk een stuk nader dan de communistische bewindvoerders die hem uit naam van datzelfde volk treiterden.

Morgen gaan ze onder de hamer, stuk voor stuk, een voor een, tot en met de boekenverzameling van Rudolf Just over porselein toe. De verzamelaar is in 1972 gestorven, aarde tot aarde, de verzameling aardewerk begon een kleine zwerftocht door het land en de tijd - en dook twee jaar geleden in Bratislava op. Van Chatwin en zijn boek hadden de erven geen benul. Hoe broos is het mensenleven wanneer het slechts herinnerd kan worden met behulp van een reeks fragiele voorwerpen?

The Rudolf Just Collection: Kunstkammer wordt op 11 december in twee sessies geveild; aansluitend komt zijn collectie munten onder de hamer. De veiling vindt plaats bij Sotheby's Olympia, Londen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden