Politici niet schuldig, wel verantwoordelijk

In Zuid-Holland is men volop bezig met zwarte-pieten: wie is er schuldig aan het financiële debacle? Volgens Martin Rosema verwart men hierbij steeds weer de begrippen schuld en verantwoordelijkheid....

VOLGENS het oorspronkelijke plan zouden de leningen aan het bedrijf Ceteco de provincie Zuid-Holland 2,2 miljoen gulden aan rente opleveren. Nu het bedrijf de leningen niet terug kan betalen, wordt de provincie geconfronteerd met een strop van 47,5 miljoen. Dat zijn de risico's van het vak van bankier, waarop Zuid-Holland was overgegaan.

Nu er sprake blijkt van een financiële strop, is het gebruikelijke zwartepieten weer begonnen. De betrokken partijen schuiven elkaar de schuld in de schoenen, of ontkennen op zijn minst zelf iets verwijtbaars te hebben gedaan. En daarmee wijzen ze iedere verantwoordelijkheid van de hand.

De begrippen verwijtbaarheid, schuld en verantwoordelijkheid worden hierbij ten onrechte aan elkaar gekoppeld. Wie schuldig is, hoeft niet verantwoordelijk te zijn; en wie verantwoordelijk is, is soms niet schuldig. De belangrijkste vraag is niet wie er schuldig, maar wie er verantwoordelijk is.

Het gaat in het geval van Zuid-Holland niet om de financiële strop van 47,5 miljoen op zich, maar om het beleid waardoor deze heeft kunnen ontstaan. In dat beleid zijn twee zaken onaanvaardbaar: ten eerste het verwerven van geld van anderen om zelf vervolgens weer uit te lenen, en ten tweede het aangaan van te grote risico's.

Er mag geen misverstand over bestaan dat dit bankieren niet tot de taken van een publiek orgaan behoort, dat de genomen risico's onaanvaardbaar zijn, en dat de provincie hiermee haar boekje dus ver te buiten ging. Omdat het gaat om het algemene financiële beleid van de provincie, is het college van Gedeputeerde Staten verantwoordelijk, in het bijzonder de gedeputeerde van Financiën.

Dat de huidige gedeputeerde van Financiën, de PvdA'er De Jong, pas dit jaar deze positie heeft ingenomen, maakt hem niet minder verantwoordelijk. Hij draagt deze verantwoordelijkheid namelijk niet op persoonlijke titel, maar als gedeputeerde. Als hem persoonlijk niets te verwijten valt, bijvoorbeeld omdat het beleid dateert van voor zijn aantreden, of omdat hij van bepaalde zaken geen weet had, maakt dat zijn verantwoordelijkheid niet minder.

Een andere betrokkene, commissaris van de koningin Leemhuis-Stout (VVD), heeft expliciet laten weten dat zij niets verwijtbaars gedaan heeft en geen verantwoordelijkheid draagt voor de bankier-praktijk van Zuid-Holland. Zij tekende slechts democratisch genomen besluiten, en had bovendien geen weet van de omvang van die praktijk.

De verantwoordelijkheid voor het beleid berust inderdaad niet in eerste instantie bij de commissaris van de koningin. Dit betekent niet dat Leemhuis niets verwijtbaars heeft gedaan, of nagelaten. Een aantal juristen heeft hieromtrent al enkele opmerkingen gemaakt. Leemhuis zou haar bevoegdheden niet hebben benut, en wellicht zou er onder haar supervisie zelfs in strijd met de wet zijn gehandeld.

Dat zij in 1995 binnen het college van Gedeputeerde Staten als enige tegen intensivering van het kasbeleid stemde was verstandig, maar maakt haar huidige positie niet sterker. Integendeel. Juist van haar had daarom verwacht kunnen worden dat zij de ontwikkelingen nauwlettend zou volgen. Het is zeer ernstig dat zij geen weet had van de 1,7 miljard aan uitstaande leningen, wat meer is dan de provincie per jaar uitgeeft (beide ongeveer 1,0 miljard). Als de commissaris van de koningin zichzelf hiervan niet op de hoogte heeft weten te stellen, terwijl zij er wel voor tekende, dan is er iets grondig mis.

Dat Leemhuis niet verantwoordelijk is voor het financiële beleid, wil dus niet zeggen dat haar niets te verwijten valt. Zoals Leemhuis zelf terecht opmerkte, is zij als commissaris van de koningin benoemd door de Kroon. Daarmee is het in eerste instantie aan de minister van Binnenlandse Zaken, Peper (PvdA), om haar functioneren te beoordelen.

Het college van Gedeputeerde Staten en de gedeputeerde van Financiën zijn in eerste instantie verantwoording schuldig aan de provinciale staten. Die laatste zitten in een vreemde positie. Als Provinciale Staten van de bankier-praktijk geen weet hadden, hebben zij gefaald in hun controle op het college van gedeputeerden.

In het jaarverslag van 1998 van Zuid-Holland stond duidelijk te lezen dat de balans door de toename van opgenomen en uitgezet geld toenam met enkele honderden miljoenen en dat er extra renteopbrengsten waren van meer dan zeven miljoen. Bovendien meldt de jaarrekening expliciet dat voor risico's van de geldleningen geen voorziening was getroffen. Wie dit alles niet heeft opgemerkt, heeft vermoedelijk of zitten slapen, of is niet competent.

Provinciale Staten zullen over de verantwoordelijkheid van de gedeputeerde van financiën, en eventuele politieke consequenties, dus moeten oordelen met boter op hun hoofd. Voor gedeputeerde van financiën Arie de Jong is het wrang dat hij verantwoordelijk is voor een beleid, waaraan hij als gedeputeerde weinig verwijtbaars heeft bijgedragen.

Maar het gaat om de verantwoordelijkheid, niet slechts om de schuld. En in ons systeem is de verantwoordelijkheid een politieke.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden