Politieke consensus is valse droom

Zou het niet prettig zijn als we het allen eens waren? Als het gekissebis tussen Links en Rechts voorbij was?...

Niet alle meningen zijn in rationele dialoog te verzoenen, niet alle belangen zijn utilitair te verenigen. Universele consensus is een dwaallicht. Wie het bestaan van onoplosbare conflicten ontkent, zet de democratie zelf op het spel.

De Belgische politiek filosofe Chantal Mouffe (1943), die sinds jaren in Londen woont en doceert, zet dit helder uiteen in Over het politieke, de vertaling van het in 2005 verschenen On the political. Politiek is volgens de auteur niet de rationele conversatie die het liberalisme erin ziet, maar betreft altijd de strijd van een ‘wij’ tegen een ‘zij’.

De kunst is de strijd beheersbaar te maken zonder hem te ontkennen. Daartoe gebruikt Mouffe het begrip van de ‘tegenstander’. De tegenstander is meer dan een concurrent of discussiepartner met wie je tot overeenstemming kunt komen, maar tegelijk minder dan een vijand met wie je in een strijd op leven of dood zou zijn gewikkeld. Democratie is beheerst politiek conflict.

Een vanzelfsprekend inzicht wellicht, maar volgens Mouffe verdwijnt het steeds uit beeld. Sinds het einde van de Koude Oorlog en de globalisering wint de gedachte terrein dat we een ‘postpolitieke’ wereld binnentreden, waarin conflicten niet meer ideologisch zijn en uiteindelijk alle kunnen worden opgelost.

In eerder werk ging ze hierover in debat met consensusfilosofen als Habermas en Rawls. In Over het politieke neemt ze Anthony Giddens en Ulrich Beck de maat. Beide sociologen, destijds inspiratoren van Blair’s Derde Weg tussen links en rechts, menen dat we in het ‘posttraditionele’ tijdperk zijn beland. Individuele keuzes inzake leven en dood (body politics) of inzake de beste manier om je subjectiviteit te verwezenlijken (life politics) zouden de plaats hebben ingenomen van collectieve politieke controverses, zoals de strijd om gelijkheid. Mouffe toont fijntjes aan hoe de notie van de tegenstander, die uit zulk postpolitiek denken wordt weggepoetst, via een omweg terugkeert – maar dan als vijand. Iedereen die zich niet thuis voelt in de als sociologische waarheid opgetuigde ‘reflexieve moderniteit’ van Giddens & Beck, wordt weggezet als traditionalist of fundamentalist, dus als minderwaardig of zelfs gevaarlijk.

Overtuigend is Mouffe als ze deze gedachten toepast op het West-Europese rechts-populisme. Ze wijt de opkomst ervan aan de ‘consensus van het midden’ die de kiezers geen keuze bood tussen alternatieve visies op de toekomst. Haar geliefde voorbeeld is Oostenrijk. Al sinds de jaren vijftig verdeelden de sociaal-democraten en de conservatieven in een quasi-permanente ‘grote coalitie’ de macht en de baantjes (het Proporz-systeem).

De rechtse populist Jörg Haider wist deze alliantie te doorbreken door een nieuwe tegenstelling te scheppen: niet links versus rechts, maar volk versus elite. Hij herdefinieerde het speelveld in een ‘wij’ van hardwerkende Oostenrijkers en verdedigers van nationale waarden versus een ‘zij’ van partijleiders, vakbondsleiders, bureaucraten, buitenlanders en linkse kunstenaars en intellectuelen.

De eerste reactie van de elite was Haiders beweging te verwerpen als ‘neonazistisch’ en product van een onverwerkt Oostenrijks verleden. Daarmee werd zijn partij niet als (politieke) tegenstander erkend, maar als (moreel) verwerpelijk buiten de democratische orde geplaatst. In het geval van Haider zelf was daar zeker aanleiding toe; anderzijds is twijfelachtig of eenderde van het Oostenrijkse electoraat neonazistisch zou zijn. Hoe dit ook zij: men verklaart zo niet de opkomst van vergelijkbare bewegingen in Denemarken, Noorwegen, Nederland, België of Frankrijk, landen met een ietwat minder problematische relatie tot het oorlogsverleden.

Het Nederlandse voorbeeld, door de auteur niet uitgewerkt, is treffend. De grote doorbraak van het rechts-populisme, in de persoon van Fortuyn, vond plaats bij de verkiezingen van mei 2002, oftewel na de acht jaar paarse coalitie waarin PvdA en VVD de oude sociaal-economische ideologische tegenstelling tussen links en rechts hadden overspannen. Het verbond van vakbondsman Kok en koopman Bolkestein was het einde van de Koude Oorlog op polderschaal. Of preciezer nog: terwijl Paars I, als het eerste kabinet sinds mensenheugenis zonder christen-democraten, nog een nieuwe politisering bewerkstelligde langs de lijn seculier/religieus op thema’s als onderwijs, zondagsrust en moraal, daar verchagrijnde Paars II tot een grote coalitie die elk maatschappelijk conflict ontkende en absorbeerde. De paradoxale les: voor een democratie is de oppositie minstens zo belangrijk als de regering.

Wat nu te doen? Mouffe zelf zet haar kaarten op het nieuw leven inblazen van de links-rechts-tegenstelling. (Vandaar ook haar aanval op de Derde-Weg-ideologen die daar ‘voorbij’ wilden.) Concrete handvatten hiervoor biedt ze echter niet. Ze doet geen suggesties op welk terrein die politisering zou moeten plaatsvinden: economisch, cultureel of anderszins.

Je voelt soms hoe de filosofe klem raakt tussen haar radicale politieke impulsen (die ‘links’ zijn) en haar harde theoretische noties inzake conflict en pluraliteit (die ze bij ‘rechts’ haalt). Aan deze spanning ontleent ze echter tevens haar succes in de Engelstalige academische wereld. Na actief te zijn geweest in de studenten- en feministische beweging van de jaren zestig en zeventig publiceerde Mouffe in 1985 met Ernesto Laclau een invloedrijk boek over ‘radicale democratie’, wegwijzer voor links in prille postmarxistische dagen. Haar kracht ligt in het inbrengen van eigentijds Frans gedachtegoed – Claude Lefort, Derrida – in het Engelstalige debat. Ook was ze een van degenen die al vroeg de nazi-ideoloog en conflictdenker Carl Schmitt salonfähig maakten in postmoderne kringen als vlijmscherp criticus van het liberalisme. Bij de Britse uitgeverij Verso, een ‘radicaal’ intellectueel bastion, telt haar stem.

Deze achtergrond verklaart waarom Mouffe in Over het politieke uitgebreid het idee van een werelddemocratie weerlegt. Geen politicus buiten het VN-hoofdkantoor neemt die gedachte serieus, maar in bepaalde academische kringen is het hot. Aardig is hoe Mouffe het kosmopolitisme van Habermas – de belangrijkste filosofische steunpilaar van dit gedachtegoed – onderuit haalt, maar tegelijk de antiglobaliseringsbijbel Empire (2000) van Negri en Hardt afserveert: voor haar twee keerzijden van dezelfde onpolitieke medaille.

Terecht stelt de auteur dat een wereldstaat niet gelijk staat aan wereldvrede; hoogstens zullen interstatelijke oorlogen de vorm aannemen van burgeroorlogen en terrorisme. Enigszins koddig is wel haar advies dat ‘we’ een multipolaire wereldorde moeten nastreven. De Chinezen, Indiërs en Russen hebben niet op die aansporing gewacht. . .

Mouffe’s ideeën zijn niet altijd nieuw. Dat politiek begint met de erkenning van de onuitroeibaarheid van conflict is al minstens sinds Machiavelli een hoofdlijn in de politieke filosofie. Anderzijds: ook de gedachten waartegen de auteur zich keert, duiken in steeds nieuwe varianten op. De droom van universele consensus is taai. Mouffe’s verdienste is dat zij consensuspolitici en -filosofen zeer helder van repliek dient.Luuk van Middelaar

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden