Politiek en voetnoten

Moeten we het Ronald Plasterk kwalijk nemen dat hij meeschreef aan het PvdA-programma? Integendeel, nu weten we uit welke hoek de wind waait....

Columnist Ronald Plasterk is uit de kast gekomen. Het heeft een paar jaar geduurd, maar dan heb je ook wat. Hij blijkt het verkiezingsprogramma voor Wouter Bos te hebben geschreven. In zijn krantencolumn bekende Plasterk dat hij al heel lang lid is van de PvdA. Is dat erg? Kennelijk voor Plasterk wel. Hij argumenteerde dat hij heus eerder standpunten van zijn partij had bekritiseerd. En zondag in Buitenhof zou hij een echte partijgenoot onder handen nemen. Jammer dat die partijgenoot vervolgens de Britse Labourleider Tony Blair bleek te zijn.

De demonstratie van Plasterk illustreert de curieuze preutsheid over onafhankelijkheid in de Nederlandse meningvormerij. HP/De Tijd maakte vorige week werk van de linkse vooringenomenheid van de vaderlandse columnisten. Het blad vroeg de hoofdredacties welke commentatoren en columnisten lid zijn van een politieke partij. Ze wisten wat eruit zou komen: voor zover lid, hoorde de overgrote meerderheid bij de PvdA. Verder een paar kruimelaars van GroenLinks en het CDA, en dat was al. En opnieuw bleek weer die rare terughoudendheid: desgevraagd lieten de hoofdredacteuren unisono weten niet geïnteresseerd te zijn in de politieke banden van hun columnisten. Een houding die evident merkwaardig is in een tijd dat transparantie op ieders lip is en je op de redactie door ombudsmannen omver wordt gelopen.

Die beschetenheid over politieke banden moet te maken hebben met de cultus van objectiviteit en professionaliteit die de krant tegenwoordig aankleeft. Vroeger waren we katholiek, nu professioneel. Betekent dat ook dat we reukloos zijn, en vlekvrij? Godlof niet.

Plasterk schreef vorige week in zijn apologie: ‘Natuurlijk heb je in grote lijnen een bepaalde politieke kleur, maar dat heeft iedereen.’ Zo is het. En daarom is het heel goed dat onze columnist meehelpt aan het PvdA-programma. Als hij het maar luid en duidelijk van de daken schreeuwt. Dan weet de lezer of hij nog zin heeft in Plasterk in deze gedaante. En dat is niet een ‘hopelijk tijdelijk nadeel’ zoals hij vervolgens opschreef, maar structurele winst.

Het echte probleem is niet het partijlidmaatschap, maar het professorale gewicht van Plasterk. Nu valt dat in zijn geval nogal mee, omdat Plasterk biochemicus is en de wormen en zebravissen die hij detecteert in een debat over Europa niet zo verschrikkelijk veel zoden aan de dijk zullen zetten.

Maar neem nu dit. Vorige week zat ik in de Haagse Museon-zaal tijdens een discussie tussen Frits Bolkestein en Tony Judt, de eminente Britse hoogleraar geschiedenis die in Nederland was om zijn mooie boek Na de oorlog aan te prijzen. Ik had Judt ’s morgens geïnterviewd en hij had een hoop te vertellen over de Europese geschiedenis (zie morgen in Cicero).

’s Avonds in het debat met Bolkestein bleek Judt niet alleen over geschiedenis, maar over alles een mening te hebben. Met een microfoontje in zijn revers en grote armgebaren liep hij over het Museon-podium, onderwijl debiterend dat Europese leiders provinciaals zijn, dat Amerika nóg provinciaalser is, dat onze politici niet meer strategisch kunnen denken, dat Turkije bij de Europese Unie moet, anders kiest het voor de Russen of voor de Arabieren, dat de Europese Grondwet een slecht idee was, in abominabel Giscard-d’Estaing-proza geschreven, en niet te vergeten, dat het hoog tijd wordt dat de Bezette Gebieden eindelijk ter discussie worden gesteld.

Dit allemaal in een uur, en in een adembenemend tempo. Zelfs Frits Bolkestein was er een beetje beduusd van. Wat was de status van dit mitrailleurvuur aan opvattingen, aansporingen, be- en veroordelingen, rapportcijfers voor staatslieden en de overige wereldbevolking? Van een politicus als Bolkestein weet je: die wil de macht, dus zijn aanspraak op de waarheid is beperkt. Hij moet ook vroeger of later verantwoording afleggen bij de kiezer. Zijn ruimte voor politieke luchtkastelen is dus bescheiden.

Maar zo’n professor, wat is die? Tony Judt gedroeg zich als een Oudgriekse ‘Maître de Vérité’, een rituele waarheidszegger. Of waren er toch ergens belangen? In het Museon bleek hoe groot de hunkering naar deskundige duiders is. De handen gingen op elkaar, het is van de professor dus het zal wel waar wezen. De filosoof Safranski zei daarover: ‘Het verlangen naar deskundigen die het laatste woord spreken, is een seculiere versie van het verlangen van de kerkganger.’

Deze kerkganger – geen lid van de PvdA – wil weten: ben je wat je voorgeeft te zijn? Maar de rollen zijn diffuus geworden. In de ondoorzichtige samenleving ondersteunt de politicus zijn voorgenomen besluit maar al te graag met een rapport of wetenschappelijke uitspraak. Met als gevolg dat de wetenschap onvermijdelijk is gepolitiseerd.

Bij omstreden kwesties als drugsbeleid, euthanasie, multiculturele samenleving, schiet de wetenschap te hulp. En de deskundigen gooien er onbekommerd hun volle professorale gewicht tegenaan. Zo krijg je politiek met voetnoten, maar dan zonder de erkenning dat het daadwerkelijk om politiek gaat, en dus ook zonder verantwoording. Dat gaat bij uitstek op in Nederland, waar politieke tegenstellingen van oudsher al enthousiast worden vertaald in commissies van wijze hooggeleerde mannen. De vraag wie de macht controleert, verschuift naar de vraag wie in staat is de expertocratie tegenspraak te bieden.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden