Politieke elite belemmerde democratie na de oorlog

Na de bevrijding zou het parlement onmiddellijk bijeen worden geroepen, beloofde het eerste kabinet-Gerbrandy. Maar er kwamen een noodparlement en een Voorlopige Staten-Generaal....

HORTEND en stotend, dat is waarschijnlijk de beste typering voor de manier waarop na 5 mei 1945 de parlementaire democratie in Nederland weer begon te functioneren. De vijftigste herdenking van de bevrijding komt wat het parlement betreft een jaar te vroeg. In mei 1945 en maanden daarna bleef het akelig stil op het Binnenhof. Het duurde nog tot 20 november 1945 voordat er weer sprake was van, min of meer normale, parlementaire controle. En het duurde tot na de verkiezingen van mei 1946 voordat de parlementaire democratie weer was hersteld.

Die, in ieder geval achteraf, toch wel merkwaardige gang van zaken was ook direct na de oorlog al omstreden. Het eerste kabinet-Gerbrandy had nog vanuit Londen beloofd het parlement en de lagere democratische organen meteen na de bevrijding weer bij elkaar te roepen. Maar Gerbrandy's tweede kabinet en het direct na de bevrijding door koningin Wilhelmina beëdigde kabinet-Drees/Schermerhorn braken die belofte.

Wel werd op 25 september 1945 een noodparlement, de tijdelijke Staten-Generaal, bijeengeroepen. Dat mocht alleen de instelling op 20 november van een Voorlopige Staten-Generaal voorbereiden. En ook de verkiezingen, die uiteindelijk in mei 1946 werden gehouden, lieten, volgens de enquêtecommissie, 'te lang op zich wachten'.

Vanwaar die aarzeling bij een groot deel van de toenmalige politieke elite om de normale democratische verhoudingen te herstellen? Er waren natuurlijk praktische problemen, zoals de papierschaarste en de chaos bij de bevolkingsadministratie. Maar er waren ook politieke redenen om te wachten met herstel van de democratie.

De politieke machtsverhoudingen na de bezetting waren ongewis en nogal complex. Koningin Wilhelmina, die in Londen een flink stempel had gedrukt op de activiteiten van de regering, was bepaald geen voorstander van een onvoorwaardelijk herstel van de vooroorlogse verhoudingen, inclusief partijpolitiek en parlement.

Direct na de bevrijding, toen het tweede Londense kabinet-Gerbrandy zijn ontslag aanbood, zette zij haar kaarten dan ook op uit het verzet afkomstige politici die streefden naar een grondige vernieuwing van het politieke bestel.

Sommigen hadden ideeën die - zacht uitgedrukt - haaks stonden op het klassiek liberaal-democratische gedachtengoed. Prof. Romme bijvoorbeeld, later jarenlang de grote man van de KVP en politiek hoofdredacteur van deze krant, pleitte voor afschaffing van directe verkiezingen voor het parlement.

Het meest tastbare naoorlogse resultaat van het vernieuwingsdenken was de Nederlandse Volksbeweging (NVB), een nogal vage, uit het verzet voortgekomen stroming die af wilde van het op godsdienst en wereldbeschouwing gebaseerde partijstelsel. Dat zou mislukken, al kwam via de zogeheten doorbraak nog wel de Partij van de Arbeid tot stand - een combinatie van de oude, vooroorlogse SDAP, delen van de vooroorlogse liberale Vrijzinnig Democratische Bond en progressief-katholieke en christelijk-historische intellectuelen.

Schermerhorn, de eerste naoorlogse premier, was zelf uit die NVB afkomstig, en dat is ongetwijfeld van invloed geweest op het trage herstel van de parlementaire democratie. Het machtsspel van oude politieke partijen zou immers de doorbraak van zijn politieke beweging kunnen belemmeren.

Toch wist de parlementaire democratie zich op te richten, inclusief de partijpolitieke verhoudingen van voor de oorlog. Eerst kwam op 25 september 1945, in een bijzondere zitting, het voor de oorlog gekozen parlement bij elkaar. Als 'rompparlement', want een aantal leden was tijdens de oorlog overleden. Anderen hadden bedankt, de vertegenwoordigers van NSB (vier in de Tweede, vier in de Eerste Kamer) waren 'gezuiverd' - een maatregel die ook op één ander lid van de Kamer plus twee senatoren werd toegepast.

Die zuivering was de eerste aanwijzing voor de manier waarop de regering met het noodparlement dacht om te gaan. Zij werd uitgevoerd door een bijzondere, door de regering ingestelde commissie, terwijl de gebelgde Kamer de zuivering zelf had willen uitvoeren.

Het was bepaald niet de enige conflictstof tussen Kamer en noodparlement. Zo was er kritiek op het feit dat de volksvertegenwoordiging niet veel eerder bijeen was geroepen. Schermerhorn en minister van Binnenlandse Zaken Beel betoogden dat het kabinet al die tijd nodig had om uit te dokteren hoe zij, zonder verkiezingen, een parlement bijeen konden roepen dat zo representatief mogelijk was. De zittingsduur van de voor de oorlog gekozen volksvertegenwoordiging was immers verstreken.

Vooral ARP-leider Schouten stelde daar een krachtig argument tegenover. 'De regering heeft niets gedaan voor het herstel van de rechtsstaat wat van haar mocht worden verwacht. De regering zelf zegt de democratische staatsvorm te hebben gemist. (. . .) Ware het dan niet beter geweest te werken met een voorlopige Staten-Generaal, die niet meer voldoende representatief waren, dan zonder Staten-Generaal. Wij leven nu in een dictatoriaal tijdperk, dat strijdig is met het Nederlandse staatsrecht.'

Het zijn zware woorden, maar Schouten had geen ongelijk, want uit alles bleek dat het kabinet het noodparlement als een ondergeschoven kindje beschouwde. Zo werd deze eerste naoorlogse zitting zonder het gebruikelijke ceremonieel geopend en werd de Kamer bij Koninklijk Besluit het recht van initiatief, enquête en interpellatie onthouden.

Het kabinet had kortom liever niet dat deze Kamer zich bemoeide met het regeringsbeleid. Dat bleek uiteindelijk niet helemaal vol te houden, want over het Indië-beleid en het Handvest van de Verenigde Naties dwong de volksvertegenwoordiging ten slotte toch een debat met de regering af.

Volgens de regering had het noodparlement eigenlijk maar één taak: het vaststellen van de procedure waardoor de beide kamers tot de volgende verkiezingen zouden worden aangevuld met nieuwe leden. Om tot een voltallige zitting te kunnen komen, moesten immers de plaatsen van de NSB'ers en leden die in de oorlog waren gestorven of hadden bedankt, worden opgevuld. Ook daarover ontstond een stevig principieel conflict met vooral de anti-revolutionairen.

Schouten vond dat de aanvulling volgens de laatste vooroorlogse verkiezingsuitslag moest geschieden. Maar het kabinet wilde ook vertegenwoordigers van het voormalige verzet een stem geven bij het toewijzen van de opengevallen plaatsen. Dat laatste gebeurde uiteindelijk alleen voor de acht vrijgekomen NSB-zetels uit de beide kamers.

Het kabinet-Schermerhorn/Drees heeft goed gebruik gemaakt van de ongekende vrijheden die het had. In het parlementsloze halve jaar tot 20 november werd een groot aantal besluiten genomen. Wetten mochten ze niet heten. Een aantal van deze 'wetsbesluiten', zoals over de geleide loonpolitiek, zou het gezicht van Nederland decennia lang bepalen. Het besluit van minister Lieftinck om de geldhoeveelheid te zuiveren is bijvoorbeeld maar één keer in de Kamer besproken. De Tweede Kamer had er lof voor, maar had veel kritiek op de langurige blokkering van de tegoeden van burgers en bedrijven.

Een begroting voor 1946 voorleggen aan het parlement deed Lieftinck niet, de belastingen verhogen daarentegen wel. Pas na de verkiezingen in mei 1946 kregen de kamers de mogelijkheid erover te praten.

In die eerste maanden legde Schermerhorn de basis voor besluiten die sterk leunden op het gedachtengoed van de Nederlandse Volksbeweging en de nog op te richten PvdA. Socialisatie, planning en een grotere rol van de staat in het maatschappelijke leven waren uitgangspunten. Het fundament voor de publiekrechtelijke bedrijfsorganen - bedrijfsschappen en later bedrijfsverenigingen - werd gelegd. Planeconoom Tinbergen mocht zijn ideaal verwezenlijken en richtte het Centraal Planbureau op.

De belangrijkste maatregel is ongetwijfeld het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen (BBA) dat in oktober 1945 tot stand kwam. Het gaf de regering tot in de jaren zeventig de mogelijkheid de loonontwikkeling te sturen, waarbij voor werkgevers en werknemersorganisaties slechts een ondergeschikte rol was weggelegd.

En zo kon op 20 november dan eindelijk, en nu wel met enig bescheiden ceremonieel, de eerste zitting van de nieuwe, Voorlopige Staten-Generaal worden gehouden. De regering wordt weer gecontroleerd.

Ex-minister H. Hofstra (PvdA) is een van de weinige nog levende kamerleden uit die tijd. Drees haalde hem van Financiën vanwege zijn kennis. 'Eenderde van de leden was nieuw. We waren erg onzeker, want we wisten van niets. Ik stond er met het zweet in mijn handen. Mijn gevoel was: we praten wel mee, maar veel beslissingen hebben we niet genomen.'

'Zo heeft de regering, zou men kunnen zeggen, ook na 20 november vrij spel', schrijft de historicus prof. Bosmans. 'In menig aangelegenheid zal zij zich inderdaad niet laten beroeren door kritiek vanuit de kamers.' Tot grootse wetgeving kwam het niet meer. Maar pas een jaar na de bevrijding, in mei 1946, mag Nederland naar de stembus en krijgt het weer een werkende parlementaire democratie.

Mike Ackermans

Arnold Koper

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden