Popcultuur

Een guppy op sterk water als kunstwerkje, een petieterig gouden 500-delig servies en veel poppenhuizen, van onder andere prinses Juliana. Het Gemeentemuseum in Den Haag stapt een kleine wereld binnen.

De deur kan van binnenuit op slot, met een grote metalen stang. Dat is niet zo gek bij een grachtenhuis uit de 18de eeuw. Maar de bewoners van dít grachtenhuis zullen de deur niet snel sluiten: het is een poppenhuis uit 1750. Even merkwaardig gedetailleerd zijn de loden contragewichten die ervoor zorgen dat de ramen makkelijk open en dicht kunnen. Of de schouwen en rookkanalen die allemaal ook echt uitkomen op de schoorstenen op het dak.


'Het Grachtenhuis', uit de collectie van het Rijksmuseum in Amsterdam, is nu te zien op XXS Small, een tentoonstelling in het Gemeentemuseum Den Haag, waar behalve een indrukwekkende verzameling poppenhuizen ook een groot aantal andere miniaturen is te zien. Zoals poppen, minimeubels, priegelige kunst, piepkleine boekjes en een hele zaal vol zilveren spulletjes uit het 17de- en 18de-eeuwse Nederland.


Die detaillering is een van de aantrekkelijkste kanten van miniaturen. Het zijn niet zomaar versimpelde versies van de werkelijkheid, het zijn exact nagemaakte versies. Poppen dragen ondergoed, al kun je dat niet zien, een linnenkastje verbergt achter gesloten deurtjes een piepkleine uitzet. Miniaturen geven wat groot was iets schattigs, iets beheersbaars. En als ze echt klein zijn, overheerst de bewondering voor het vernuft waarmee ze zijn gemaakt.


Het museum toont een paar meer dan sterke staaltjes: een uitgeholde kersepit bijvoorbeeld, met daarin een (ongeveer) 500-delig gouden servies, zo petieterig dat het haast goudstof lijkt. Of een walnoot, waarin vijf kersepitten passen. Uit die pitten zijn met uiterste precisie drie hoofdjes, een doodskop en een opengewerkt mandje gekerfd. Er staat een schatkistje met een werkend slot, waarvan de sleutel buitenproportioneel groot is vergeleken met de baard, omdat mensenvingers hem anders niet zouden kunnen omdraaien.


Als speelgoed waren de miniaturen zelden bedoeld. Eerder werden ze gebruikt ter educatie. Van poppenhuizen konden kinderen leren hoe een ordelijk huishouden eruitziet. De nagemaakte barak van de leprozerie die tussen 1895 en 1964 in Paramaribo bestond, werd naar Nederland verscheept om daar te laten zien welke goede werken de paters verrichtten, en zo gelovigen te bewegen tot ruimhartige donaties.


In Den Haag staat het cadeau dat prinses Juliana voor haar 2de verjaardag kreeg: een complete boerderij. Miniatuur, natuurlijk, maar zij was zelf nog maar zo klein dat ze nauwelijks boven het dak (90 centimeter hoog) zal hebben kunnen uitkijken. Op haar maat waren alleen de koeien, paarden en schapen, houten figuurtjes met vacht overtrokken. Inclusief duiventil, schuur, schaapskooi, hooimijt en waterput neemt het geheel al gauw een halve kamer in beslag. Haar ouders wilden dat ze ervan zou leren hoe het eraan toeging op het Kroondomein van het Loo. Erg veel gespeeld met de boerderij heeft de prinses niet; naar verluidt liet ze er haar poppen soms logeren als die ziek waren.


Educatie was ook het doel van de onderwijzer en antiek-restaurator Daan Hensens, die de afgelopen twintig jaar werkte aan een fraai poppenhuis met een Zaanse hal en kamers uit Holland, Staphorst en Hindeloopen. Hij wilde ermee laten zien hoe in de 17de en 18de eeuw werd geleefd.


Dat is het onbedoelde, maar inmiddels belangrijkste educatieve kantje van de poppenhuizen en pronkpoppen uit vroegere tijden: ze leren ons hoe mensen hun huis inrichtten en hoe ze waren gekleed. Dat geldt zelfs voor relatief recente huizen, zoals de kleine prefabbungalow die de firma Schokbeton in 1951 aan prins Bernhard schonk in de hoop dat hij reclame voor haar bouwmethode zou maken. De bedjes in het huis zijn opgemaakt met lakens en dekens, iets wat geen 20-jarige van tegenwoordig nog uit eigen ervaring kent. De poppen laten zien hoe ondergoed eruitzag, schilderijen lichten ons daarover meestal niet in.


Er is veel te zien in Den Haag, heel veel. De makers hebben niet willen kiezen, zodat de tentoonstelling focus ontbeert. Huizen komen uit de hele wereld (er zijn zelfs een Japanse keuken en een Chinese tempel), er zijn poppen in klederdracht, diaconessen en verpleegstertjes, weeshuispoppen, barbies in haute couture, namaak 19de-eeuwse pronkpoppen van de hedendaagse ontwerpers Viktor & Rolf, de elegante 20ste-eeuwse modepopjes van de Franse zusters Lafitte-Désirat, er zijn meubeltjes in alle soorten en maten, er zijn zilveren miniaturen, Griekse potjes.


En er is een museumpje, in de eerste zaal. Dat kan symbool staan voor de hele tentoonstelling: klein is al snel heel veel. Meer dan 1.700 werkjes hangen in het museumpje waarvoor Ria en Lex Daniëls, de eigenaren van de galerie Reflex in Amsterdam, dertig jaar lang aan kunstenaars een bijdrage vroegen. Wie die allemaal wil bekijken, komt nooit meer verder dan zaal 1. Maar die ziet dan wel de onweerstaanbaar grappige bijdrage van Damien Hirst, de kunstenaar die bekend werd met zijn opgezette haai: een guppy op sterk water.


XXS Small. Poppenhuizen en meer in miniatuur. Gemeentemuseum Den Haag, t/m 25 maart. gemeentemuseum.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden