Poging de muur rond Bordewijk te slechten

Mr Ferdinand Johan Wilhelm Christiaan Karel Emiel Bordewijk, advocaat èn schrijver (van boeken als Knorrende Beesten, Bint, Rood Paleis, Karakter en Eiken van Dodona) heeft er zijn leven lang àlles aan gedaan om zijn privé-wereld voor de buitenwacht te verhullen....

Tussen zijn juridische werk en het door hem uiterst serieus genomen schrijverschap trok hij een muur op, die zich niet liet slechten. Ook niet, toen dat in interviews, bijvoorbeeld door Nol Gregoor - de man die Simon Vestdijk wel tot een zekere mate van openhartigheid wist te verlokken - werd geprobeerd.

Unverfroren bleef Bordewijk bij zijn standpunt dat men niets, maar dan ook helemaal niets, met zijn persoonlijke omstandigheden te maken had. Over zichzelf als schrijver sprak hij, bijna op het komieke af, in de derde persoon enkelvoud. Alsof het over een vreemde ging.

Aan deze, in het huidige tijdsgewricht wat merkwaardig aandoende houding - nu schrijvers met ware wellust hun hele hebben en houden in de openbaarheid gooien, liever dan in de stilte van hun werkkamer gestaag aan hun oeuvre te werken - lag voor Bordewijk een opvatting over het schrijverschap ten grondslag, waaraan hij onder andere in zijn recensies voor het Utrechtsch Nieuwsblad wel eens een regeltje of wat wilde besteden. Streng doch rechtvaardig trad hij in deze stukjes de aanstormende jeugd tegemoet. Dan betoonde hij zich niet alleen de schepper van karakters als Katadreuffe en Bint - 'Ik eis van de leraar dat hij zich niet inleeft in het kind, dat hij niet daalt. Ik eis van het kind dat het zich inleeft in de leraar, dat het klimt' - maar ook een verdediger van de gedachte dat het schrijven een roeping is, en geen beroep. Een ouderwetse man dus.

Overdag was Bordewijk een deftige, afstandelijke Haagse heer, die als voorzitter van de literaire ereraad na de oorlog sommige al of niet 'foute' schrijvers - want daarover oordeelde die raad - tegen zich in het harnas joeg. Jan Gerhard Toonder werd zo kwaad over het kille gedrag en de bekakte spraak ('spraek' schreef hij) van zijn oudere vakgenoot, dat hij in het openbaar uiting gaf aan zijn woede. Hij was niet de enige.

Niet bekend

Om ook op dit punt geen misverstand te laten bestaan voegde hij aan zijn indringende evocatie van een Amsterdams bordeel, Rood Paleis, een nawoordje toe, waarin de lezer te verstaan kreeg dat de auteur zelve natuurlijk géén bezoeker van verdachte huizen was.

Bijna een qui s'excuse s'accuse schreef Menno ter Braak in zijn overigens positieve recensie.

Zo'n man, zo'n 'gespleten' man - Adriaan van der Veen vergeleek hem in 1958 met de 'Dr.Jekyll en Mr. Hyde' uit de roman van Robert Louis Stevenson - moet haast wel een kolfje naar de hand zijn van de vele biografen, die tegenwoordig klaar staan om ons op onze wenken te bedienen als we de levens van vooraanstaande schrijver willen leren kennen.

Voor Bordewijk dienden zich er aanvankelijk maar liefst drie aan: de neerlandici Siem Bakker, Elly Beukenhorst, die later over Bordewijk ging publiceren als Elly Kamp, en Reinold Vugs. Een interview met deze concurrenten door Anja van Leeuwen in het Biografie Bulletin werd besloten met de uitspraak: 'Degene die het eerst publiceert heeft gewonnen.'

Wie dat is, weten we nu, want deze week verschijnt van de hand van Reinold Vugs de dissertatie F. Bordewijk, een biografie, bij De Prom, het fonds van Wim Hazeu (zelf biograaf van Achterberg en Slauerhoff).

Vugs, in het dagelijks leven hoofdredacteur van een Haagse uitgeverij van vakbladen, heeft, zo blijkt, alles wat er vàn en óver Bordewijk te lezen valt, tot zich genomen en getracht in deze veelheid enige chronologische en thematische ordening aan te brengen.

Dat is, met alleen al die dertien delen Verzameld Werk in je hoofd, geen sinecure. Bovendien heeft Bordewijk zich veel meer met het literaire leven ingelaten, zo benadrukt Vugs, dan hij graag deed voorkomen. En dat uit te zoeken is evenmin eenvoudig. Maar het probleem van het ontoegankelijke privé-leven - dat de andere biografen als een grote handicap zagen - heeft ook Vugs niet kunnen oplossen, wat tot gevolg heeft dat hij de lezer uitsluitend Bordewijks 'buitenkant' laat zien.

Dat is niet alleen een kwestie van ontbrekend materiaal, dat is ook een kwestie van, laat ik maar zeggen: schrijfkunst. Vugs rapporteert veel - en dat is voor degenen die het werk kennen en geïnteresseerd zijn in de (tijds)omstandigheden waarin het ontstond - zeker lezenswaard. De manier waarop de steile Bordewijk de moderne tijd omarmde en oog had voor de nieuwe technologie; de manier ook waarop Bordewijks verlangen naar tucht en orde pijnlijk harmonieert met nationaalsocialistische ideeën, of zich afzet tegen de 'kindvriendelijkheid' die toen onder invloed van Maria Montessori en andere nobele zielen het onderwijs binnensloop; en Bordewijks somwijlen tamelijk antisemitisch aandoende uitlatingen, - dat, en nog veel meer, is uiterst informatief.

Maar een èchte biografie is Vugs' studie niet geworden, en ik denk dat dit niet zozeer veroorzaakt wordt door ontbrekende gegevens, maar door het feit dat Vugs zo weinig een schrijver is, iemand die met al die gegevens in handen een verhaal weet te vertellen, dat door zijn toon en stijl orde schept in het tweeslachtige leven van deze complexe hoofdpersoon. De stijl van Vugs wordt, voorzover hij niet zakelijk rapporteert, gekenmerkt door iets slooms en babbelends, dat niet alleen stelselmatig tot slordigheden en taalfouten leidt - die de uitgever maar heeft laten staan en heeft vermeerderd met flink wat tik- of zetfouten - maar dat ook een min of meer continu relaas in de weg zit.

Tot overmaat van ramp, maar daar kan Vugs niets aandoen, ontbrak in mijn exemplaar ook nog een heel katern, waardoor ik gedwongen was mijn lectuur voortijdig op te geven (De Prom, ¿ 59,50).

Het belangrijkste dat je van dit boek kunt zeggen - ik hoop dat belangstellenden in de boekwinkel wèl een compleet exemplaar aantreffen - is dat het de aandacht weer even vestigt op het werk van een van de belangrijkste Nederlandse schrijvers in de twintigste eeuw. Harry Mulisch, met wie ik in klein gezelschap eens het Amsterdamse etablissement Bordewijk bezocht - een naam die de bediening toen toeschreef aan het in de horeca kennelijk bestaande begrip 'bordenwijk' - zal daar een heel ander oordeel over hebben.

Over hem sprak Bordewijk, anders dan over W. F. Hermans, Anna Blaman en Mary Dorna, in wie hij 'een Nederlandse Colette' bevroedde, een bepaald ongunstig vonnis uit. Over Bordewijk is die avond niet meer gesproken, nadat de gevierde schrijver met een triomfantelijk gebaar een goed bewaard knipsel te voorschijn had gehaald en wees op zinnen als: 'Een vrij klein en als geheel waardeloos werk', of: 'Hij is hard op weg zichzelf te bederven, en dat reeds zo blijkbaar jong'

Het Centraal Boekhuis was geëvacueerd en nam in paniek alleen een stuk of vijftig populaire werkjes mee naar Almere. Maar nu de dijken, godzijdank, hebben standgehouden, en we De waterman van Arthur van Schendel (aan wie Bordewijk een uitgesproken hekel had) weer in de kast kunnen zetten, gaan er deze week misschien ook weer boeken van enig gewicht het land in.

Er zijn er twee, waarop - denk ik - menigeen zit te wachten, maar voordat ik daar op inga, wil ik eerst nog de Japanse Nobelprijswinnaar Kenzaburo Oë noemen, van wie de dikke en veelomvattende roman Voetballen in 1860 werd herdrukt. Meulenhoff heeft daarmee al het vertaalde werk van Oë weer onder het, zo heb ik begrepen, niet zo gretige volk gebracht. Dit boek gaat niet, zoals de min of meer vreemde titel doet vermoeden over een in Japan weinig populaire sport die daar reeds in de negentiende eeuw beoefend zou zijn, maar over een hedendaags conflict tussen twee broers en een Koreaanse zakenman die de geboortegrond van de broers - hun familiehuis als symbool van de waarden die zij verdedigen - wil veranderen in een supermarkt (¿ 49,90).

En dan zijn er nòg twee andere internationale grootheden: V. S. Naipaul, die zeven jaar na The Enigma of Arrival opnieuw een schitterend boek schreef, waarin de peilloos diepe kloof tussen Oost en West, tussen zijn geboorteland Trinidad en het Engeland waarmee hij zich verbonden is gaan voelen, bespiegelend en verhalend onder ogen wordt gezien. Hans Bouman noemde A Way in the World in de Volkskrant terecht de kroon op Naipauls oeuvre. Helaas is de nu verschenen vertaling, Een weg in de wereld, van Guido Golüke allesbehalve vlekkeloos (Atlas, ¿ 39,90). Bij De Arbeiderpers verscheen het 'uitstapje' van John Updike naar Latijnsamerika, Brazilië (¿ 34,90), een wat afwijkend type verhaal voor deze New-Englander bij uitstek.

Die twee, ten slotte. Dat zijn nieuwe delen in de Russische Bibliotheek van Van Oorschot. Zoals bekend beperkte die reeks zich met zijn tussen 1950 en 1973 gepubliceerde 38 delen dundruk - die later met nog vier 'klassieken' werd uitgebreid - tot de negentiende eeuw en daarmee leek hij af. Maar Wouter van Oorschot en Gemma Nefkens, de opvolgers van de grondlegger van de Russische Bibliotheek, Geert van Oorschot, hebben dat, in het zicht van de eenentwintigste eeuw, zoals ze in een brochure laten weten, als tamelijk onbevredigend ervaren, omdat er natuurlijk ook in deze eeuw nog wel een paar Russische schrijvers te vinden zijn die het lezen waard zijn.

Met Majakovski en zijn door Marko Fondse vertaalde Werken werd vorig jaar voor het eerst de grens naar de twintigste eeuw overschreden. Michail Boelgakov (1891-1940) en Ivan Boenin (1870-1953) volgen nu. In het eerste deel van Boelgakovs Verzamelde Werken staan nog niet de romans waardoor hij hier bij een groot publiek bekend geworden is - De meester en Margarita, Hondehart en De eieren der Rampp-spoed - maar Aantekeningen van een jonge arts, Morfine, Verhalen over de burgeroorlog en de intrigerende roman De witte garde. Van de Nobelprijswinnaar Boenin, die tijdens de Russische revolutie zijn land via Odessa verliet om zich in Parijs te vestigen, zijn in dit eerste deel van zijn Verzamelde Werken, de verhalen uit de periode van 1892 tot 1930 opgenomen. De verhalen tot 1930 komen in het volgende deel en dan volgen nog de roman Het leven van Arsenjev en Brieven en dagboekbladen.

De poëzie, die Boenin, een onverzettelijke conservatief met een hang naar de grote negentiende-eeuwse Russische traditie, óók schreef, wordt niet gebundeld.

Beide delen moeten deze week - ijs en weder dienende - in de boekwinkel liggen en ze kosten dan een maand lang (tot 8 maart) ¿ 79,-. Daarna: ¿ 95,-.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden