Polen in den vreemde: als suikerklontjes in een glas thee

West-Europese economieën draaien steeds meer op Oost-Europeanen, met de Polen ruimschoots in de meerderheid. Als kameleons nemen zij de kleur over van hun nieuwe vaderland....

De etalage is van een ontroerende eenvoud, zo eentje die je alleen nog ziet in films van Alex van Warmerdam. Voor het raam staan twee bosjes graan, waarmee het begrip levensmiddel tot zijn essentie wordt teruggebracht. Daarboven staat, onder een nationale rood-witte wimpel, in sierletters geschreven ‘Poolse delicatessen’, ofwel Delikatesy Polskie.

Zijn winkel heet U Szefa en eigenaar Bogdan Szewczyk moet lang zoeken naar de vertaling daarvan. Het moet zoiets zijn als ‘onder ons’ en dat is ook precies wat de winkel is: een sociaal trefpunt voor alle hem omringende Polen. De blikjes met Zupa Pomidorewa en het bier van Tyskie smaken naar het verre vaderland.

Scewczyk, afkomstig uit Czechowice-Diezdzice, heeft het postuur van een worstelaar. Zijn vierkante hoofd lijkt rechtstreeks op zijn gespierde schouders geschroefd, maar is ook toegerust met een geruststellende glimlach.

Scewczyk is net terug uit Frankfurt aan de Oder, waar hij bij een gespecialiseerde groothandel de voorraad bier heeft aangevuld. Het is verreweg zijn populairste product. De kratjes moeten deze zondagmiddag dringend worden gelost, maar eerst staat Scewczyk de pers te woord. ‘Afspraak is afspraak. Voor een Pool klinkt dat misschien gek, maar juist daarom ben ik graag in Nederland.’

Halverwege vorige maand opende hij zijn winkel in Leiden en nu maakt Bogdan Scewczyk alweer plannen voor een tweede vestiging in Hillegom, zo’n beetje het epicentrum van de Poolse invasie. Waar het seizoenswerk schreeuwt om personeel dat niet zeurt over arbeidsomstandigheden, is Pools zo langzamerhand de voertaal geworden. Gregor Zalewski uit Noordwijkerhout, schat het aantal landgenoten in de Bollenstreek op tienduizend.

Maar Polen zijn tegenwoordig overal. Hoogopgeleid bij onze multinationals of op onze universiteiten. Laagopgeleid achter het stuur van onze vrachtwagens, of achter de stofzuiger in onze huishoudens. En anders wel te vinden op onze deurmat, waar ze zich in moeizaam geformuleerde briefjes aanbieden als manusje van alles.

West-Europese economieën draaien steeds meer op Oost-Europeanen, van wie de Polen als nieuwe EU-broeders ruimschoots de meerderheid vormen. Zeker in landen die de deur helemaal hebben opengezet, is dat het geval. Sinds de toetreding tot de gemeenschap zouden zich in Engeland al 200 duizend Polen hebben gevestigd. Nederland heeft, net als Frankrijk en Duitsland, nog een dam opgeworpen tegen de Poolse immigranten. Officieel registreerde het Centraal Bureau voor de Statistiek op 1 januari in Nederland ruim twintigduizend Polen (eerste generatie). In totaal (al dan niet illegaal of tijdelijk) moet hun aantal zeker op het drievoudige worden geschat, zeker in deze tijden van oogst.

Over Polen wordt vooral in financieel-economische termen geschreven en gesproken, maar wie is de Pool? Hoe zit hij karakterologisch in elkaar? Hoe bevalt het hem, zo ver van huis en haard?

Op een zonnige woensdagmiddag heeft Gregor Zalewski zich geïnstalleerd op een terras in de Dorpsstraat van Noordwijkerhout. Twintig meter verderop zijn (Poolse) bouwvakkers bezig om voor hem Biuro Polonia in te richten. Vanuit dat kantoor gaat hij landgenoten straks helpen werk te vinden in Nederland, gaat hij voor hen Poolse kranten en tijdschriften importeren en goedkope busreizen arrangeren tussen de twee landen. Zalewski kwam in 1991 als achttienjarige naar Nederland. Hij was een arme jongen uit een klein dorp, die door heel hard werken in tuinbouw en horeca een bestaan heeft opgebouwd en die deze middag kennissen op z’n Nederlands begroet. ‘Alles goed?’

Een Poolse diplomaat vergeleek zijn in Nederland verblijvende landgenoten eens met een suikerklontje in een glas thee: eerst nog goed zichtbaar, al snel volledig opgelost.

Malgorzata Karczewska nam 25 jaar geleden door haar huwelijk met een Nederlander afscheid van Gdansk. Het was hetzelfde jaar, waarin een staking op de plaatselijke Leninwerf de kiem legde voor de omwenteling een decennium later. Met een woordenboek bij de hand had ze toen al kunnen kennisnemen van Nederlandse kranten, die haar man had opgestuurd. Bovendien sprak ze Engels, dus voelde ze zich als 21-jarige al snel helemaal thuis in Amsterdam. ‘Het paradijs op aarde. Geen rijen, geen tekorten, een eigen flat met wasmachine.’

Malgorzata Bos-Karczewska werkte jarenlang als Nederlands correspondente voor Poolse media. Nu is ze voorzitter van STEP, een stichting van (voornamelijk hoogopgeleide) Polen in Nederland. De uitspraak van de Poolse diplomaat had de hare kunnen zijn, en ze verklaart dat vermogen tot assimilatie uit een lange historie van landverhuizing. Al in de 19e eeuw trokken veel Polen naar Frankrijk, alleen al in de Verenigde Staten wonen 15 miljoen Polen. Als kameleons namen ze de kleur van hun nieuwe vaderland over.

Vanwege STEP vergadert ze regelmatig met collega’s van Europese zusterverenigingen en merkt dus zelf hoezeer Polen nieuwe nationale gewoonten overnemen. De Poolse Fin is zo bedaard als Finnen kunnen zijn, de Poolse Italiaan zo geagiteerd als Italianen kunnen zijn en Malgorzata Bos zal haar achternaam ook wel eer aandoen. ‘Maar als we met elkaar in vergadering zijn, vallen die verschillen weg. Dan is het al snel een Poolse landdag.’

Ondanks die rimpelloze inburgering zijn de verschillen tussen Polen en Nederlanders levensgroot. In feite zijn we elkaars tegenpool, aldus Bos: ‘Polen zijn uitbundig, Nederlanders ingetogen. Polen zijn formeel, Nederlanders informeel.’ Maar de Pool mag in eigen land een romanticus zijn, in het buitenland kiest hij voor een pragmatische oplossing. Daardoor lossen zijn eigenschappen op als suiker in de thee.

Dat is overigens minder eenvoudig dan het lijkt. ‘Wat wij hier vooral missen, is de sociale temperatuur. We houden van warmte, van een beetje feestelijkheid. Nederlanders trekken zich terug in hun gezin als ze kinderen krijgen. Poolse ouders houden hun sociale leven veel meer intact.’

De Poolse immigratie is niet van vandaag of gisteren, maar kwam honderd jaar geleden al op gang en is sindsdien een golfbeweging geweest. In het begin van de vorige eeuw deden de Limburgse mijnen al een beroep op Poolse werkers. De tweede stroom Polen kwam op gang na afloop van de Tweede Wereldoorlog toen het land communistisch werd.

Het derde golfje dateert van eind jaren zestig en was ook al politiek gekleurd: het antisemitisme van de Poolse overheid leidde tot een joodse exodus. In de jaren negentig, na de val van het communisme kwam de economische migratie op gang. Deze heeft steeds meer een tijdelijk karakter gekregen. In de Poolse volksmond heet dat na Saksy, een verwijzing naar begin deze eeuw, toen veel Polen tijdelijk te werk gingen in de Duitse deelstaat Saksen. Even snel een centje bijverdienen en dan gauw weer naar huis.

De 82-jarige P.J. Nowinski geboren in Nowe-Miesto, is van de tweede lichting en was jarenlang onderweg alvorens neer te strijken aan een Bredase singel. Nowinski was een 16-jarige gymnasiast, toen de Duitsers zijn oude vaderland binnenvielen. Hij vluchtte via Hongarije, Joegoslavië, Frankrijk, Spanje en Portugal naar Engeland, waar zijn wens om te studeren werd geblokkeerd door behoefte aan soldaten. En zo trok Nowinski als lid van de Eerste Poolse pantserdivisie in 1944 uiteindelijk Breda binnen, waar zijn oog viel op een donker meisje in een rood-wit-blauwe jurk.

Nowinski behoort tot de zogenoemde Maczek-Polen, vernoemd naar de generaal die geldt als de bevrijder van Breda. Doordat Polen in het communistische kamp werd gedwongen, bleven Nowinski en driehonderd andere manschappen hangen in Breda, in de meeste gevallen aan een Bredaas meisje.

Zijn militair voertuig heet ruim zestig jaar na dato ‘een tankske’, maar het Brabantse dialect klinkt nog altijd met een Poolse tongval. Veel meer is er niet van Polen aan hem blijven hangen. Opgelost als een suikerklontje in een glas thee. Hij is lid van Polonia, een Pools-culturele vereniging in Breda, en bezoekt trouw de Poolse mis in de Mariakerk. Maar als Poolse gelukszoekers hem na afloop van de kerkdienst vragen om een slaapplaats, poeiert hij ze meteen af. ‘Ik heb ook altijd mijn eigen boontjes gedopt.’

Gregor Zalewski meent dat de nieuwe generatie Poolse werkzoekenden last heeft van gemakzucht. ‘Ze denken snel rijk te worden, maar hebben er niet zoveel meer voor over. Toen ik begon, fietste ik vijftien kilometer naar en vijftien kilometer terug van mijn werk op een rozenkwekerij. Nu willen ze worden gehaald en gebracht, anders doen ze het niet.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.