Poëzie voor de onsterfelijke Nederlander

De bloemlezing 'Het hart naar boven' geeft een nog altijd actief geestelijk erfgoed door: religieuze poëzie uit de zeventiende eeuw....

'GEESTELIJK erfgoed' - het begrip zakt wat door onder zijn gewicht aan ernst. Misschien buigt het ook wel van ouderdom. Het veronderstelt een doorwerking van de cultuur van vroeger die er niet meer is, behalve in enkele gesloten gemeenschappen, religieus of maatschappelijk. De 'erflaters van onze beschaving' - het boek met dezelfde titel blijft schitterend, de idee erachter niet minder. Maar buiten het boek weet bijna niemand meer van de erfenis. Wie kent de onderste lagen van zijn ziel?

De letterkunde uit het verleden is allang geen actief erfgoed meer; ze zal steeds passiever worden tot de betekenisloosheid is bereikt. De Delta-reeks, waarvan de delen bij verschillende literaire uitgeverijen verschijnen, wil de belangrijkste werken uit de oude Nederlandse letterkunde permanent beschikbaar houden. Voor een algemeen publiek.

Elk begin van een nieuwe reeks doet willekeurig aan. Er lijkt weinig verband aan te brengen tussen een bloemlezing uit Jacob van Maerlant, De Camera obscura van Beets, Kleine gedigten voor kinderen van Hieronymus van Alphen en Gedichten van Jacques Perk. Het net verschenen deel 'Het hart naar boven' - Religieuze poëzie uit de zeventiende eeuw lijkt de serie ineens in een perspectief te zetten. En dat is niet dat van de literatuur, maar van het erfgoed, het actieve dan.

De samenstellers, Ton van Strien en Els Stronks, verbonden respectievelijk aan de Vrije Universiteit en de Universiteit van Utrecht, hebben op zo'n driehonderd bladzijden een keuze uit het werk van 46 dichters bijeengebracht. Onder hen zijn natuurlijk de grote, vertrouwde namen (Hooft uitgezonderd, al berijmde hij enkele psalmen), maar de meesten zullen, zeker aan een algemeen publiek, nagenoeg of helemaal onbekend zijn. Men zal werk van een deel van hen niet zo gauw in een literaire bloemlezing uit de poëzie van de zeventiende eeuw opnemen. Maar de selectie had een ander doel.

In het begin van hun meer dan voortreffelijke 'Nawoord' - een schitterend beeld van het religieuze denken en beleven in de zeventiende eeuw - schrijven de samenstellers: 'Waarom juist deze dichters en deze gedichten, en geen andere? Esthetische overwegingen hebben (. . .) een rol gespeeld, maar stonden toch niet op de eerste plaats. Eerder hebben wij gezocht naar teksten die wij op een of andere manier typerend vonden voor (een deel van) het religieuze denken van die tijd. Veel van de gedichten die hier zijn opgenomen, vinden wij zelf eerder curieus dan mooi.'

Het meest curieuze woord is hier natuurlijk 'curieus'. Dat kan op een gebrek aan 'mooiheid' slaan, maar dat gebrek is nu juist typerend voor de bloemlezing.

Binnen het geheel van het religieuze denken en beleven is er in de bloemlezing nauwelijks iets curieus, juist door de grote eenvormigheid in gedachten en gevoelens, waardoor sommige gedichten inhoudelijk zo niet iets voorspelbaars krijgen, dan wel uit één geest lijken geschreven. Ik kan die niet anders omschrijven dan de Hollandse geest. En wie de wat fijnere lijnen van zijn ziel kent, zal ontdekken hoezeer die geest in hemzelf nog geworteld is. De bloemlezing geeft een nog altijd actief geestelijk erfgoed door, al geloven velen van de christelijke leer niets meer.

'Het hart omhoog' lijkt veel op de uit de Romeinse liturgie bekende oproep 'sursum corda', een aanmaning tot verheffing van het hart. En dat betekent richting de Heer, weg van het aardse. 'Wij hebben ons hart bij de Heer', antwoordt de gemeente. Snellere geestesverheffing is niet mogelijk! Los van de aarde betekent ook los van de tijdelijkheid, de eeuwigheid alleen telt.

Van die - algemeen - christelijke geest is de poëzie uit de bloemlezing doortrokken. Er wordt voortdurend over de tijdelijkheid geleerd, en dat betekent ook gemoraliseerd. Aardse goederen worden in hun nietswaardigheid tegenover de hemelse gesteld, zij het bij de ene dichter leerstelliger dan bij de andere. Relativering van het aardse brengt soberheid, gebrek aan vertoon mee (en dat geldt bij sommige dichters ook voor hun taal, uitgelaten pronkers kent de religieuze poëzie niet; het woord dat vermaant, is zo zuinig als men in alles dient te zijn).

De poëzie heeft veelal een dienstbaar karakter. Het persoonlijke wordt veralgemeend, onder meer door dat persoonlijke te plaatsen in een bijbels perspectief. Veralgemening leidt snel tot belering. Het kan typerend zijn dat mystieke poëzie ontbreekt. Dat is niet alleen gevolg van die veralgemening, maar evenzeer voor het Hollandse karakter, dat de klaarheid van het vensterglas - in leer en leven - verkiest boven het duister van God's licht. Als ik zeg 'Hollands karakter', doel ik niet op het calvinisme (dat gaf dat karakter alleen maar gelijk). Er is vanuit veel van deze poëzie achterwaarts een verbinding te leggen met de zo sobere Nederlandse geest van de Moderne Devotie.

Een ander kenmerk - evenzeer algemeen christelijk - is de bezinning op het lijden van Christus. Daarin staat het bewustzijn van eigen zondigheid - mijn zonden geselden, sloegen de spijkers - overheersend. Revius, wiens 'Hij droech onse smerten' klassiek is geworden, is met dat gedicht een van de velen (zij het niet literair). De indrukwekkendste zijn soms die verzen waar de kruisiging een kosmisch gebeuren wordt (de zon verdwijnt, de aarde scheurt); Calvarië is de navel van het heelal en drie uur op Goede Vrijdag het middelpunt van de tijd.

De top van de kruis-poëzie is overigens Vondel's 'De Kruisbergh'. Moet men de dichters geloven, dan kwam het schuldgevoel in de zeventiende eeuw even hoog als het water bij storm aan de dijken. Het zeventiende-eeuwse Nederlandse christendom is een zeer ernstige zaak, die de heidense kant van het katholicisme, dat 'the embarrassment of the riches' nooit heeft gekend, ontbeert.

De groten blijven de groten. De grootste in deze bloemlezing is Constantijn Huygens met zijn sonnettenreeks 'Heilighe Daghen', triomf van persoonlijke belijdenis en superieure kunstmatigheid. Het begin van 'Drykoningen avond' is karakteristiek:

Waer is Gods eenigh Kind, dat ick 't aenbidden magh? O Wijsen, wijst my 't pad. 'k zie du send Sterren proncken; Maer geene die my leid' als met ver keerde voncken: Ick sie de Leid-Ster niet daer op uw' wijsheid sagh.

Het is boeiend te lezen hoe anderen de 'Heilighe Daghen' navolgen - wat op het gezag van Huygens wijst - en altijd de minderen blijven. Revius is natuurlijk uitzonderlijk goed, Vondel ook, al bracht de aard van de bloemlezing mee dat diens grootste religieuze gedicht (misschien wel het grootste van de zeventiende eeuw) ontbreekt: de eerste Rei van Engelen uit Lucifer. De 25 regels tellende eerste zang - een grote vraag - is weergaloos, theologisch en dichterlijk.

De grote paradox van de bundel is dat de zondige staat het dichten feitelijk onmogelijk maakt. 'Wat roeste snaar slaat heldren toon?', is een mooie slotregel van Anna Morian. De tweede paradox is dat al die nederigen - wat een vermorzelde harten woonden in de zeven provinciën - de ijdelheid van het dichten toch niet hebben kunnen weerstaan.

Wij zijn meer stichtelijk dan literair, lijkt het. De dominee-dichter Volckerus van Oosterwijk dichtte dit (en hij krijgt heel wat echo's in de bloemlezing):

De slack krimpt in en hy vergeet Wanneermer 't bijtend' sout op goyt; Soo is het oock met 't sondig quaet Wanneermer ziltig nat op stroyt; Waer door ick meen', dat ziltig nat Dat uyt der menschen Oogen vliet, En even als een traenen-badt Van binnen uyt het herte schiet.

De wat ontvankelijke lezer kan zich door deze bloemlezing zijn Nederlander-zijn bewust worden. Toen ik de teksten van Valerius las - vertrouwde overigens - voelde ik me meer Nederlands dan ooit. Ik werd een erfgenaam. De wortels zitten nog diep. Zo brengt deze bloemlezing heel veel van ons geestelijk erfgoed naar boven. Misschien is dat wel het hoogste dat de uitgave van de oudere literatuur kan bereiken. Van Alphen en Beets, ze passen schitterend in de rij van de reeks. Niet de werken, maar wij blijken onsterfelijk.

Ton van Strien & Els Stronks (redactie): 'Het hart naar boven' - Religieuze poëzie uit de zeventiende eeuw.

Delta-reeks, Ambo/Amsterdam University Press; * 59,50.

ISBN 90 263 1543 0.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden