Poëzie: langzame doving is het lot van elk gedicht

Wie schrijft, die blijft, luidt het gezegde. Maar poëzie zal de tijdelijkheid nooit kunnen trotseren.

Bij zijn 75ste verjaardag verscheen van Bernlef onlangs de verzamelbundel Voorgoed. Gedichten 1960-2010. Het is een mooie, zij het enigszins misleidende titel. Voorgoed wekt de suggestie dat de gedichten die erin staan nog lang zullen meegaan, misschien wel de tijdelijkheid zullen trotseren. Maar zo heeft Bernlef het niet bedoeld. In NRC Handelsblad zei hij, gevraagd naar zelfkennis en scherpte van herinneringen: 'Het rare is, als je je hele leven geschreven hebt, dan wordt dat leven heel diffuus. (...) Door fictie te maken verdwijnen oorspronkelijke herinneringen en ervaringen. (...) Ik heb mijn leven verschreven.'


Bernlef is er de schrijver niet naar om dat 'verschreven leven' pompeus op te dienen. Hij zegt het bijna achteloos, zonder spijt of de suggestie van een aan de literatuur opgeofferd bestaan, maar meer als de nuchtere constatering van een onontkoombaar feit. Wie zijn leven 'verschrijft', verliest onvermijdelijk oorspronkelijke ervaringen.


Achter in Voorgoed staat het gedicht Het leven, waarin de notie van het 'verschreven leven' terugkeert, maar nu wel in een melancholiek stemmende context. Het leven weerspreekt de suggestie dat de poëzie in Voorgoed, en in het verlengde daarvan álle poëzie, de tijdelijkheid zal trotseren. Wie schrijft, die blijft, luidt het gezegde - maar Bernlef maakt daar in Het leven korte metten mee:


Wie schrijft blijft niet maar onderbreekt zijn leven


en - al is het maar voor even - raakt blind voor wat hij ziet.


Ik heb mijn leven grotendeels verschreven tot


nabeelden langzaam dovend in een boekenkast.


Nabeelden die langzaam doven, en dan niet eens in hoofd of hart van de lezer, maar in een doodse boekenkast: hier wordt de vergeefsheid van alle literaire strevingen onderstreept, en het lijkt erop dat de dichter in die langzame doving berust. Niet dat er veel anders op zit. De dichter-op-leeftijd die nog woest vibrerend denkt de Parnassus te bestijgen en de eeuwigheid naar zijn hand te zetten, moet nog uitgevonden worden.


In Het leven benadrukt Bernlef ook de marginaliteit van de poëzie. Poëzie is en blijft een zaak van enkelingen, daar doet het gegeven dat ruim een miljoen Nederlanders zelf geregeld aan het dichten slaat niets aan af. Het is bekend dat er een afgrond gaapt tussen de massa's die gedichten schrijven en het handjevol liefhebbers dat gedichten léést.


Wie overigens denkt dat de acceptatie van de vluchtigheid en marginaliteit van poëzie is voorbehouden aan dichters van zekere leeftijd, gaat voorbij aan de vroege wijsheid die sommige jongere dichters gegeven is. Bernlefs besef een 'verschreven' leven te leiden, keert bijna letterlijk terug in het gedicht De weg van alle boeken uit de nieuwe bundel van Menno Wigman (1966), Mijn naam is legioen:


De angst. De witte wimpers van de angst


dat ik mijn leven heb verschreven.


Waarna Wigman vervolgt met schijnbaar heroïsche regels die bij nader inzien afstevenen op een langzame nadoving in die Bernlefiaanse boekenkast:


Ik wil in zestigduizend hoofden ruisen


en iedereen een tand uitslaan


voor ik de weg van alle boeken ga


en roemloos bij De Slegte sta.


Bederf is de weg van alle vlees is de titel van een novelle van Marcel Möring, en Wigman benadrukt dat 'de weg van alle boeken' hieraan identiek is: alle boeken leggen een weg af richting ramsj, ruiming, verpulping, een finale ronde in de papiermolen - bederf, verdwijning, onzichtbaarheid. Het verschil is wel dat bij Wigman de berusting (nog) ver te zoeken is; vooralsnog overheerst de angst zijn leven te verschrijven.


Die angst kan alleen worden gedempt met kunstmatig-megalomane ambities, die de dichter zélf als eerste zal ridiculiseren, maar die hem niettemin gaande en staande houden: great expectations en krijgshaftige daden verzachten de angst een verschreven leven te leiden: in zestigduizend hoofden ruisen! En: iedereen een tand uitslaan! Voor minder doet de dichter het niet, ook al is hij de eerste om te erkennen dat in die zestigduizend hoofden kort na de entree van diens gedicht in die hoofden, er al heel snel wel weer iets of iemand anders zal ruisen.


De klemmende vraag waaraan geen dichter lijkt te kunnen ontsnappen: waarvoor doe je het in godsnaam - en voor wie? Zo er al zestigduizend lezershoofden voorhanden zijn om je poëzie in te laten ruisen, dan staan die hoofden vrijwel allemaal gekeerd naar die enkelingen die in staat waren poems for the millions te maken: ooit was dat Nel Benschop, wie zal dat nu zijn? Ik heb geen flauw idee. De dichter des vaderlands misschien. Die ziet zijn poëzie gepubliceerd in een dagblad met een oplage van rond de 200 duizend, even vooropgesteld dat de velen die dat dagblad lezen, diens gedichten niét overslaan - wat natuurlijk een illusie is.


Hoe dan ook wíl een dichter als Wigman in die hoofden niet ruisen, want waar Benschop ruist, staan de dichterlijke hersensluizen nu eenmaal niet open voor werk van dichters als Bernlef en Wigman.


Toch bestaat er een optimistischer kijk op de marginaliteit van poëzie en op de doodenkele poëzielezer, volgens Hugo Claus bestaand uit een clubje van twaalf 'en een snurkende recensent'. Aan Harry Mulisch werd eens gevraagd of het niet frustrerend was dat zijn dichtbundels een minuscule oplage hadden. Mulisch antwoordde dat je sip kunt doen over die paar honderd lezers van zo'n bundel, maar dat het zinvoller is in te zien dat die paar honderd wel de juiste lezers zijn.


De juiste lezer - welke schrijver en dichter wil niet gehoord en gelezen worden door lezers uit díé categorie? Die juiste lezer, zo stel ik me voor, begrijpt en voelt waarom de dichter het vooruitzicht van nadoving in een boekenkast en het onvermijdelijke eindstation genaamd De Slegte, misschien niet eens trotseert, maar eenvoudig negeert. Er staat immers méér op het spel dan een worsteling met en berusting in nadoving en vergetelheid. Het is veelzeggend dat dezelfde dichter die zich sterk bewust is van 'de weg van alle boeken' óók een bloemlezing maakte die deze weg, getuige de titel, fier negeert.


Wat blijft (1999) heet de bloemlezing die Wigman samenstelde, met als subtitel: de mooiste gedichten van de twintigste eeuw. Die bloemlezing beschouw ik, gegeven Wigmans eerder geciteerde gedicht, als een poging ernstige vertraging tot zelfs stilstand te veroorzaken op die weg van alle boeken - de bloemlezing als wegversperring, met filevorming als vrolijk stemmend gevolg.


Maar Wat blijft is méér dan een vorm van bloemlezend wensdenken: de woorden komen uit een gedicht van Gerrit Komrij, opgenomen in Wat blijft, waarin onverschrokken wordt afgerekend met de o zo verleidelijke, maar onacceptabele buiging van de dichter voor elke vorm van vluchtigheid en vergankelijkheid. Want waaróm 'verschrijft' iemand nu eigenlijk zijn of haar leven? Komrij geeft het antwoord:


De dichter, heden, is een zonderling,


Hij hangt de paljas uit voor zijn publiek.


Wat blijft: bezetenheid om één, één ding.


De wonden die hij likt. En de muziek.


Zo. Dát staat. Als het erop aankomt, trotseert iedere dichter (dwang)gedachten over luttele aantallen lezers en snurkende recensenten. Alles, alle ruimte tussen lezer en dichter, alle ruis in misschien wel zestigduizend hoofden, legt het af tegen de onbedwingbare kracht waarmee de dichter strijdt: met bezetenheid. Niet te verwarren met gedrevenheid, het goed gecoiffeerde neefje van bezetenheid. Geen gedicht kan het zonder stellen, ook niet gedichten met een bespiegelende, berustende of zelfs bezadigde inslag.


Terug naar Bernlef en zijn Voorgoed. Even na Het leven staat in Voorgoed het gedicht Het niets. Met daarin de regels: Want zelfs als er niets te zeggen valt blijven de woorden bonzen / stromen als het weinige dat ons rest.


De dichter zwijgt. Er is niets te zeggen. Er rest ons ook weinig, nog nét niet niets. Maar de woorden blijven bonzen. Er moeten figuren zijn en blijven, enkelingen, die gehoor geven aan dat bonzen. Dat zijn de onmisbaren onder ons. Degenen die in laatste instantie lak hebben aan vliedende tijd en vergankelijkheid. Dat zijn de bezetenen - de echte dichters. De juiste lezers zoeken, vinden en herkennen vervolgens feilloos die bezetenen. De juiste lezer geeft stem aan de echte dichter. Dwars tegen de weg van alle boeken in.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden