Polytheïsme heel wat gewelddadiger dan monotheïsme

Paul Cliteur verdedigt in Het Monotheïstisch Dilemma de stelling dat religieus terrorisme religieus is. Dit is geen bewering van het soort 'ongehuwde mannen zijn ongehuwd'. Vaak wordt immers ontkend dat 'religieus terrorisme' echt religieus gemotiveerd is. Terroristen zouden reageren op armoede, racisme en andere vormen van aards onrecht. Met hemelse inspiratie zou terreur niets te maken hebben.


Cliteur vertrouwt echter niet al te zeer op deze seculiere verklaringen. Hij gelooft de terroristen zelf wanneer zij zeggen dat zij Gods wil uitvoeren. Religieuze terroristen - of zij nu geïnspireerd worden door het jodendom, het christendom of de islam - lijken volgens Cliteur op elkaar in de wijze waarop zij hun daden verdedigen. Zij hanteren een logica waar juridische straffen of redelijke argumenten geen vat op krijgen. Zijn boek is een poging deze religieuze terroristen beter te begrijpen, en in die zin is het prima.


Toch kleeft er een aantal problemen aan het boek. Om te beginnen is het enigszins onbevredigend dat de grote vraag onaangeroerd blijft: wat wil God van zijn gelovigen? Hebben de religieuze terroristen gelijk of de vrome geweldloze weldoeners?


Cliteur denkt dat religies een ware aard hebben, maar hij lijkt niet in staat of bereid die te achterhalen. Hij geeft voorbeelden van religieus geweld, maar legt niet uit waarom die iets zouden zeggen over de ware aard van de religie en voorbeelden van religieuze geweldloosheid niet. Wat hij overtuigend aantoont, is dat terroristisch geweld door sommige gelovigen op religieuze gronden gerechtvaardigd wordt. Wat hij niet bewijst, is dat de theologische en juridische argumenten van de gewelddadige gelovigen beter of gezaghebbender zijn dan die van de pacifistische gelovigen.


Problematisch is dat Cliteur de overeenkomsten tussen de drie monotheïstische religies zo sterk benadrukt dat de wezenlijke verschillen uit beeld verdwijnen. Een wezenlijk verschil tussen christendom enerzijds en islam en jodendom anderzijds is dat er een joodse wet (halacha) en een islamitische wet (sharia) bestaat, maar dat er geen vergelijkbare christelijke wet is. Een ander wezenlijk verschil is dat het jodendom uitsluitend de religie van het Joodse volk wil zijn, terwijl het christendom en de islam de religie van de gehele mensheid willen zijn.


Deze theologische verschillen zijn belangrijk, omdat zij concrete implicaties hebben voor het antwoord op de vraag onder welke omstandigheden gelovigen bepaalde vormen van geweld gerechtvaardigd achten. Zo hebben christenen er minder moeite mee zich te onderwerpen aan het wereldlijke gezag ('Geef de keizer wat des keizers is'). En zo hebben Joden vanwege hun particularistische geloofsopvatting minder moeite met het bestaan van andere geloven in andere samenlevingen.


Uiterst twijfelachtig is de bewering van Cliteur dat alleen het monotheïsme de mens opzadelt met de vraag welke wetten hij nu moet gehoorzamen: de goddelijke of de menselijke? Dezelfde thematiek is reeds terug te vinden in de tragedie Antigone van Sophocles (geb. 496 voor Christus) in het poytheïstische Griekenland van de Oudheid. In deze tragedie heeft de koning van Thebe verordonneerd dat de broer van Antigone niet begraven mag worden, omdat hij heeft meegedaan aan een opstand tegen diens bewind. Antigone krijgt de doodstraf, omdat zij vindt dat het haar religieuze plicht is om tegen deze wereldlijke wet in te gaan. De tragedie van Sophocles laat zien dat het dilemma (moeten wij de goddelijke of de menselijke wetten gehoorzamen?) van alle tijden en plaatsen is en niet specifiek voor het monotheïsme.


Waarom acht Cliteur dan alleen het monotheïsme zo gevaarlijk dat hij zelfs pleit voor een terugkeer naar een (cultureel) polytheïsme? Dat gevaar zit volgens hem in iets typisch monotheïstisch: 'de goddelijke beveltheorie van de moraal'. De monotheïstische gelovige doet blind wat hem door zijn almachtige, alwetende en goede God wordt opgedragen. Als Abraham door God wordt bevolen zijn zoon te offeren, dan gehoorzaamt hij. Het is deze blinde, religieuze gehoorzaamheid die Cliteur terecht doet huiveren.


Maar ook hier vervalt Cliteur weer in dezelfde fouten: hij veronachtzaamt de meest gezaghebbende theologische interpretaties en doet alsof universeel menselijke zaken specifiek zijn voor het monotheïsme. Om met het laatste te beginnen: het monotheïsme staat, zoals iedere opvoeder weet, zeker niet alleen in de gedachte dat het goede gelijkstaat aan gehoorzamen. En wat gehoorzaamheid aan de goden betreft: daarin is het polytheïsme doorgaans een stuk bloediger en gewelddadiger dan het monotheïsme.


Om te laten zien dat hij de goden gehoorzaamt, offert de Oud-Griekse koning Agamemnon zijn dochter op aan de godin van de jacht. Daar waar de monotheïstische God aan Abraham duidelijk maakt dat aan de praktijk van het plegen van mensenoffers een einde gemaakt dient te worden, laten de polytheïstische goden van bijvoorbeeld de Inca's het mensenbloed rijkelijk vloeien.


De tweede fout van Cliteur bestaat erin dat hij blindelings aanneemt dat de goddelijke beveltheorie de essentie bevat van hoe er bijvoorbeeld in het jodendom over de moraal gedacht wordt. Maar naast het verhaal van Abraham en Izaak dat Cliteur aanhaalt om zijn theorie te ondersteunen, is er ook het verhaal van Job die een rechtszaak tegen God begint. En er is het verhaal van diezelfde Abraham die onderhandelt met God die Sodom wil vernietigen. Maar wat als er nu vijftig rechtvaardigen in Sodom te vinden zijn, vraagt Abraham aan God. Of vijfenveertig? Of zelfs maar één? Zou het dan niet verkeerd zijn een complete stad te verwoesten?


Uit deze verhalen blijkt helemaal niets van een goddelijke beveltheorie. Zij geven voeding aan de interpretatie in de Talmoed (de mondelinge leer in het jodendom), waarin gesteld wordt dat de wet aan God voorafgegaan is, waardoor de mens God ter verantwoording kan roepen.


Het belangrijkste bezwaar van Cliteur tegen het monotheïsme - dat het een leer is die haaks staat op de morele autonomie van de mens - wordt helemaal in het begin van de Bijbel weersproken. De mens heeft gegeten van de boom van kennis van goed en kwaad, en heeft daarom weet van normen en principes die boven zowel goden als mensen verheven zijn.


Dat is het tragische aan Cliteurs onderneming: de morele autonomie die hij wil beschermen, wordt in bijvoorbeeld Genesis en het boek Job juist geschraagd door de monotheïstische traditie die hij bestrijdt.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden