Populisme corrigeert democratisch falen

Ondanks alle aandacht voor de Fortuyn-revolte, liet deze zich lange tijd slechts met moeite duiden. Volgens H.J. Schoo, die een jaar geleden overleed, ligt de oorzaak vooral in het ontbreken van een stabiel opvolgersysteem van een democratisch hoger allooi dan het zuilenstelsel....

De opmerkelijke opkomst – en niet minder opmerkelijke dood – van Pim Fortuyn en zijn creatuur de Lijst Pim Fortuyn (LPF), evenals de al even opmerkelijke totale zelfvernietiging van die politieke formatie in het najaar van 2002, hebben de Nederlandse politiek onherkenbaar veranderd. Van een ‘tevreden natie’ werd Nederland een halve bananenrepubliek. Volwassen, nuchtere kiezers ondergingen een metamorfose tot infantiele verwende nesten. De veranderingen kwamen even plotseling als onverhoeds, zonder vooraankondiging, zonder ‘winstwaarschuwing’ voor de gevestigde partijen.

Dit is de ‘brave’ versie, de kijk van het ‘oude regime’ op het hoe en waarom van het wilde politieke jaar dat zich afspeelde tussen najaar 2001 en voorjaar 2003. In volgorde van opkomst en in steno: de tot achter de komma georkestreerde machtswisseling bij de PvdA; de intens slome voorbereiding op de verkiezingen bij de VVD; de betrekkelijk toevallige samenkomst van Leefbaar Nederland, partij zonder lijsttrekker, en Pim Fortuyn, would be-lijsttrekker zonder partij; diens triomf in Rotterdam; de breuk met Leefbaar Nederland; de oprichting van de LPF; Fortuyns opmars in de peilingen; de moord op ‘Pim’ en de zegetocht van de LPF; de vernedering van PvdA en VVD en de terugkeer van het CDA; het aantreden van het CDA-VVD-kabinet-Balkenende met LPF-smaldeel en de politieke broedermoord in LPF-kring die leidde tot de val van Balkenende I; nieuwe verkiezingen met de onwaarschijnlijke wederopstanding van de PvdA. Van ‘revolutie’, de veelbeschreven Opstand der Burgers, naar ‘restauratie’ in al met al ongeveer een jaar tijd.

Het is niet waarschijnlijk dat Nederland snel weer zo’n onstuimig politiek ‘jaar’ zal meemaken. Niet alleen Fortuyn sneuvelde, letterlijk, hetzelfde gold overdrachtelijk voor heel wat gevestigde politieke reputaties. Niet minder dan vijf lijsttrekkers – De Hoop Scheffer (CDA), Melkert (PvdA), Dijkstal (VVD), Rosenmöller (GroenLinks) en Veling (ChristenUnie) – verlieten met de staart tussen de benen de politieke arena. Zoals het een politieke omwenteling betaamt, kwam ook die van 2002 neer op een bijna volledige politieke generatiewisseling. Ook daardoor zal het politieke seizoen 2002- 2003 lang memorabel blijven.

Het roerige ‘revolutiejaar’ was niet voorzien. Vrijwel niemand kan in ernst claimen de reeks schokkende, geruchtmakende gebeurtenissen te hebben zien aankomen. Er ging geen alarmbel af, er is niet voor gewaarschuwd, niet op gepreludeerd, al waren er zekere voortekenen en vermanende woorden. Iets anders is of de ‘gevestigde partijen’, zoals zij door toedoen van Fortuyn, net als in de jaren zestig en zeventig, weer afkeurend gingen heten, niet al veel eerder nattigheid hadden moeten voelen. Zij wisten immers dat de Nederlandse democratie ‘problematisch’ is, om het eufemistisch te zeggen. Zij wisten dat de politiek na de periode van de verzuiling, rond 1970 beëindigd, zonder goed omlijnd en stabiel systeem zat. Ook wisten zij dat kiezers al geruime tijd en masse op drift zijn.

Die kennis bestond ook bij het legertje professionele waarnemers, wetenschappers en journalisten die de politiek op de voet volgen en voortdurend duiden. Waren die analytici ziende blind en horende doof? Zagen zij niet dat er een electorale veenbrand smeulde, gevoed door een vage, sluimerende maatschappelijke onrust – over veiligheid en voortgaande immigratie en zwakke integratie, maar niet alleen daarover – die alleen nog maar door een extravagant politicus aangeblazen hoefde te worden tot overweldigende omvang?

Het Nederlandse politieke systeem en de dominante politieke stijl zijn overblijfselen uit het zuilentijdperk. Een bevoogdende, zeer indirecte democratie paste misschien nog redelijk bij de zuilen, maar die hielden rond 1970 op te bestaan als betekenisvolle organisaties. In de dertig jaar die volgden is geen stabiel nieuw bestel tot stand gekomen, een samenhangend, onderling afgestemd geheel van partijen, programma’s, politieke stijl, selectieprocessen, kiezersvoorkeuren en systeemkenmerken als directe/indirecte democratie, veel/weinig kiezersinvloed, evenredige vertegenwoordiging/districtenstelsel. De zuilen verdwenen, een feit dat om nieuwe politieke mechanismen en organisatievormen vroeg, maar die zijn uitgebleven. De crisis in de Nederlandse politiek, begin jaren zeventig door veel waarnemers afgekondigd, heeft daardoor welhaast een permanent karakter gekregen.

Uit het zuilenstelsel is geen stabiel opvolgersysteem van een democratisch hoger allooi voortgekomen, maar wat ik noem, met een hyperbolische verwijzing naar leer en praktijk in de oude Sovjet-Unie en haar satellieten, Nederlands ‘geleide democratie’, een regentesk politiek systeem met weinig gekozen ambten en zwakke controle op de macht. ‘Daddy knows best’, zo kenschetste The Economist begin 2002, ten tijde van de Fortuyn-turbulentie, de geest ervan: kiezer, bemoeit u zich er vooral niet mee, wij weten wat goed voor u is.

Eind jaren negentig begon ik te broeden op een ‘democratieboek’. De grondstof ervoor moest onder meer bestaan uit commentaren die ik in de Paarse jaren als hoofdredacteur van het weekblad Elsevier schreef. Er kwamen aantekeningen, opzetjes, aanzetten, maar van het echt schrijven en samenstellen kwam het niet: geen tijd. Ook concurrerende projecten zaten me in de weg, zoals plannen voor een boek over de Nederlandse ‘Oostzones’: gezondheidszorg, sociale zekerheid, onderwijs en volkshuisvesting. Ook ongeschreven gebleven. Het moest gaan over die terreinen van ons maatschappelijk en economisch leven die in overheersende mate door overheid en quartaire sector worden beheerd en beheerst: gezondheidszorg, onderwijs, sociale zekerheid en volkshuisvesting. Immense maatschappelijke gebiedsdelen, waarin jaarlijks een fors deel van het bruto binnenlands product omgaat.

Het verband tussen dit gesneuvelde project, de beperkingen van de Nederlandse democratie aan de ene kant, aan de andere de Fortuynse ‘revolte’ zoals die zich begin 2002 voltrok, ligt redelijk voor de hand. Veel welvarende, goed opgeleide, competente, mondige en dus op allerlei gebied redelijk autonome burgers worden als het ware gedwongen om als ‘consumenten’ van gezondheidszorg, onderwijs (voor hun kinderen), huizen en sociale zekerheid een, ten opzichte van hun normale niveaus van competentie en autonomie, moeilijk te verteren mentale regressie te ondergaan. Zij staan tot ieders tevredenheid op eigen benen, verrichten hoogwaardig en verantwoordelijk werk, zijn maatschappelijk actief, voeden met succes hun kinderen op, maar de overheid houdt ze op cruciale gebieden onder curatele. Plotseling worden ze door politiek en beleid geacht niet op alle levensgebieden handelingsbekwaam te zijn, niet bij machte verantwoorde keuzes te maken. De overheid, of instanties die namens de overheid optreden, kunnen dat beter, is de pretentie.

In deze Oostzones geldt: voor uw eigen bestwil weten wij het beter en regelen wij uw zaakjes wel. De loketteneconomie van de Oostzones werkt sociaal selectief en belet in het bijzonder de lagere sociale strata om ten volle vrije, verantwoordelijke burgers te worden. De Oostzones staan uit naam van solidariteit en sociale rechtvaardigheid de emancipatie van de lagere middengroepen, de nieuwe kleine burgerij, in de weg, passen niet langer bij hun aspiratieniveau en frustreren hun verlangen naar autonomie. Een veelomvattend systeem van gedwongen winkelnering – school, medische zorg, corporatiewoning, sociale zekerheid – en de keuzeloosheid en beperkte zeggenschap van dien, waren de broedstoof voor de ‘revolte der burgers’. Wie onder curatele staat, niet vat waarom zijn autonomie zo beperkt is, gedwongen tot niet-gevoelde solidariteit, wordt niet slechts hulpeloos maar ook vals.

Een ander boek kwam er wel, zij het pas eind 2000: De verwarde natie. Dwarse notities over immigratie. Niet het beoogde democratieboek, zeker, hoewel de materie die erin aan de orde kwam, de Nederlandse omgang met immigratie, integratie, ‘multiculturalisme’ en de lotgevallen van de nationale staat, op uiteenlopende manieren wel raakt aan het onderwerp, de staat van de Nederlandse democratie, haar eenzijdigheden en tekortkomingen.

De thematiek van De verwarde natie zou daarom in het beoogde democratieboek niet genegeerd kunnen worden. Een van de fundamenten van de democratie is een min of meer nauwkeurig afgebakende politieke gemeenschap. Dat houdt in dat er vrij heldere beslisregels zijn voor wie er wel of niet bij horen. Immigratie zoals Nederland thans kent, heeft die vraag indringend aan de orde gesteld: wie zijn het ‘volk’ – demos uit democratie, populus uit populisme – zoals het tot voor kort nog simpel heette. Zonder ‘volk’ geen volkssoevereiniteit, die als grondslag voor democratie onontbeerlijke abstractie.

De klassieke natiestaat schuift van z’n grondvesten. Aan de staat wordt geknabbeld door nauwelijks als democratisch te betitelen bovennationale organen, de natie verandert ingrijpend van samenstelling. Hoe vormen de gevestigden dan nog een democratische politieke gemeenschap? Hoe kunnen nieuwkomers daar als volwaardig lid aan gaan deelnemen? Transformeren ‘zij’ min of meer vanzelf in ‘wij’ als we ons allemaal netjes aan de wet en de formele vereisten van staatsburgerschap en rechtsstaat houden, of vergt een vitale democratie minimale inhoudelijke overeenstemming, misschien zelfs een allen omvattend ‘bezield verband’? Anders gezegd: dien je iets gemeenschappelijk te hebben, bepaalde waarden, democratische gezindheid, loyaliteit aan een nationale gemeenschap, om met elkaar een werkzaam democratisch staatsverband te vormen, of is een minimale etiquette al genoeg om het maatschappelijk verkeer afdoende te regelen?

Halverwege 2001 keerde ik terug naar mijn plan voor een democratieboek. De drang om de draad weer op te pakken, had het nodige te maken met de Paarse verslapping, de democratische nonchalance van het tweede kabinet-Kok, de hooghartige, lusteloze manier waarop de regeringspartijen op het punt stonden hun lijsttrekkers aan te wijzen en de nonchalante vanzelfsprekendheid van hun aanspraken op voortgezette regeermacht. Plagerig gaf ik het te schrijven boek de werktitel De la démocratie en Hollande mee, naar de beroemde 19de-eeuwse verhandeling van de Franse edelman Alexis de Tocqueville over de jonge Amerikaanse democratie. Zo’n werktitel is natuurlijk én een kwestie van zelfspot én een ironische omkering: schetste Tocqueville een radicale, egalitaire democratie, De la démocratie en Hollande moest laten zien dat Nederland een gezapige, ‘elitaire’, topdown-democratie kent, met weinig invloed en zeggenschap voor de burgerij.

Uiteindelijk koos ik voor een wat minder excentrieke titel: Het populistisch reveil. Oorspronkelijk was dat project dus niet geïnspireerd door het fenomeen Fortuyn en de ‘revolte der burgers’ die hij ontketende. De voorbereiding viel in een eerdere periode, toen niemand nog enig vermoeden had van het komende fortuynisme. Maar zonder Fortuyn, algemeen als populist gebrandmerkt, was deze titel er nooit gekomen en had ik het populisme als politiek fenomeen waarschijnlijk niet omstandig aan bod doen komen.

Daarnaast lopen er onmiskenbaar thematische verbindingen tussen dit boek en Fortuyns ‘gedachtegoed’, zoals het in 2002 vroom ging heten. Ook De verwarde natie roerde al thema’s aan die daar prominent in figureren. Helemaal toevallig is een en ander uiteraard niet: begin 1994 haalde ik Fortuyn immers binnen als columnist bij Elsevier.

Fortuyn en al wat hij tijdens en na zijn korte, brisante verschijning aan het politieke firmament teweegbracht, verstoorde mijn oorspronkelijke plan. Het democratieboek, De la démocratie en Hollande, zou immers analyses moeten bevatten en een strekking ademen die met de komst van ‘Fortuyn’ pasmunt werden. Eerder al gearticuleerd in wetenschappelijke kring, trad tijdens de era-Fortuyn ter verklaring van zijn onweerstaanbare opkomst een snijdende democratiekritiek aan het licht. De Fortuyn-hermeneutiek maakte kortom korte metten met mijn langjarige voornemens. Door zijn toedoen en de weelde aan duidingen en analyses die op zijn verschijning en verscheiden volgden, werd mijn nog ongeschreven boek met de dag meer overbodig. Allerwegen werd de Nederlandse democratie geanalyseerd en geproblematiseerd, dat hoefde niet nog eens op vergelijkbare manier te gebeuren.

Het schrijven over en zo mogelijk begrijpen van de revolte der burgers, als daarvan al sprake is geweest, stond ook nog eens in het teken van de voorlopigheid. Tussen eind 2001 en begin 2003 ontrolde de quasiomwenteling zich in zo’n sneltreinvaart, galopperend van fase naar fase, dat zij zich ondanks alle aandacht die zij kreeg slechts met moeite liet vatten en duiden. De betekenis ontglipte ons. Het pandemonium toonde doezelige contouren, beeld zonder focus. Onbestemdheid en beweeglijkheid dwongen tot voorlopigheid, op de tast interpreteren, uitstel van oordeel. Trefzeker mikken op dit snel bewegende doel bleek onmogelijk.

In Het populistisch reveil komt de staat van de Nederlandse democratie aan de orde, evenals de populistische reactie op wat gerust ‘democratisch falen’ mag heten. De veroordeling en bestrijding van ieder populisme, zo kenmerkend voor de Nederlandse politieke cultuur, vormen hierbij niet het vanzelfsprekende uitgangspunt. In plaats daarvan komt een exploratie van het begrip populisme en van de historische verschijningsvormen van dit fenomeen. Deze meer descriptieve dan normatieve benadering leidt naar een opvatting waarin het populisme niet per se een abjecte oprisping is van een misleid, tot het kwade geneigd en van bovenaf te beheersen electoraat. Passender is het om de meeste uitingen van populisme te zien als een nuttige correctie van democratisch falen.

Een ongeïnspireerde, bevoogdende en middelpuntzoekende politieke praktijk die de noden, angsten en belangen van tallozen loochent en negeert, roept populisme op. Als ideologische tegenstellingen verdwijnen, kan de tegenstelling volk-elite of volk-establishment de overhand krijgen.

Een krachtige, zelfbewuste democratie met geprofileerde politieke partijen bant niet krampachtig alle populistische elementen en sentimenten uit, maar geeft als vanzelfsprekend ook stem aan anderen dan de machthebbers. De ‘gewone’ burgerij, ook de minder opgeleiden, welbespraakten en deskundigen, bezit dan naast haar stemrecht – en niet slechts in naam – ook werkelijk recht van spreken. Zij doen niet voor spek en bonen mee, hun opvattingen en voorkeuren worden niet meteen buiten de orde geplaatst als deze anders luiden dan die van de Sprachherrschaft.

Naar het befaamde woord van de vooroorlogse socioloog en criminoloog Bonger zal ‘de democratie elitair zijn of niet zijn’. Dat blijft een juiste observatie, maar de door hem en vele anderen verlangde ‘aristocratische democratie’ moet zich wel willen en kunnen openstellen voor de besognes van mensen uit niet-elitemilieus.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden