Poeha op de dijk

Voor zijn boek Het been in de IJssel ging schrijver Joris van Casteren fanatiek op zoek naar de visser die het ledemaat in de zomer van 2005 in de rivier zag drijven. Een man meldde zich en deed zijn verhaal. Een fantast, bleek onlangs toen de echte visser na afloop van een signeersessie op de auteur afstapte.

Een tijdje geleden werd ik geïnterviewd door de Peperbus, een krantje dat huis-aan-huis wordt verspreid in Zwolle en omstreken. Aanleiding was mijn recent verschenen boek, Het been in de IJssel, waarin ik verslag doe van mijn tragikomische zoektocht naar de eigenaar van een linker onderbeen dat, gehuld in een chocoladebruine Nike-sok, in de zomer van 2005 door een visser in de IJssel bij Wijhe werd aangetroffen.


De Peperbus-journalist, Sibrand Hofstra, was gegrepen door Het been in de IJssel. Na ons gesprek op een terras in Amsterdam vroeg hij of ik in boekhandels bij hem in de buurt zou willen signeren. In Zwolle, Wijhe en Deventer was daar belangstelling voor, wist hij.


Een paar weken later was het zover. Bij Waanders in Zwolle en bij Paagman in Deventer was de opkomst redelijk, bij kantoorboekhandel Primera in Wijhe liep het storm. Sytze en Marjet Schippers, de eigenaars, waren druk in de weer met wijn, bier, frisdrank en kaasblokjes.


Ik vertelde over het boek en de wonderlijkheden die mij tijdens de zoektocht naar de eigenaar waren overkomen. Soms stelde iemand een vraag. Een man merkte op dat ik geen recht deed aan het station van Wijhe, dat ik in het boek 'een reep beton in een weiland' noem.


Ook vond hij het 'ongunstig voor de regio' dat ik in het derde hoofdstuk melding maak van ganstrekken en katknuppelen: dieronvriendelijk volksvermaak dat vroeger voorkwam in Den Nul, het gehucht tussen Wijhe en Olst waar het been thans in een kinderkistje ligt begraven.


Na afloop vormde zich een rij en signeerde ik een aantal boeken. Toen de meeste mensen weg waren, kwam een man met een grijze hangsnor naar mij toe. Het was Joop Mekers (66), afkomstig uit Wijhe zelf. Hij was in gezelschap van zijn vriendin Alice Dikkeschei, een jongere vrouw met zwarte punten in het geblondeerde haar, hondenkapster van beroep.


Joop vertelde dat hij het boek van zijn schoonmoeder cadeau had gekregen. Die zat in 'De vrienden van het boek', een plaatselijke leesclub. Joop had het boek meegenomen. Het was gekaft met het inpakpapier van Primera, de sticker en het sierlint hingen er nog aan. Ik zag dat Joop een beetje beefde. 'Het boek is prachtig', zei hij, 'maar wat op pagina 37 staat, klopt niet helemaal.' Op pagina 37 schrijf ik over de visser die het been destijds in de IJssel aantrof. Desperaat was ik naar hem op zoek geweest, niemand in Wijhe leek te weten wie hij was.


Bij een snackwagen had ik mijn telefoonnummer achtergelaten. Weken later was ik gebeld door een man die zei dat hij de visser was. Nachtmerries had hij overgehouden aan de vondst van het been, zijn visgerei was verkocht via Marktplaats. De man wilde anoniem blijven, het nummer waarmee hij belde, was afgeschermd.


Joop Mekers zei tegen mij dat hij de visser was. Verwonderd keek ik hem aan. 'Dus u heeft mij destijds gebeld?' 'Nee, dat was ik niet', zei Joop. 'Iemand heeft u voor de gek gehouden.'


Een week later zat ik bij Joop en Alice in de huiskamer. Joop vertelde dat hij in Olst was geboren, een paar kilometer stroomopwaarts. In een katholiek gezin dat niet lang daarna verhuisde naar Den Nul. Toen hij 16 werd, haalde zijn vader hem van school. Eerst werkte hij in de zagerij van Den Nul, daarna als arbeider in steenfabriek 't Haasje, waar nu een camping is.


Toen 't Haasje sloot, werkte hij bij de naastgelegen steenfabriek Fortmond, tot die ook failliet ging. Een paar jaar zat Joop op de shovel, daarna werkte hij in de Noordoostpolder, om tenslotte in dienst te treden bij de gemeente Wijhe.


Hij plaatste verkeersborden en onderhield de straten en de riolering. In 2001 fuseerden Wijhe, Olst en Den Nul. 'Ineens waren er allemaal nieuwe regels', zei Joop, 'ik kon daar niet tegen.' Hij raakte overspannen en ging vroegtijdig met pensioen. Eind jaren negentig was Joop gescheiden van zijn vrouw, met wie hij twee zonen heeft. Hij kreeg een verhouding met Alice. Toen haar echtgenoot daar achter kwam, verhuisde die ontdaan naar de Achterhoek. Joop trok bij haar in. 'Het is een lieve en zorgzame man', zei Alice.


Joop had één grote passie: vissen. 'Van jongs af aan heb ik dat gedaan.' Altijd op snoekbaars. Als hij er met z'n broers een ving, namen ze hem mee en ging het beest in de pan. 'Nu zet ik ze gewoon weer terug', zei Joop.


Snoekbaars vang je met een voorntje. Vroeger mocht zo'n voorntje als levend aas worden gebruikt, tegenwoordig niet meer. 'Je moet hem nu eerst doodslaan voor je ermee mag vissen, een idiote maatregel.'


Op de krib ter hoogte van de kruidenfabriek had Joop zijn vaste stek, al jarenlang. 'Halverwege, tussen de basaltblokken, was een stabiele plek voor mijn klapstoeltje.' Aan het einde van de dag kwam Alice vaak langs met de hond en de kinderen. Als het mooi weer was zwommen ze, terwijl Joop viste. 'Dat waren gelukzalige momenten', zei Alice.


Op donderdag 30 juni 2005 reed Joop na het middageten in zijn Mazda 323 station naar zijn stek. 'Het was een prachtig mooie dag', weet Alice nog. Haar zoons waren op school, als die thuiskwamen zou zij vier jonge kinderen van een bevriend stel ophalen, op wie zij elke donderdagmiddag paste.


Joop parkeerde de auto en liep met zijn spullen naar de rivier, door de uiterwaarden waar roodbontvee graast. Hij zette zijn klapstoel neer, ving een voorntje, vermorzelde het op de stenen, reeg de bloederige resten aan zijn haak, wierp uit en stak een sjekkie op.


In de kom van de krib, waar Alice en de kinderen het water ingingen als ze wilden zwemmen, zag hij iets drijven in het wier. 'Ik dacht dat het een dode vis was.' Hij kon zich niet meer op zijn dobber concentreren. 'Elke keer trok dat ding me aan.' Het lag een meter of 5 bij hem vandaan. 'Ik rook niets, maar dat komt omdat ik sowieso slecht ruik.'


Een groot schip passeerde, kortstondig trok het water zich terug. 'Toen rolde dat ding achteruit en zag ik dat er een voet aan vastzat.' Hij stond op en liep erheen. 'Het was een mensenbeen, overduidelijk.' Joop wist niet wat hij moest doen. Hij ging weer op z'n klapstoel zitten en viste verder. 'Intussen keek ik naar de dijk, want gewoonlijk rijdt er regelmatig politie langs.'


Na een uur had hij nog geen politiewagen gezien en besloot hij naar huis te gaan. Hij pakte een tak en boog die in een lus. 'Om dat been te verzegelen. Want ik dacht: straks kom ik hier met de politie en dan is het weggespoeld.'


Alice stond op het punt de oppaskinderen op te halen toen Joop met zijn visgerei het erf op liep. 'Ik dacht: is hij er nu alweer? Dat was dan ook de moeite niet.'


Joop vertelde dat hij een been had gevonden, Alice stond perplex.


'Een been? Hoezo een been?'


Ze vertrok om de oppaskinderen op te halen, Joop zocht naar een kaart waar het algemene nummer van de politie op staat. 'Die rotkaart kon ik nergens vinden.' Hij besloot 112 te bellen. 'Ik kreeg een juffrouw aan de telefoon. Ik zeg: ik heb zojuist een been in de IJssel gevonden.'


De juffrouw vond het maar een vreemd verhaal. 'Ik kon haar ook niet goed uitleggen waar het precies lag.' De juffrouw werd een beetje boos. 'Ze zei: wat wilt u nou? Brandweer, ambulance of politie?' De politie, dat leek hem het handigst.


Een paar minuten later haalden agenten hem op. 'De buurman zag mij een politieauto instappen. Die dacht: wat is er in hemelsnaam met Joop aan de hand?' Ze reden richting de kruidenfabriek, bij de krib wees Joop hen op het been. 'Gelukkig lag het er nog.'


Een van de agenten dacht dat het een nepbeen was. 'Toen hij het met een stok naar de kant haalde, zag hij dat het wel degelijk echt was.' Ze belden de recherche en brachten Joop terug naar huis. Nog een paar keer liep hij die middag de dijk op om te kijken. 'Het was een hele poeha. Politieauto's, politieboten en ook nog een helikopter.'


Alice was er kapot van. 'Een mensenbeen, uitgerekend op de plek waar we zo vaak hebben gezwommen.' De volgende dag kwam een agent langs om Joops verklaring op te nemen. Een week later werd hij gebeld door slachtofferhulp. 'Ik heb daar geen gebruik van willen maken.'


Nog een paar keer ging Joop naar zijn stek om op snoekbaars te vissen. 'Maar ik zat er niet meer lekker, ik bleef maar denken aan dat been.'


Alice kwam niet meer langs. 'Voor mij hoefde het niet meer, ik ben ook nooit meer het water ingegaan.' Als ze met de hond, die vorig jaar overleed, langs de IJssel liep, hield ze hem aan de lijn. 'Ik was als de dood dat hij ineens met een arm of een hoofd in zijn bek tevoorschijn zou komen.'


Al die jaren bleef Joop zich afvragen aan wie het been toebehoorde, of de eigenaar ervan nog in leven was.


'Dankzij jouw boek heeft hij het een plaats kunnen geven', zei Alice.


'Ik leef veel opgewekter nu', zei Joop.


Ik zei dat de politie mij zijn naam niet had willen geven, dat ik daarom in het dorp naar hem op zoek was gegaan. Joop: 'Als ik had geweten dat jij mij zocht, had ik je meteen gebeld.'


Ze hebben geen idee wie de anonieme man is die mij destijds belde. 'Die heeft ze niet helemaal op een rijtje', zei Alice.


'Bij een volgende druk van het boek voeg ik jouw verhaal toe', zei ik tegen Joop. Hij stond op en omhelsde mij. 'Dat zou meer dan prachtig zijn.'


Joris van Casteren: Het been in de IJssel. Prometheus, 271 blz. euro17,95. De V geeft 5 exemplaren van het boek weg. Kans maken? Ga naar facebook.com/Volkskrant





Van Casterens oeuvre


Joris van Casteren (1976) publiceerde In de schaduw van de Parnassus, gesprekken met vergeten dichters (2002) en Zeg mijn lezers dat ik doorschrijf, portretten van vergeten schrijvers (2006). In 2003 verscheen de reportagebundel De man die 2 ¿ jaar dood lag, berichten uit het nieuwe Nederland, in 2007 de reportagebundel Requiem voor een pitbull. Hij is samensteller van de bloemlezing Een vreselijk land, de mooiste journalistieke verhalen van Nederland (2005) en schreef de dichtbundel Grote atomen (2001). Aan het Netherlands Institute for Advanced Study (NIAS) te Wassenaar was hij in 2007 journalist-in-residence. In september 2008 verschijnt Lelystad.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden