Politieke hart van de VS staat op het spel

Paul Brill

Er zijn maar weinig Amerikaanse presidenten die tijdens hun ambtstermijn het voorrecht hebben genoten om door Europese waarnemers hoog te worden aangeslagen. Vooral de afgelopen vijftig jaar is het Witte Huis bewoond door de ene minkukel na de andere, tenminste als we moeten afgaan op de beeldvorming in Europa.

Johnson: ongelikte beer. Nixon: onbetrouwbare potentaat. Ford: onnozele hals. Carter: pindaboer. Reagan: B-acteur. Bush senior: carrièrejager. Alleen Kennedy en Clinton oogstten enige lof, maar die ontmoetten nu juist in eigen land veel wantrouwen.

De Europese geringschatting heeft een lange traditie, die wordt gevoed door de diep gewortelde opvatting dat in de Nieuwe Wereld een oppervlakkig mensensoort is ontstaan. In november 1863 meldde de correspondent van The Times dat de Amerikaanse president bij een oorlogsherdenking weer eens een zeer onbeduidende tekst had afgescheiden.

Die president was Abraham Lincoln en het ging om de Gettysburg Address, dat later zou worden geboekstaafd als een oratorisch meesterwerkje. Lincolns opvolgers maakten op de Britse historicus James Bryce zo weinig indruk, dat hij in zijn monumentale boek The American Commonwealth (1888) een apart hoofdstuk opnam met de titel Why Great Men Are Not Chosen President.

De meewarige afkeer die George W. Bush in de Europese publieke opinie ten deel valt, staat dus niet op zichzelf. Daarmee is uiteraard niet gezegd dat de kritiek op Bush niet gerechtvaardigd is.

De interventie in Irak is uitgelopen op een Pyrrusoverwinning: in plaats van de beoogde democratische proeftuin voor het Midden-Oosten is het land een broeinest van haat en geweld geworden. Op binnenlands gebied voerde de president, die in de vorige verkiezingscampagne nog een compassionate conservatism propageerde, een onversneden rechts beleid, dat zeer weinig mededogen kende en de tegenstellingen alleen maar verscherpte.

Dat staat evenwel los van Bush' kwaliteiten als politicus en als presidentieel leidsman. Te gemakkelijk wordt hij in Europa weggezet als een simpele Texaanse ziel, die afdoende is gekarakteriseerd door de eerste beelden van Michael Moore's film Fahrenheit 9/11, waarin hij minutenlang roerloos (en schijnbaar radeloos) blijft luisteren naar voorlezende kinderen nadat een medewerker hem het eerste nieuws van de aanslagen op het WTC in het oor heeft gefluisterd.

Bush is een politicus met een discutabele, maar in elk geval heldere visie en hij heeft een hecht team om zich heen verzameld dat doelgericht is en in hoge mate beantwoordt aan de observatie door Alexis de Tocqueville, meer dan anderhalve eeuw geleden: het lijkt wel, schreef de scherpzinnige Fransman, of de politiek 'het enige plezier vormt dat de Amerikaan kent'.

Dat plezier wordt zeer professioneel nagejaagd. Het team-Bush is vastbesloten om niet in de fout te vervallen die de vader van de president maakte. Deze verwaarloosde zijn conservatieve achterban en kon de schade onvoldoende compenseren bij de kiezers in het midden toen hij in 1992 niet alleen met de begaafde campagnevoerder Bill Clinton, maar ook met de rijke vrijbuiter Ross Perot werd geconfronteerd.

Bush jr. houdt zijn rechterflank gesloten en hoopt verder voldoende gematigde kiezers aan te spreken door zich te etaleren als oorlogsleider, in de wetenschap dat Amerikanen zich in oorlogstijd doorgaans achter de zittende president scharen, zie Roosevelt en Nixon.

Het gevolg is dat de kiezers een duidelijke keuze krijgen voorgelegd, zeker sinds uitdager John Kerry zich voluit tegen de oorlog in Irak heeft gekeerd, wat electoraal niet zonder risico is. Maar in het politieke paradijs zijn sommige commentatoren, zoals Marcel van Dam (Forum, 14 oktober), onverminderd gefixeerd op de negatieve kanten van het verkiezingscircus (teveel geld, teveel verpakking), zien daardoor de scherpte van het duel, met drie stevige debatten, totaal over het hoofd en blijven kennelijk van mening dat Bush en Kerry nog veel te leren hebben van Gerrit Zalm en Wouter Bos.

Wat ook onvoldoende wordt gezien is dat het duel onderdeel is van een meer omvattend gevecht om het politieke hart van Amerika. In de vorige eeuw kende het land twee grote electorale coalities: die van Franklin Roosevelt en die van Ronald Reagan. In de tijd van de Grote Depressie smeedde Roosevelt zijn coalitie van vakbonden, katholieken, zwarten, zuiderlingen en Oostkust-intelligentsia. Een bont gezelschap dat de Democraten gedurende vier decennia tot de dominante politieke kracht maakte.

Maar nadat het Zuiden al was gedeserteerd in de jaren zeventig, bezorgde Reagan in 1980 de Republikeinen voor langere tijd het voortouw dankzij zijn coalitie van christelijk rechts, big business, het Zuiden en spijtoptanten in het industriële Midden-Westen (de 'Reagan Democrats') die zich niet meer thuis voelden bij de sociaalculturele vrijzinnigheid van de Democratische partij.

Deze coalitie bleek vier jaar geleden, ondanks de economische voorspoed van de Clinton-jaren, net sterk genoeg om Bush jr. in het zadel te helpen. Maar de sfeer van onzekerheid en de demografische ontwikkelingen (met de Latino's als sterkst groeiende bevolkingsgroep) kunnen toch weer voor een omslag zorgen. Dit is een krachtmeting die niet op 2 november ophoudt, maar de uitslag is uiteraard van grote invloed op de toekomstige mise-en-scène.

Dat er tegelijk de nodige overeenkomsten tussen Bush en Kerry zijn, verandert daar niets aan. Wie meent dat de verkiezingen lood om oud ijzer zijn, lijdt aan ernstige kortzichtigheid.

Paul Brill is redacteur van de Volkskrant en voormalig correspondent in de VS.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden