'Politiek plus messianisme leidt tot catastrofes'

‘We moeten de wereld leren vertrouwen’, zegt Avraham Burg, voormalig voorzitter van het Israëlische parlement en schrijver van The Holocaust is Over....

‘Ik wil je dit even voorlezen’, zegt Avraham Burg, terwijl hij zijn mobiele telefoon pakt. ‘Een paar minuten geleden kreeg ik een sms van Noam, mijn jongste. Hij zit in het leger. Papa, weet je een boek voor mij met voorbeelden van opgeloste conflicten in de wereld?’

Burg haalt het berichtje van zijn zoon aan om te illustreren dat de Israëlische jeugd nadenkt en, hoewel de schijn bedriegt, steeds minder gelooft in militair geweld. Een paar dagen geleden, memoreert hij, werd een enquête gepubliceerd in Israël waarin meer dan tachtig procent zei de oorlog tegen Gaza te steunen. Tegelijkertijd meende volgens dezelfde enquête een meerderheid, dat de oorlog niet zal helpen het conflict te beëindigen.

Burg is voor een bliksembezoek in Amsterdam, om een lezing te houden op uitnodiging van het aan het Joods Historisch Museum verbonden Menasseh ben Israel Instituut. In de gespannen situatie aan het thuisfront, waar twee van zijn zonen op dit moment dienen – de een als luchtmachtpiloot, de ander bij de inlichtingendienst, maar beiden niet opgeroepen voor Gaza – doet hij met merkbare aarzeling en tegenzin uitspraken over Israëls militaire campagne.

Een van de vele harde uitspraken in zijn pas verschenen boek The Holocaust Is Over – We Must Rise From Its Ashes luidt: ‘Als elke vijand het absolute kwaad is en elk conflict een oorlog op leven en dood – dan is alles in onze ogen gerechtvaardigd.’ Gevraagd of hij de Gaza-oorlog als weer een bewijs van zijn gelijk ziet, antwoordt hij aanvankelijk ontwijkend: ‘Ik ben uit de politiek gestapt omdat het een permanente strijd is om lopende problemen te lijf te gaan. Ik kijk nu naar de grote lijnen, het complete beeld. Maar ik wil niet flauw zijn. Mijn antwoord is ja. Maar het is een ja, maar.’ En dan volgt een betoog, waarin Scheveningen – zonder aanleiding, benadrukt Burg – dagelijks met tien raketten wordt bestookt en op een dag Nederland besluit terug te slaan. ‘Er is een excuus om te vergelden.’

Maar wat is zijn gevoel over deze oorlog? Zijn terughoudendheid overwinnend, zegt hij: ‘Erger dan slecht. Deze oorlog is zinloos. Want waar staan we nadat de oorlog is beëindigd? Als de oorlog zou leiden tot een nieuwe verhouding met de Palestijnen, een gesprek met Hamas, direct of indirect, een of andere vorm van dialoog, dan kan ik de prijs voor deze smerige oorlog accepteren. Maar als hij alleen een pauze brengt tot de volgende ronde, dan is dat onmogelijk.’ De tegenstanders zullen er samen nooit uitkomen, zo is zijn overtuiging. Aan een ronde tafel met de VS, Europa, Jordanië, Egypte, PLO, Hamas – jazeker, natuurlijk, ook Hamas – en Israël zal een oprecht gesprek, dat de weg opent naar vrede, moeten beginnen.

Het zijn voor Israëlische begrippen radicale gedachten, extra pikant omdat ze geuit worden door iemand die tot voor kort deel uitmaakte van Israëls politieke elite en opgroeide te midden van de stichters van de staat. Zijn vader, Josef Burg, gevlucht uit nazi-Duitsland, diende als minister in vele kabinetten. Hij was leider van de gematigde Nationaal Religieuze Partij. Zelf stapte Avraham, nu 53 jaar, in 1988 in de politiek als parlementslid namens de Arbeiderspartij. Later werd hij voorzitter van de Zionistische Wereldorganisatie en Jewish Agency, organisaties die Israël onvoorwaardelijk steunen en emigratie naar Israël stimuleren, om in 1999 terug te keren in de Israëlische politiek, nu als voorzitter van de Knesset, het Israëlisch parlement. Die eervolle functie bekleedde hij tot 2003, toen hij besloot de actieve politiek de rug toe te keren. Sindsdien verdient hij zijn brood als zakenman en ontvouwt hij zijn denkbeelden in boeken.

In zijn jongste, heel persoonlijk geschreven, boek probeert hij het wezen van Israël te doorgronden en zijn ziel bloot te leggen. Het levert een tragisch en bij vlagen beangstigend beeld op.

Israël is psychisch in de greep van de dood; de shoah is een nationale obsessie geworden, ja zelfs een staatsreligie, meent hij. Het idee dat ‘de hele wereld tegen ons is’, maakt de Israëli’s wantrouwend en altijd klaar om te vechten. Elk gewapend conflict wordt in termen van de Holocaust – en dus met gevaar voor vernietiging – begrepen. Dit rechtvaardigt alles wat Israël ter verdediging van zichzelf doet, zo houdt Burg de lezers, in de eerste plaats de Israëli’s, voor. Tegenwoordig maken Israëlische scholieren als vast onderdeel van de opvoeding een reis naar Auschwitz. Duidelijk geschokt schrijft Burg dat zijn dochter ter voorbereiding van de reis de gedachte meekrijgt ‘wij zijn allemaal shoah-overlevenden’.

Heldendom en slachtofferschap worden beide evenzeer gekoesterd. Israël is tot de tanden bewapend en doodsbang. ‘We zijn nog steeds ondergrondse strijders, opstandelingen van het getto, schimmen in het kamp, en het doet er niet toe dat we nu een natie zijn, een staat en een leger hebben, een bruto nationaal product of internationaal aanzien. De shoah is ons leven en we zullen het niet vergeten en zorgen dat niemand het vergeet’, zo noteert hij zijn pijnlijke conclusie.

Volgens Burg is deze mentale gesteldheid voortgekomen uit het feit dat Israël ontstaan is na, of zo je wilt door de Tweede Wereldoorlog. Hij erkent echter ook dat de shoah werd en wordt misbruikt door politici die zich tegen kritiek wapenen met een beroep op het verleden.

‘Als je Benjamin Netanyahu vraagt wat de dreiging van de Iraanse bom betekent, zegt hij: ‘Het is nu 1938.’ Is dat zo? Hadden we toen een machtig leger of een machtige staat? Of de eenduidige veiligheidgarantie van supermachten? Nee! Maar het klinkt goed en het komt Netanyahu te pas’, zegt Burg.

Vurig pleit hij voor een nieuwe mentaliteit, die op de toekomst is gericht en uitgaat van de realiteit van vandaag. ‘We moeten de wereld leren vertrouwen en zelf verantwoordelijkheid nemen voor die wereld’, vindt Burg ‘Het ‘nooit meer’ betekent niet ‘nooit meer voor joden’. Het betekent de plicht op te komen voor degenen die het op dat moment nodig hebben.’

Burg schopt tegen nog een ander heilig huis. De definitie van Israël als een ‘Joodse democratische staat’ moet wat hem betreft op de helling. ‘Begrijp me goed’, begint hij zijn betoog. ‘Israël is een fantastische democratie. Er is een enorme vrijheid van meningsuiting. Dat is des te bijzonderder als je nagaat dat de meeste immigranten uit dictaturen afkomstig zijn. Toch is het een goed functionerende democratie.’ Na dit compliment spuit hij zijn kritiek. ‘Een Joodse democratische staat. Klinkt goed. Twee voor de prijs van één. Maar het is een heel labiele constructie. Want in een democratie heeft het volk het voor het zeggen. Maar als je tegelijkertijd zegt dat het een Joodse staat is, die per definitie wie Jood is laat bepalen door orthodoxe of ultraorthodoxe rabbijnen, dan creëer je een botsing tussen democratie en theocratie. Zolang we vijanden van buiten hebben, let niemand er op. Maar stel er gebeurt een tragedie: de Arabieren verklaren ons de vrede. Dan zal er meteen een conflict binnen Israël uitbreken tussen de goddelijke en menselijke bronnen van gezag. Ik zeg: zien jullie het niet?’

‘En dan is er nog een dimensie’, vervolgt hij. ‘Iedere keer als joodse politiek zich vermengde met joods messianisme – eindigde het in een catastrofe. Dat gebeurt nu opnieuw.’ Daarom moeten staat en kerk gescheiden worden.

Dat ziet hij trouwens nog niet zo gauw gebeuren. De tendens wijst eerder in omgekeerde richting. In het boek slaat hij alarm voor de naar zijn idee reële mogelijkheid dat Israël afglijdt naar een regime van generaals en nationalistische, racistische rabbijnen. ‘Ik hoop dat ik overdrijf, ik hoop het.’ De drijvende kracht voor een dergelijk nachtmerrie-scenario is volgens Burg de bezetting. ‘Wij zitten niet op de Westelijke Jordaanoever vanwege veiligheid of economische belangen. Wij zitten in Hebron, in Nablus, in alle nederzettingen vanwege een rabbijnse, messianistische ideologie. Het is een kwaadaardig kankergezwel en maakt Israël van binnenuit kapot. Wij willen de wereld graag doen geloven dat Israël Tel Aviv is. Dat klopt niet, oh nee. Hebron, met z’n fanatieke religieuze kolonisten, is ook Israël. En hun macht groeit.’

Burgs eigen metamorfose, van overtuigd zionist met prominente functies, naar criticus, heeft zich naar zijn zeggen voltrokken tijdens de Tweede Intifada, toen bomaanslagen aan de orde van de dag waren, steevast gevolgd door vergeldingsacties van het Israëlische leger. ‘Er werd niet over gepraat. Er was alleen maar zwijgen. Ik stond erbij en keek ernaar. Ineens besefte ik dat Israël een heel efficiënt koninkrijk was geworden zonder profetie. We voeren uit, we besluiten, we bouwen, we breken af, we zijn heel actief, maar waarheen zijn we op weg, wat is ons kompas? Ik ben uit de politiek gestapt omdat ik mijn koers kwijt was, en het hele politieke systeem van Israël zijn koers kwijt is. Niemand of haast niemand had het ooit over vrede, over rechtvaardigheid, over de armoede in de maatschappij, over de discriminatie tegen de Arabieren, de smerige bezettingsmentaliteit jegens de Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever. Niet omdat mensen slecht zijn, maar omdat ze geen richting meer hebben. En ik ging zitten nadenken. En nadenken doe ik door te schrijven. Ik schrijf mijn boeken voor mijn kinderen. Het is fijn dat ook anderen ze lezen en erover praten. Maar oorspronkelijk is het een gesprek tussen mij en mijn kinderen.’

In Israël is The Holocaust is Over vorig jaar verschenen en ontketende het een golf van razernij. De krant Ha’aretz, het politiek tehuis van Burg, publiceerde een lang twistgesprek tussen Burg en de interviewer, die hem verweet Israël in de rug aan te vallen. Volgens Burg was de reactie typisch Israëlisch: op de boodschapper werd karaktermoord gepleegd, zodat de boodschap er niet meer toe deed. Een soort excommunicatie was het, hij hoefde niet meer te rekenen op een graf op Mount Herzl, waar Israëlische staatslieden begraven liggen. Hij lacht er een beetje om, maar op zijn gezicht is gekwetstheid te lezen. Moeilijker af te weren was de aantijging dat hij een halve deserteur was, toen bleek dat hij ook over een Frans paspoort – zijn vrouw is Française – beschikt.

Zijn oude politieke vrienden hebben zich van hem afgekeerd. Zijn vroegere achterban, gezeten burgers uit de middenklasse en van middelbare leeftijd, riep: ‘Avraham, hou je mond, donder op met je lastige vragen, hou je mond!’ Maar daarna, zo constateert hij tevreden, ‘begonnen al hun kinderen mij te bellen en te vragen of ze bij me langs konden komen’. ‘Ze zijn het niet met al mijn antwoorden eens, maar ze zeggen tegen me ‘ je bent de enige aan wie ik zulke vragen kan stellen’.’

Sinds het boek uit is ontmoet hij gemiddeld drie keer per week groepen jongeren om vragen te beantwoorden en te discussiëren. Het zijn studenten, jongens en meisjes in militaire opleiding. Dat geeft hem hoop. Dus vraag hem: ben je een roepende in de woestijn? Dan antwoordt hij: ‘Een roepende, ja, soms een eenzame roepende. Maar in de woestijn? Nee!’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden