Populistische politiek en moderne kunst

Voor het eerst van mijn leven een vapurke gezien. Mijn naaste familielid was jarig, ze werd 6 jaar, en ze had van haar grootmoeder een kleine draaimolen cadeau gekregen, die werkte op stoom....

Het woord vapurke – een verbastering van vapeurke - duikt op in Flierefluiters oponthoud, een roman uit 1926 van de Brabantse schrijver A. M. de Jong. Tijdens een zomerse wandeling over het boerenland belooft de charmante landloper Flierefluiter aan de kleine Merijntje Gijzen dat hij in Antwerpen een vapurke voor hem zal kopen.

‘Een wa’zède?’ ‘Een vapurke.’ Merijntje begon te lachen. Hij vermoedde, dat hij er tussen genomen werd en vroeg, om te laten zien, dat hij de olikerd door had: ‘Da’s zeker een scheet in een netje?’ ‘Wa’zède doar?’, riep Flierefluiter en hij begon onbedaarlik te lachen. ‘Neeë, kleine soavikloas.... da’s gin scheet in een netje.... hahahahaha!.... da’s een bootjen of een lokemetiefke, da’ van eiges rijen of voare kan.’

Het kwam natuurlijk doordat ik de middag doorbracht in kringen van 6-jarigen dat er opeens minder verheven gedachten in mij opwelden dan anders, en zo kon het gebeuren dat Merijntjes definitie van het woord vapurke onverhoopt met me op de loop ging, zodat ik wegdroomde bij de herinnering aan de Italiaanse kunstenaar Piero Manzoni, die in 1961 zijn eigen fecaliën inblikte en op de kunstmarkt verkocht als ‘merda d’artista’.

Je krijgt nu eenmaal andere invallen dan anders, tijdens zo’n kinderfeestje.

Het bracht de kunstenaar Manzoni beslist zakelijk succes, het project met zijn negentig genummerde blikjes Artist’s Shit en Künstlerscheisse, want hij verkocht ze op de kunstmarkt voor de prijs van puur goud. En hoewel nu, vijftig jaar later, volgens kenners een aantal van de blikjes door gasvorming is ontploft, zijn de overgebleven exemplaren nog kostbaarder dan ooit; indertijd kostten ze omgerekend 30 duizend euro; op 22 mei 2007 werd nummer 18 bij Sotheby in Milaan verkocht voor 120 duizend euro.

Natuurlijk dachten sommige kunstcritici indertijd dat het project wees op de teloorgang van de beeldende kunst, en daar konden ze best eens gelijk in hebben. Het werk van Manzoni gaf aanleiding tot de klassieke vraag: You Call That Shit Art? Maar dat lag niet zozeer aan Manzoni, of aan de kunst, maar aan de deftige kunstliefhebbers, die gedwee in polonaise achter elkaar aanhopsten, in hun aanbidding voor de merda d’artista. Het was toch wel weer de verdienste van Manzoni dat hij de schijnwerper richtte op dat conformisme.

Maar stel dat we nu even niet denken aan de kunstmarkt, en aan geld verdienen: waar hebben we kunst dan eigenlijk voor nodig? Ondanks tijdelijke inzinkingen kun je er, denk ik, vrij gerust op zijn dat kunst nooit definitief verloren gaat, omdat vroeg of laat alle mensen de behoefte krijgen na te denken over het leven. Ze willen weten waar het leven vandaan komt, waar het naar toe gaat, en vooral ook wat ze moeten doen om het draaglijker te maken.

Door de tijd heen zijn er verschillende instellingen ontstaan – politiek, wetenschap, religie, kunst – die je in staat stellen na te denken over zulke dingen. Vervolgens is het grappig om te zien dat die instellingen elkaar in de praktijk stevig beconcurreren. De wetenschap richt haar pijlen op de religie, de religie op de politiek, de politiek op de kunst, de kunst op de wetenschap – er is een voortdurende strijd gaande om de bezoekers bij elkaar weg te lokken. En dus zie je de kunstwereld de laatste maanden duidelijk zenuwachtiger worden, omdat men daar bang is voor de opmars van de populistische politiek.

Die angst is er niet zonder reden: inderdaad is de weerzin tegen moderne kunst een van de belangrijke kenmerken van populistische politiek. Het is voor een politicus ook wel erg gemakkelijk, en erg verleidelijk, om jezelf nuchterder en daadkrachtiger voor te doen door de kunst de grond in te boren. ‘You Call That Shit Art?’ Natuurlijk slaat de concurrentie wel terug – ‘You Call That Shit Politics?’ – maar omdat de politiek van alle instellingen het dichtst bij de geldkraan zit, hebben politici betere kansen om te winnen.

Ondanks deze voortdurende onderlinge strijd om de gunsten van het publiek lijken kunst en politiek veel meer op elkaar dan kunstenaars en politici wel zouden willen. Beide instellingen zijn een functie van het samenleven, en als ze in een bepaalde periode niets interessants te bieden hebben, als ze niets anders verkopen dan gebakken lucht, dan heeft het geen zin om ‘weg met de kunst’ of ‘weg met de politiek’ te roepen; dan ligt het gewoon aan onszelf. We krijgen als samenleving de instellingen die we verdienen. Als de uitkomsten ons niet bevallen, hopsen we kennelijk allemaal te gedachteloos achter elkaar aan en voeren we niet het juiste gesprek.

Soms, aan het eind van een lange dag, als ik te veel heb gepraat en geschreven, en geen flauw idee heb hoe ik nog verder moet, hoor ik mezelf in de stilte van mijn werkkamer zeggen: ‘Wie man dem toten Hasen die Bilder erklärt’. Dat is de titel van een performance uit 1965 van Joseph Beuys. Hij smeerde zijn hoofd in met honing, nam een dode haas in zijn armen mee door de zalen van een museum en legde hem de schilderijen uit.

Hoe je schilderijen uitlegt aan een dode haas – ik weet nooit precies waarom ik het zo laat op de avond in de eenzaamheid van mijn vertrekken zeg, en ik weet ook niet wat het betekent. Maar ik weet wel dat ik het belangrijk vind dat dode hazen praten over kunst. Over alles eigenlijk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden