Poëzie als vitriool

Wat is de ontologische status van een gedicht? Hoewel je dichters weleens hoort beweren dat het gedicht zichzelf schrijft en menig lezer denkt dat het gedicht iets van hem wil, kan het geen kwaad erop te wijzen dat dit metaforen zijn....

Je kunt je een gedicht op papier misschien het best voorstellen als een partituur, een instructie aan de lezer om de woorden in zijn hoofd tot klinken te brengen. Of die woorden in de lezer iets teweegbrengen dat overeenkomt met wat ze in het hoofd van de dichter betekenden, is een kwestie die zoveel filosofische en psychologische vragen oproept, dat we haar beter kunnen laten rusten.

René Puthaar, die drie jaar geleden als zelfverklaard zondagskind de Nederlandse poëzie binnenschreed, sluit zijn nieuwe bundel af met een gedicht dat zo begint: Publiek, elk woord is drager van een vreemde spruit die redeloos van bloeddorst in uw binnenoor ravages scheppen moet opdat u ooit verhoort wat het gedicht bewogen heeft dat u vermoordt.

Het gedicht is een bundeling ziektekiemen die pas na een flinke incubatietijd in de lezer tot ontplooiing komen, als uitzaaiingen van een ongeneeslijke kanker: 'Het woord telt in uw hersenpan de maanden uit, /slaat dan zijn angel in uw sprakeloze lijf.' Pas nadat u bent verstijfd, kan het gedicht verrijzen. Zoals het virus de mens gebruikt om zijn zegetocht over de wereld te voltooien, misbruikt het gedicht de lezer om zich te vermenigvuldigen. Intussen lijkt het toch eerder de dichter te zijn die hier iets over poëzie zegt, dan het gedicht zelf. De dichter schrijft een gedicht om u te vergiftigen.

Is dit inderdaad giftige poëzie die tijd vergt voordat ze gaat werken? Om met dat laatste te beginnen: Puthaar schrijft zo concies, zijn zinnen zijn dermate ingenieus geconstrueerd, dat het buitengewoon veel inspanning kost erin door te dringen. Er is geen sprake van dat deze gedichten direct hart of onderbuik raken. Zo kun je je blindstaren op regels als deze: 'Terwijl ook daar de afzet niets beduidt /als niets op springen staat is het ook hier //goed mis (gesprongen, zien elkaar niet meer) /zolang onder het springen wordt verstaan //dat tot de sprong jij in mijn schoenen staat /en andersom.'

Nu is er niets tegen poëzie die zich tegen interpretatie verzet, mits ze iets te bieden heeft wat de aandacht weet vast te houden. Dat is bij Puthaar niet altijd het geval. Sommige gedichten lijken eindeloos doordachte constructies waaruit al het leven is weggesublimeerd, althans zo vakkundig door de intellectuele mangel is gehaald, dat je er als buitenstaander niet meer bij kunt. Bovendien schrijft Puthaar consequent jambische verzen, waarbij vrijwel alle gedichten bestaan uit regels van gelijke lengte, hetgeen onvermijdelijk een zekere klassieke saaiheid met zich meebrengt. Na een tiental bladzijden begin je te snakken naar vuurwerk, of naar het gif dat het laatste gedicht belooft. Maar misschien is dit juist het gif: dat je de teksten met enige wrevel als wezensvreemd in je opneemt, dat je er niet van kunt houden, maar ze ook niet kunt loslaten. In dat opzicht lijkt Puthaar op Mallarmé, naar wie hij expliciet verwijst.

Alle bezwaren vallen weg bij de reeks 'Alles retour', die eerder in de Zwarte Reeks van uitgeverij Herik verscheen. Technisch vernuft staat hier in dienst van dwingende beelden en een ongrijpbare lading waaraan niet valt te ontkomen: 'De dingen komen uit hun schulp. /Het volk drinkt bloed en vitriool.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.